ECLI:NL:RBGEL:2026:5042
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/9105
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026
in de zaak tussen
[belanghebbende] , uit [woonplaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. [gemachtigde 1] ),
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Amsterdam, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur van 12 november 2024.
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.628. Gelijktijdig bij de vaststelling van de aanslag heef de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.
De inspecteur heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag IB/PVV 2022 gehandhaafd.
De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [gemachtigde 1] namens belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.
Feiten
1. Belanghebbende is op 7 september 1992 bij Blokker B.V. in dienst getreden.
2. Op 26 april 2021 heeft belanghebbende een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij partijen overeen zijn gekomen dat de bestaande arbeidsovereenkomst per 1 september 2021 met wederzijds goedvinden eindigt. In de vaststellingsovereenkomst zijn partijen een beëindigingsvergoeding van € 31.444,37 overeengekomen.
3. Belanghebbende heeft zich op 18 mei 2021 ziek gemeld bij Blokker B.V. Belanghebbende ontving vanaf het moment dat hij ziek werd tot 14 mei 2023 een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V.
4. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2023 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2022.
5. Belanghebbende heeft op 14 april 2023 om uitstel verzocht. De inspecteur heeft tot 1 mei 2024 uitstel verleend.
6. Belanghebbende heeft op 2 mei 2023 de aangifte IB/PVV 2022 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit tegenwoordige dienstbetrekking van € 25.520 opgegeven bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892.
7. Met dagtekening 1 december 2023 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 vastgesteld. Het verzamelinkomen is vastgesteld op € 23.628 en bestaat uit inkomen uit vroegere dienstbetrekking ter hoogte van € 25.520 bij Blokker B.V. en inkomen uit eigen woning van € - 1.892. Daarnaast heeft de inspecteur belastingrente van € 129 in rekening gebracht.
8. Belanghebbende heeft op 10 januari 2024, ontvangen door de inspecteur op 11 januari 2024, bezwaar gemaakt tegen de aanslag IB/PVV 2022. Belanghebbende geeft in het bezwaarschrift aan dat de ingediende aangifte juist is en de witte tabel toegepast dient te worden, omdat belanghebbende in dienst was van Blokker B.V.
9. De inspecteur heeft op 16 augustus 2024 aan belanghebbende verzocht om informatie met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij Blokker B.V.
10. Belanghebbende heeft op 22 augustus 2024 per e-mail een vaststellingsovereenkomst, salarisstrook van december 2022 en een brief van het UWV van 6 april 2023 aan de inspecteur verzonden.
11. Bij brief van 21 oktober 2024 heeft de inspecteur belanghebbende laten weten voornemens te zijn om het bezwaar van belanghebbende ongegrond te verklaren. In deze brief is belanghebbende ook gewezen op het hoorrecht.
12. Belanghebbende heeft op 1 november 2024 gereageerd op het voornemen van de inspecteur. Volgens belanghebbende kan een wettelijk ontslag niet ingaan tijdens een ziekteperiode. Belanghebbende heeft onder andere de jaaropgave 2023 overgelegd waarin staat vermeld dat de ontslagdatum 15 mei 2023 is.
13. Bij uitspraak op bezwaar van 12 november 2024 heeft de inspecteur het bezwaar ongegrond verklaard, omdat belanghebbende tot en met 31 augustus 2021 in loondienst was bij Blokker B.V. en in september 2021 een ontslaguitkering heeft ontvangen. Daarnaast heeft belanghebbende in de periode van 1 september 2021 tot en met 31 december 2021 een Ziektewet-uitkering ontvangen van Blokker B.V. Volgens de inspecteur is hiermee terecht de groene tabel toegepast.
Beoordeling door de rechtbank
14. De rechtbank beoordeelt of de aanslag IB/PVV 2022 juist is vastgesteld, in het bijzonder of recht bestaat op arbeidskorting. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
15. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
16. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij in 2022 recht heeft op arbeidskorting, omdat sprake is van een dienstbetrekking. Hij heeft op 26 april 2021 een vaststellingsovereenkomst met Blokker B.V. gesloten waarbij de bestaande arbeidsovereenkomst op 31 augustus 2021 zou eindigen. Op 18 mei 2021 heeft belanghebbende zich ziek gemeld en met ingang van deze datum heeft hij een Ziektewet-uitkering van Blokker B.V. ontvangen, waardoor de dienstbetrekking niet is beëindigd op 31 augustus 2021. Belanghebbende verwijst hierbij naar een loonspecificatie van december 2022 waarin als datum van indiensttreding 1 september 2021 wordt genoemd en het contract voor onbepaalde tijd staat aangemerkt. Tevens verwijst belanghebbende naar de jaaropgaven 2021, 2022 en 2023 waarin belanghebbende wordt aangeduid als werknemer.
17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat van een dienstbetrekking in 2022 geen sprake meer is, omdat deze op 31 augustus 2021 met wederzijds goedvinden is geëindigd. De inspecteur geeft aan dat uit de betalingsspecificatie van december 2022 en de jaaropgaven van Blokker B.V. blijkt dat Blokker B.V. geen arbeidskorting heeft toegepast op de Ziektewet-uitkering. Pas na uitdiensttreding, per 1 september 2021, heeft Blokker B.V. een ziektewetuitkering aan belanghebbende uitgekeerd en is er een nieuwe inkomstenverhouding ontstaan. Dit heeft Blokker B.V. niet gedaan in het kader van een lopende dienstbetrekking, maar als eigenrisicodrager voor de Ziektewet.
18. In artikel 8.11, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat arbeidskorting geldt voor de belastingplichtige die arbeidsinkomen geniet. Volgens artikel 8.1, eerste lid, onderdeel e van de Wet IB 2001 wordt onder arbeidsinkomen verstaan: het gezamenlijk bedrag van hetgeen door de belastingplichtige met tegenwoordige arbeid is genoten als winst uit een of meer ondernemingen, loon en resultaat uit een of meer werkzaamheden. Voor 1 januari 2020 gold dat een Ziektewet-uitkering tot het arbeidsinkomen werd gerekend.Met ingang van 1 januari 2020 is dat gewijzigd en wordt een Ziektewet-uitkering alleen tot het arbeidsinkomen gerekend indien de dienstbetrekking nog niet beëindigd is.
19. In de parlementaire behandelingis over bovenstaande wijziging het volgende opgenomen:
“Een werknemer krijgt in veel gevallen bij ziekte zijn loon doorbetaald door zijn werkgever. Als dat niet het geval is, zorgt de ZW voor een inkomensvoorziening bij ziekte van de werknemer. Een ZW-uitkering wordt echter ook verstrekt aan personen die door ziekte tijdelijk niet beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt, maar geen dienstbetrekking (meer) hebben, bijvoorbeeld aan personen die een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) hadden en ziek zijn geworden of personen van wie de dienstbetrekking tijdens ziekte is beëindigd.
Als iemand een ZW-uitkering heeft, telt die uitkering mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Een WW-uitkering telt niet mee als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en van de IACK. Iemand die een WW-uitkering heeft en ziek wordt en daardoor een ZW-uitkering ontvangt, heeft op dat moment een hoger inkomen dat meetelt voor de bepaling van de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Als gevolg daarvan treedt op dat moment in de regel een substantiële netto-inkomensstijging op. Vervolgens ervaart deze persoon juist in de regel een substantiële netto-inkomensdaling als hij zich beter meldt en weer een WW-uitkering geniet. Beide situaties acht het kabinet, ook voor vergelijkbare groepen, niet wenselijk. Daarom is het voorstel om per 2020 voor nieuwe ZW-uitkeringsgerechtigden zonder werk de ZW-uitkering niet mee te laten tellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting.
Dat betekent dat een knip moet worden aangebracht in de groep mensen die een ZW-uitkering geniet. Kort gezegd, wordt een knip aangebracht tussen zieken met werk en zieken zonder werk. De voorgestelde maatregel is daarmee zowel van toepassing voor mensen met een WW-uitkering die ziek worden als voor mensen die in een vergelijkbare situatie verkeren als zieke WW-gerechtigden: zij zijn ziek en hebben geen dienstbetrekking (meer). Het betreft bijvoorbeeld mensen met een arbeidscontract voor bepaalde duur dat is beëindigd, uitzendkrachten die onder het uitzendbeding vallen en zwangeren die geen dienstbetrekking (meer) hebben en zich vóór hun zwangerschaps- en bevallingsverlof ziek melden. Voorgesteld wordt bij deze groepen de ZW-uitkering niet langer te laten meetellen als inkomen dat bepalend is voor de hoogte van de arbeidskorting en de IACK. Het gaat om circa 250.000 ziektegevallen per jaar (ZW-uitkeringen), met een gemiddelde duur van 52 dagen (cijfers 2017).”
20. De rechtbank is van oordeel dat belanghebbende in 2022 geen recht had op arbeidskorting, omdat hij geen dienstbetrekking had. Belanghebbende ontving in 2022 een Ziektewet-uitkering van zijn ex-werkgever, waarbij de dienstbetrekking al per 1 september 2021 middels een vaststellingsovereenkomst was beëindigd. Belanghebbende heeft geen stukken overgelegd die erop kunnen wijzen dat de vaststellingsovereenkomst niet geldig of herroepen is. Dat in de loonspecificatie een ingangsdatum van 1 september 2021 en een contract voor onbepaalde tijd staat genoemd, en in de jaaropgaven over een werknemer wordt gesproken, maakt niet dat het om een lopende dienstbetrekking gaat. De rechtbank ziet daarentegen in de loonspecificatie ook de functie ‘ZW-uitkeringsgerechtigde’ staan. Verder blijkt uit de door de inspecteur overgelegde stukken dat de ex-werkgever van belanghebbende voor de periode tot 1 september 2021 uitgaat van een dienstbetrekking en voor de periode erna (dus heel 2022) niet. Voorts merkt de rechtbank op dat belanghebbende bij een eventuele betermelding na 1 september 2021 geen loon meer zou ontvangen van zijn ex-werkgever, omdat de arbeidsovereenkomst immers niet meer bestond.
21. Belanghebbende heeft ter zitting gewezen op een uitspraak van rechtbank Noord-Nederland zonder de exacte gegevens te weten. De rechtbank heeft getracht deze uitspraak te achterhalen. Voor zover belanghebbende heeft willen verwijzen naar de uitspraak ECLI:NL:RBNNE:2024:2692, merkt de rechtbank op dat deze op een andere situatie ziet.
22. Nu het hier niet om een Ziektewet-uitkering met dienstbetrekking gaat, dient de Ziektewet-uitkering niet tot het arbeidsinkomen gerekend te worden en bestaat er dus ook geen recht op arbeidskorting. De aanslag IB/PVV 2022 is juist vastgesteld.
Belastingrente
23. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. Omdat er geen reden is om de aanslag te verminderen, blijft de belastingrente in stand.
Conclusie en gevolgen
24. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de aanslag in stand blijft. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Artikel 8.1, tweede lid, onderdeel van de Wet IB 2001 (tekst 2019).
MvT, Kamerstukken II2018/19, 35026, nr.3, p 18-19.