Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5066

Instanță

Arnhem

Data

26 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Belastingrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Arnhem

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 24/8842
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026

in de zaak tussen

[belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende,

en

de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.

Inleiding

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van belanghebbende tegen het niet tijdig beslissen op het verzoek om dwangsom.

De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420.

De inspecteur heeft het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende afgewezen.

De inspecteur heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 9 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.

Feiten

1. Belanghebbende is in 2021 woonachtig in [woonplaats] en heeft een fiscaal partner.

2. De inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 28 februari 2022 uitgenodigd tot het doen van aangifte over het jaar 2021.

3. Belanghebbende heeft op 22 maart 2022 de aangifte IB/PVV 2021 ingediend. In die aangifte heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.741 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 420 opgegeven.

4. Met dagtekening 20 oktober 2022 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2021 vastgesteld conform de ingediende aangifte. Op de aanslag staat dat voor het box 3-inkomen rekening is gehouden met de uitspraak van Hoge Raad van 24 december 2021.

5. Bij brief van 5 december 2022, ontvangen door de inspecteur op 13 december 2022, heeft belanghebbende tezamen met zijn fiscaal partner om een ambtshalve vermindering voor box 3 aanslagen inkomstenbelasting 2017 tot en met 2021 verzocht.

6. De inspecteur heeft op 28 juni 2023 een brief aan belanghebbende verzonden over massaal bezwaar plus en box 3. De inspecteur geeft aan dat het bezwaar ondanks dat het te laat is ingediend toch in behandeling wordt genomen en beoordeeld zal worden of belanghebbende in aanmerking komt voor rechtsherstel.

7. Belanghebbende heeft op 30 september 2024 en ontvangen door de inspecteur op 8 oktober 2024, een ingebrekestelling verzonden voor het niet beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering van belanghebbende. Belanghebbende geeft ook aan dat hij op 5 juli 2023 een brief heeft verzonden aan de inspecteur, maar geen reactie hierop heeft ontvangen.

8. Op 15 november 2024 heeft de inspecteur telefonisch contact opgenomen met belanghebbende. De inspecteur geeft aan dat de genoemde brief van 5 juli 2023 niet vindbaar is en verzoekt belanghebbende om een afschrift van deze brief per e-mail te versturen. Belanghebbende heeft dezelfde dag een e-mail met als bijlage de brief in Word-bestand aan de inspecteur verzonden.

9. De inspecteur heeft op 20 november 2024 een e-mail verstuurd aan belanghebbende waarin hij refereert naar het telefonisch contact met belanghebbende waar is besproken dat het verzoek om ambtshalve vermindering wordt aangehouden in verband met de massaal bezwaar plus procedure en de voorbereiding van het formulier opgaaf werkelijk rendement door de Belastingdienst. De inspecteur geeft ook de mogelijkheid om de ingebrekestelling in te trekken. Bij geen intrekking verzoekt hij om de jaaropgaaf van rekeningen met bank- en spaartegoeden en een overeenkomst en bankafschrift waaruit de ontvangen rente over de verleende lening blijkt, te verstrekken. De inspecteur vraagt om de gevraagde informatie voor 28 november 2024 te versturen.

10. Met dagtekening 3 december 2024 heeft de inspecteur de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering aan belanghebbende verstuurd. De inspecteur geeft aan dat de verzochte informatie niet binnen de gestelde termijn is ontvangen en dat het verzoek wordt afgewezen.

11. Belanghebbende heeft op 4 december 2024 een e-mail met afschriften rendement 2021 aan de inspecteur verzonden. Belanghebbende geeft aan dat hij het niet eens is met de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering en het verzoek als bezwaar aangemerkt had moeten worden. Belanghebbende haalt het recht op een dwangsom aan.

12. Hangende het beroep, heeft de inspecteur met dagtekening 14 januari 2025 de beslissing op het verzoek om een dwangsom aan belanghebbende kenbaar gemaakt.

De inspecteur kent geen dwangsom toe, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.

Beoordeling door de rechtbank

13. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende recht heeft op een dwangsom. Alvorens zij dat doet, beoordeelt de rechtbank de ontvankelijkheid van het beroep. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.

14. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is.Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Ontvankelijkheid

15. De rechtbank stelt vast dat hangende het beroep de inspecteur op 14 januari 2025 een beslissing heeft genomen op het verzoek om een dwangsom. Tegen deze beslissing staat bezwaar open. Belanghebbende had eerst bezwaar moeten maken tegen deze afwijzing van het verzoek om dwangsom. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is voldaan, heeft de rechtbank met instemming van partijen ter zitting verklaard dat het beroep ontvankelijk is en inhoudelijk beoordeeld wordt.

Dwangsom

16. Belanghebbende heeft betoogd dat hij recht heeft op een dwangsom, omdat de inspecteur nadat hij door belanghebbende in gebreke is gesteld te laat een beslissing heeft genomen. Volgens belanghebbende heeft hij recht op de maximale vergoeding.

17. De inspecteur stelt zich op het standpunt dat de beslissing om geen dwangsom toe te kennen juist is, omdat de ingebrekestelling onredelijk laat is ontvangen.

18. De rechtbank overweegt dat een verzoek om ambtshalve vermindering is aan te merken als een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb. In de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is niet opgenomen welke beslistermijn er geldt voor het beslissen op een verzoek om ambtshalve vermindering. Een beslissing dient dan binnen een redelijke termijn van acht weken genomen te worden.

19. Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, voor ten hoogste 42 dagen.De eerste dag waarop de dwangsom verschuldigd is, is de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen.Geen dwangsom is verschuldigd indien het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld.

20. In de memorie van toelichting bij het voorstel van de Wet dwangsom bij niet tijdig beslissen wordt over de uitzondering die is opgenomen in artikel 4:17, zesde lid, onderdeel a van de Awb, het volgende opgemerkt:

“De eerste uitzondering […] op de dwangsomregeling is dat geen dwangsom verschuldigd is als het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld. In de term «onredelijk» zit weliswaar ruimte voor interpretatie, maar men mag toch aannemen dat, omdat de burger daar doorgaans belang bij heeft, [hij] zo snel mogelijk nadat de beslistermijn is verlopen, wellicht hooguit enkele weken, het bestuursorgaan in gebreke zal stellen. In zijn algemeenheid zal dit niet snel leiden tot meningsverschil over het onredelijk laat in gebreke stellen. Het uitgangspunt is dat de burger er belang bij heeft dat het door hem gevraagde besluit zo snel mogelijk en in ieder geval binnen de wettelijke termijnen wordt genomen.(…)”

“Wat onredelijk laat is, kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald. Daarvoor is niet zonder meer doorslaggevend wanneer de oorspronkelijke aanvraag of het bezwaar is ingediend. Wel is van belang of en hoe er nadien van gedachten is gewisseld tussen aanvrager en bestuursorgaan (…).”

In de Handelingen van de Tweede Kamer is het volgende vermeld:

“In het algemeen is (…) zelfs een termijn van vijf of zes maanden nog niet onredelijk laat. We praten dus echt over een periode van een jaar of twee jaar waarin men helemaal niets laat horen. Dan is het raar om opeens in gebreke te gaan stellen en heel snel een beslissing te willen. Het is echt bedoeld voor dat soort uitzonderingsgevallen.”

21. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het geschil uit van de ingebrekestelling die door de inspecteur op 8 oktober 2024 is ontvangen. Dat belanghebbende mogelijk eerder op 5 juli 2023 een ingebrekestelling heeft verzonden aan de inspecteur, is door hem niet aannemelijk gemaakt. Belanghebbende heeft weliswaar op 15 november 2024 een e-mail aan de inspecteur verzonden met als bijlage een brief in Word-bestand met datum 5 juli 2023, maar daaruit blijkt niet dat die brief ook daadwerkelijk is verzonden.

22. De rechtbank stelt vast dat het tijdsverloop van einde beslistermijn van de inspecteur (acht weken na het verzoek om ambtshalve vermindering van 5 december 2022) en de ingebrekestelling van 8 oktober 2024 aanzienlijk langer is dan de “hooguit enkele weken”, zoals in de memorie van toelichting is vermeld. Belanghebbende heeft ruim 1 jaar en 10 maanden geen actie ondernomen om een besluit op zijn verzoek te krijgen. Uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie volgt dat in zijn algemeenheid niet kan worden bepaald wanneer een ingebrekestelling onredelijk laat is, omdat daarbij van belang is hoe er nadien tussen partijen van gedachten is gewisseld. Wel wordt een tijdsverloop van een jaar of twee jaar in ieder geval als onredelijk laat beschouwd. Belanghebbende heeft meermaals contact gehad met de inspecteur, maar dit contact heeft plaatsgevonden nadat hij de ingebrekestelling had ingediend. Eerder contact is, zoals onder punt 21 is overwogen, niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank is de ingebrekestelling onder deze omstandigheden onredelijk laat ingediend. De inspecteur is daarom geen dwangsom verschuldigd.

Conclusie en gevolgen

23. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het verzoek om dwangsom wordt afgewezen. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Metin, griffier. Uitgesproken op 26 juni 2026. De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

griffier

rechter

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Artikel 4:13 van de Awb.

Artikel 4:17, eerste lid, van de Awb.

Artikel 4:17, derde lid, van de Awb.

Artikel 4:17, zesde lid onder a van de Awb.

Kamerstukken II, 2004/05, 29934, nr. 6, blz. 5 en 13.

Handelingen II 2005/06, nr. 76, blz. 4726.

Mai Multe Decizii