ECLI:NL:RBGEL:2026:5077
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Arnhem
RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: ARN 25/2178 en 26/783, 26/2902 en 26/2904
uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 26 juni 2026
in de zaken tussen
[belanghebbende], uit [woonplaats], belanghebbende
en
de inspecteur van de belastingdienst, kantoor Arnhem, de inspecteur.
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van belanghebbende tegen de uitspraken op bezwaar van de inspecteur van 8 april 2025 (jaar 2021) en van 15 december 2025 (jaar 2022).
2021
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2021 ambtshalve een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.029 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van nihil. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2021).
2022
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2022 ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 25.620 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 253. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur aan belanghebbende een verzuimboete van € 385 opgelegd (de verzuimboetebeschikking 2022).
2023
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2023 ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.091 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 478. Er is voor het jaar 2023 geen verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft de bezwaren van belanghebbende voor de jaren 2021 tot en met 2023 (voorgenomen beslissing van 13 maart 2026) ongegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslagen gehandhaafd. Op 31 december 2025 heeft de inspecteur de aanslag IB/PVV 2022 verlaagd met € 78. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is verminderd naar nihil.
2024
De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2024 ambtshalve een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 29.595 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 970. Er is voor het jaar 2024 geen verzuimboete opgelegd.
De inspecteur heeft gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft de beroepen op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende en mr. [persoon A] en mr. [persoon B] namens de inspecteur.
De rechtbank heeft na de zitting nog nadere stukken ontvangen van belanghebbende. Hierin heeft de rechtbank geen aanleiding gezien het onderzoek te heropenen.
Feiten
1. Belanghebbende is geboren op [geboortedatum] 1946.
2. Belanghebbende was van 30 maart 1973 tot en met 15 juni 2007 gehuwd met [persoon C]. Het huwelijk is door echtscheiding ontbonden.
Beoordeling door de rechtbank
3. De rechtbank beoordeelt of belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie mag aftrekken, of de aanslagen IB/PVV over de jaren 2021 tot en met 2024 naar de juiste bedragen zijn opgelegd en of de verzuimboetes voor de jaren 2021 en 2022 terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van belanghebbende.
4. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat belanghebbende geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vooraf
5. Voor het jaar 2024 hebben partijen ter zitting afgesproken dat zij toestemming geven voor rechtstreeks beroep, waardoor de rechtbank ook de aanslag IB/PVV voor het jaar 2024 kan beoordelen.
Mag belanghebbende vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen?
6. Belanghebbende heeft gesteld dat hij nog geld terug moet krijgen van de Belastingdienst, bijvoorbeeld vanwege betaalde alimentatie aan zijn ex-partner in de jaren 2011 tot en met 2017. Belanghebbende wil een eenvoudig aangifteformulier ontvangen en vanaf 2011 betaalde alimentatie in aftrek brengen.
7. Over de jaren tot en met 2020 hoefde belanghebbende geen aangifte IB/PVV te doen.Belanghebbende moest voor het eerst over het jaar 2021 aangifte IB/PVV doen.
8. Volgens de wet kan tot vijf jaar terug aangifte IB/PVV worden gedaan.Om van de Belastingdienst geld terug te kunnen krijgen, moet voor die jaren in ieder geval aangifte IB/PVV zijn gedaan. De jaren 2011 tot en met 2020 zijn meer dan vijf jaren geleden. Voor die jaren kan dus geen aangifte IB/PVV meer worden gedaan. Belanghebbende vindt dat voor hem een uitzondering moet gelden, vanwege zijn leeftijd en omdat hij ziek is geweest.
9. De rechtbank is van oordeel dat van de wettelijke aangifteplicht niet kan worden afgeweken, ook niet om de redenen die belanghebbende noemt.
Conclusie:
10. Belanghebbende kan geen aangiften IB/PVV dan wel verzoeken om ambtshalve vermindering doen voor de jaren 2011 tot en met 2020. Hij kan de betaalde alimentatie daarom niet in aftrek brengen.
Zijn de aanslagen voor de jaren 2021 tot en met 2024 juist?
11. Belanghebbende heeft gesteld dat hij geld terug moet ontvangen in verband met in eerdere jaren betaalde alimentatie. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij alimentatie aan zijn ex-partner heeft betaald tot en met 2017. Dus voor de jaren 2021 tot en met 2024 heeft hij geen alimentatie betaald. Betalingen van alimentatie uit eerdere jaren kunnen niet meer worden afgetrokken van het inkomen van 2021 of latere jaren.
12. Belanghebbende heeft geen andere aftrekposten genoemd en ook in de overgelegde stukken ziet de rechtbank geen andere aftrekposten. De inspecteur heeft zich bij het opleggen van de aanslagen gebaseerd op gegevens van belanghebbende, die bij de Belastingdienst via de Sociale Verzekeringsbank, het ABP, Nationale Nederlanden en de banken bekend zijn. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan te nemen dat die inkomsten onjuist zouden zijn. Belanghebbende heeft op de zitting ook niet aangegeven dat die gegevens onjuist zijn of dat gegevens ontbreken.
Conclusie:
13. De aanslagen IB/PVV over de jaren 2021 tot en met 2024 zijn juist.
Verzuimboetes (jaren 2021 en 2022)
14. Belanghebbende is uitgenodigd, herinnerd en aangemaand tot het doen van aangiften IB/PVV over de jaren 2021 en 2022.
15. Belanghebbende heeft ter zitting bevestigd dat hij die aangiften niet heeft gedaan.
16. De inspecteur heeft mogelijkheden om op te treden als niet of niet tijdig aangifte wordt gedaan. De inspecteur kan een verzuimboete opleggen.
17. Het niet binnen de termijndoen van de aangiftes vormt een verzuim. Daarvoor kan de inspecteur belanghebbende gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag een boete opleggen.
18. Omdat geen aangiften zijn ingediend over de jaren 2021 en 2022 heeft de inspecteur terecht de verzuimboetes opgelegd.
19. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzuimboetes te matigen in verband met de door belanghebbende gestelde medische situatie en zijn leeftijd. Belanghebbende heeft op de zitting gezegd dat hij geen hulp wil vragen en dat hij er bewust voor kiest om geen aangifte te doen. De inspecteur is al erg coulant geweest. De inspecteur heeft over 2023 en 2024 géén verzuimboetes opgelegd, terwijl belanghebbende ook voor die jaren geen aangiftes heeft gedaan. Voor het jaar 2025 heeft de inspecteur op de zitting een vooringevulde papieren aangifte IB/PVV aan belanghebbende aangeboden. Deze aangifte wilde belanghebbende niet meenemen naar huis om hem thuis rustig te controleren, eventueel aan te vullen, te ondertekenen en terug te sturen aan de inspecteur. De rechtbank acht in de gegeven omstandigheden een boete van € 385 voor het jaar 2021 en € 385 voor het jaar 2022 passend en geboden.
Conclusie en gevolgen
20. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat belanghebbende geen teruggaaf van IB/PVV krijgt voor de jaren 2011 tot en met 2024 en de verzuimboetes in stand blijven. Belanghebbende krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wevers, rechter, in aanwezigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier.
Uitgesproken op 26 juni 2026.
De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.
griffier
rechter
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Op grond van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:1 van de Awb en artikel 26 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dient eerst bezwaar gemaakt te worden tegen een voor bezwaar vatbare beschikking voordat beroep kan worden ingesteld bij de bestuursrechter. Hoewel niet aan alle voorwaarden van artikel 7:1a Awb is voldaan, hebben partijen ter zitting ingestemd met rechtstreeks beroep.
Belanghebbende is voor die jaren niet uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV.
Artikel 9.6 van de Wet IB 2001 en artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling IB 2001.
Artikel 6.40 van de Wet IB 2001 bepaalt dat persoonsgebonden aftrekposten, waaronder alimentatie, in aftrek kunnen worden gebracht op het tijdstip waarop zij zijn betaald, verrekend, ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden.
Artikel 9, derde lid, van de AWR (aanmaning).
Artikel 67a, eerste lid, van de AWR.