Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5156

Instanță

Zutphen

Data

25 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Zutphen

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zutphen

Zaaknummer: 12216454 \ VV EXPL 26-26

Vonnis in kort geding van 25 juni 2026

in de zaak van

STICHTING TORENSTAD MONUMENTENBEHEER,

te Zutphen,

eisende partij,

hierna te noemen: Torenstad,

gemachtigde: mr. S. Goriya,

tegen

[naam gedaagde],

te [woonplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [de gedaagde] ,

procederend in persoon.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding,

  • de mondelinge behandeling van 11 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, - de pleitnota van Torenstad.

2. De feiten

2.1.. Tussen partijen is een huurovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan Torenstad per 1 februari 2024 de woning aan de [adres] (hierna: het gehuurde) aan [de gedaagde] heeft verhuurd. De huurovereenkomst is aangegaan voor de duur van één jaar.

2.2.. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad aan [de gedaagde] bericht dat de huurovereenkomst eindigt op 31 januari 2025.

2.3.. Op 18 december 2024 hebben partijen een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [de gedaagde] het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. In de koopovereenkomst is de leveringsdatum bepaald op 31 januari 2025.

2.4.. In het voorjaar van 2025 heeft [de gedaagde] Torenstad diverse malen verzocht de leveringsdatum uit te stellen en de termijn voor het financieringsvoorbehoud te verlengen omdat [de gedaagde] op dat moment geen hypothecaire geldlening kon verkrijgen voor de financiering van het gehuurde. Torenstad heeft met deze verzoeken ingestemd.

2.5.. In juli 2025 hebben partijen afgesproken dat Torenstad de verkoop van het gehuurde weer openbaar kon opstarten en dat [de gedaagde] het gehuurde uiterlijk 31 januari 2026 zou opleveren aan Torenstad, alsmede dat [de gedaagde] een vergoeding van € 1.482,85 aan Torenstad zou betalen voor iedere maand dat hij het gehuurde niet zou opleveren.

2.6.. Op 30 januari 2026 heeft [de gedaagde] geen medewerking verleend aan de door Torenstad aangekondigde eindinspectie en oplevering van het gehuurde.

2.7.. Bij brief van 13 maart 2026 heeft de gemachtigde van Torenstad de koopovereenkomst tussen partijen buitengerechtelijk ontbonden.

3. Het geschil

3.1.. Torenstad vordert dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [de gedaagde] zal veroordelen om het gehuurde binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, althans binnen een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen termijn, te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,

2. [de gedaagde] zal veroordelen tot betaling van een bedrag van € 10.323,20, vermeerderd met een bedrag van € 1.482,85 per maand, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen bedrag, voor iedere maand of gedeelte daarvan dat [de gedaagde] het gehuurde na 1 april 2026 onder zich houdt tot aan de dag van de feitelijke ontruiming en oplevering, vermeerderd met de wettelijke rente,

3. althans een zodanige beslissing zal nemen als de kantonrechter in goede justitie zal vermenen te behoren,

en [de gedaagde] zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.2..
[de gedaagde] voert verweer en concludeert tot gedeeltelijke afwijzing van de vorderingen van Torenstad.

3.3.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1.. Vooropgesteld wordt dat een vordering tot ontruiming in kort geding een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet – volgens vaste jurisprudentie – grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een diepgaand onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.

4.2.. Torenstad legt primair aan de vordering tot ontruiming van het gehuurde ten grondslag dat partijen de huurovereenkomst zijn aangegaan voor bepaalde tijd en dat de huurovereenkomst daarom is geëindigd per 1 februari 2025.

4.3.. Op grond van artikel 7:228 lid 1 BW (oud) eindigen huurovereenkomsten die zijn aangegaan vóór 1 juli 2024 en waarin een maximale looptijd van twee jaar is bepaald, wanneer de looptijd is verstreken en het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct door de verhuurder is aangezegd.

4.4.. In onderhavig geval hebben partijen een huurovereenkomst gesloten voor de duur van één jaar. Bij brief van 7 november 2024 heeft Torenstad het einde van de huurovereenkomst tijdig en correct aangezegd. Voldoende aannemelijk is dan ook dat de huurovereenkomst door het verstrijken van de looptijd is geëindigd per 1 februari 2025.

4.5.. Uit de hiervoor uiteengezette feiten blijkt dat [de gedaagde] voor het eindigen van de huurovereenkomst het gehuurde van Torenstad heeft gekocht onder voorbehoud van financiering. Partijen zijn in dit kader overeengekomen dat [de gedaagde] in afwachting van de levering het gehuurde mocht blijven gebruiken tot uiterlijk 31 januari 2026 tegen een door [de gedaagde] te betalen vergoeding van € 1.482,85 per maand. Uiteindelijk is de koopovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden omdat [de gedaagde] geen hypothecaire geldlening heeft kunnen verkrijgen voor de financiering van de woning. Naar voorshands oordeel van de kantonrechter heeft [de gedaagde] gelet op deze feiten en omstandigheden vanaf 1 februari 2026 geen recht of titel meer om het gehuurde te gebruiken.

4.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat een gevorderde ontruiming van het gehuurde in een bodemprocedure met grote mate van waarschijnlijkheid zal worden toegewezen omdat [de gedaagde] geen recht of titel meer heeft om het gehuurde te gebruiken. De in dit kort geding gevorderde ontruiming van het gehuurde zal daarom worden toegewezen. De ontruimingstermijn zal worden bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.

4.7.. Torenstad vordert voorts betaling van een bedrag van € 10.323,20. Torenstad stelt daartoe dat [de gedaagde] de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 over de periode van oktober 2025 tot en met april 2026 niet (volledig) heeft betaald. [de gedaagde] heeft deze stelling en de hoogte van de gestelde betalingsachterstand niet betwist.

4.8.. De kantonrechter overweegt dat [de gedaagde] over de maanden oktober tot en met januari 2026 een maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 is verschuldigd op grond van de afspraken die partijen in juli 2025 met elkaar hebben gemaakt (zie hiervoor 2.5.). Vanaf 1 februari 2026 gebruikt [de gedaagde] het gehuurde zonder recht of titel. [de gedaagde] moet ook voor het gebruik vanaf deze datum een vergoeding aan Torenstad betalen omdat hij anders ongerechtvaardigd zou worden verrijkt. Deze vergoeding is gelijk aan de daarvoor door [de gedaagde] verschuldigde maandelijkse vergoeding van € 1.482,85. De vorderingen die strekken tot betaling van het bedrag van € 10.323,20 en de maandelijkse vergoeding van € 1.482,85 vanaf 1 mei 2026 tot aan de datum van de ontruiming zullen dan ook worden toegewezen. De niet betwiste wettelijke rente over het bedrag van € 10.323,20 is als op de wet gegrond eveneens toewijsbaar op de wijze zoals hierna in de beslissing is vermeld.

4.9..
[de gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Torenstad worden vastgesteld en begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

153,02

  • griffierecht

559,00

  • salaris gemachtigde

865,00

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.721,02

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. veroordeelt [de gedaagde] om het gehuurde aan de [adres] binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis te ontruimen en ontruimd te houden en te verlaten met al het zijne en de zijnen, onder afgifte van alle sleutels aan Torenstad,

5.2.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen een bedrag van € 10.323,20, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de vervaldatum van de verschuldigde vergoedingen tot aan de dag van volledige betaling,

5.3.. veroordeelt [de gedaagde] om aan Torenstad te betalen € 1.482,85 voor iedere maand vanaf 1 mei 2026 tot aan de dag der algehele ontruiming,

5.4.. veroordeelt [de gedaagde] in de proceskosten van € 1.721,02, te vermeerderen met de kosten van betekening en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na heden,

5.5.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2026.

lt

Mai Multe Decizii