Skip to main content

ECLI:NL:RBGEL:2026:5218

Instanță

Zutphen

Data

23 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Zutphen

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers: 05.223831.25 en 05.114360.25 (tul)

Datum uitspraak : 23 juni 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte],

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] ,

op dit moment gedetineerd in de P.I. [verblijfplaats] .

raadsvrouw: mr. A. van der Poel, advocaat in Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op openbare terechtzittingen.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1

hij op of omstreeks 12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan

van [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft

verdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: "Als ik zaterdag

mijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik

varkensvoer van haar", van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde

[aangever 1] kennis heeft genomen;

2

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst

[aangever 2] en/of [aangever 3]

heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [aangever 2] en/of [aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak

jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd

om het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin" en/of door het

versturen van tekstberichten met de tekst "Ik ruim jullie 2 op" en/of "Kop der af",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3

hij op of omstreeks 8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval

in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een

personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet

1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te

verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht

te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting

gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het

onderzoek gegeven aanwijzingen;

4

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 juni 2025 tot en met

18 augustus 2025 te Voorst, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig

opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten

die van [aangever 1] door:

  • die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en/of foto’s en/of youtubelinkjes te

sturen (al dan niet met bedreigende en/of intimiderende inhoud) en/of

  • meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,

met het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te

dulden en/of vrees aan te jagen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 vrijspraak bepleit wegens onvoldoende bewijs. Zij heeft aangevoerd dat aangeefster de gestelde bedreiging via een derde, [hulpverlener] , heeft vernomen, die hiervan ook melding bij de politie heeft gedaan. De informatie is daarom afkomstig uit dezelfde bron. Daarnaast biedt de verklaring van de getuige [getuige] onvoldoende steun, nu deze ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Voorts heeft de buurman, op wie de verklaring van [getuige] is gebaseerd, zelf geen verklaring afgelegd.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niemand getuige is geweest van het telefoongesprek. Nu onvoldoende bewijs voorhanden is, dient vrijspraak te volgen.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 3 en 4 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

Bewijsmiddelen

Aangeefster [aangever 1] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van [hulpverlener] heeft gehoord dat verdachte heeft gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet zie, dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik varkensvoer van haar’.

[hulpverlener] , ambulant hulpverlener vanuit [instelling] , heeft op 12 augustus 2025 gebeld naar de politie. Hij heeft verklaard dat hij net bij verdachte op het adres [adres] in [woonplaats] was geweest en dat hij had medegedeeld dat hij zijn kinderen aanstaande zaterdag niet te zien zou krijgen. Verdachte heeft toen tegen hem gezegd ‘als ik mijn kinderen zaterdag niet krijg, maak ik [aangever 1] van kant.’ Verdachte heeft hem opgedragen deze boodschap aan aangeefster over te brengen.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij op 12 augustus 2025 van de buurman van verdachte heeft gehoord dat verdachte tegen hem had gezegd dat hij [aangever 1] ‘van kant zou maken’ indien hij zaterdag de kinderen niet zou krijgen.

Beoordeling

De rechtbank volgt het standpunt van de raadsvrouw dat de informatie uit dezelfde bron komt niet. De verklaring van aangeefster betreft weliswaar geen eigen waarneming, maar vindt op essentiële onderdelen steun in het proces-verbaal van bevindingen waarin is vastgelegd dat [hulpverlener] melding heeft gemaakt van een door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Daarnaast vindt deze verklaring steun in de verklaring van [getuige] . Hoewel aan laatstgenoemde verklaring, nu deze is gebaseerd op informatie van horen zeggen, in beginsel minder bewijskracht toekomt dan aan een verklaring uit eigen waarneming, kan zij wel dienen als ondersteuning van ander bewijsmateriaal. De rechtbank volgt de raadsvrouw ook niet in haar standpunt dat de verklaring van aangeefster ziet op een andere uitlating dan de ten laste gelegde bedreiging. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de verklaring van [hulpverlener] als die van [getuige] betrekking heeft op een op of omstreeks 12 augustus 2025 door verdachte geuite bedreiging jegens aangeefster. Dat de bedreiging op verschillende momenten op 12 augustus 2025 aan derden is medegedeeld, maakt niet dat sprake is van verschillende gebeurtenissen. De verklaringen zijn in essentie gelijkluidend en ondersteunen elkaar op wezenlijke onderdelen. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de verdediging.

Conclusie

Op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster op 12 augustus 2025 met enig misdrijf tegen het leven heeft bedreigd.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat verdachte op 8 augustus 2025 telefonisch tegen hem heeft gezegd ‘ik maak jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen, en jullie krijgen drie dagen de tijd om het huis te verlaten dan zet ik een verkoopbord in de tuin’. Dit was gericht tegen mij en mijn vrouw [aangever 3] .

Het dossier bevat afbeeldingen van een WhatsAppgesprek tussen aangever en verdachte. Daarin zegt verdachte onder meer: “Ben onderweg” met vier emoticons van vuisten, “Kop der af” en “Ik ruim jullie 2 op”. In het laatstgenoemde bericht zijn drie emoticons van een pistool te zien.

Uit het proces-verbaal van aanhouding volgt dat verdachte bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’.

De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij deze berichten heeft verzonden.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat verdachte aangever en [aangever 3] op 8 augustus 2025 telefonisch heeft bedreigd door onder meer te zeggen ‘ik maak jullie dood’. Die verklaring vindt ondersteuning in de WhatsApp-berichten die verdachte diezelfde dag aan aangever heeft verzonden, waarin verdachte onder meer heeft geschreven dat hij onderweg was en de tekst ‘kop der af’ en ‘ik ruim jullie twee op’ gevolgd door emoticons van pistolen en vuisten. Daarnaast volgt uit het proces-verbaal van aanhouding dat verdachte zich bij zijn aanhouding op 8 augustus 2025 agressief en dreigend heeft uitgelaten en heeft geroepen dat hij ‘ze allemaal ging vermoorden’ en dat hij aangever ‘ging afmaken’. Naar hun aard en inhoud waren de uitlatingen van dien aard dat bij aangever en diens echtgenote in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat verdachte zijn bedreigingen ten uitvoer zou leggen.

Conclusie

Gelet op de inhoud van de telefonische uitlatingen, de daaropvolgende WhatsApp-berichten en de overige door de verdachte geuite bedreigingen, bezien in onderlinge samenhang, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte aangever [aangever 2] en [aangever 3] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Feit 3

Er is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

  • het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 42-43;

  • de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.

Feit 4

Er is bij dit feit sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen

het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 7-9;

het proces-verbaal tijdlijn in stalkingszaken, p. 19-25;

het aanvullend proces-verbaal van bevindingen van 27 augustus 2025, nummer PL0600-2025360830-18;

de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.

Beoordeling

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat verdachte in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025 zeer vaak contact heeft gezocht met aangeefster, terwijl aangeefster had gezegd geen rechtstreeks contact meer te willen. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich aan de ten laste gelegde belaging heeft schuldig gemaakt in de periode van 27 juni 2025 tot en met 15 augustus 2025. Voor zover de tenlastelegging ziet op de periode na 15 augustus 2025 ontbreekt het bewijs, zodat verdachte daarvan partieel zal worden vrijgesproken.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1

hij op of omstreeks12 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst ten overstaan

van [hulpverlener] (ambulant hulpverlener voor [instelling] ), [aangever 1] heeft bedreigd met enig

misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft

verdachte ten overstaan van die [hulpverlener] dreigend de woorden geuit: "Als ik zaterdag

mijn kinderen niet zie dan snijd ik de keel van [aangever 1] door en maak ik

varkensvoer van haar", van welke bedreiging(en)/dreigende woorden voornoemde

[aangever 1] kennis heeft genomen;

2

hij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Voorst

[aangever 2] en/of[aangever 3]

heeft bedreigd

met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

door die [aangever 2] en/of[aangever 3] dreigend de woorden toe te voegen "Ik maak

jullie dood, ik voer de paarden aan de leeuwen en jullie krijgen drie dagen de tijd

om het huis te verlaten, dan zet ik een verkoopbord in de tuin" en/ofdoor het

versturen van tekstberichten met de tekst "Ik ruim jullie 2 op" en/of"Kop der af",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3

hij op of omstreeks8 augustus 2025 te [woonplaats] , gemeente Apeldoorn, in elk geval

in Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een

personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet

1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te

verlenen aan een ademonderzoek, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht

te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat en/of aan de verplichting

gevolg te geven aan alle door een opsporingsambtenaar ten dienste van het

onderzoek gegeven aanwijzingen;

4

hij op één of meertijdstippen inof omstreeksde periode van 27 juni 2025 tot en met

15 augustus 2025 te Voorst, althansin Nederland, wederrechtelijk stelselmatig

opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten

die van [aangever 1] door:

  • die [aangever 1] via WhatsApp veelvuldig berichten en/offoto’s en/ofyoutubelinkjes te

sturen (al dan niet met bedreigende en/of intimiderende inhoud) en/of

  • meermalen de voicemail van die [aangever 1] in te spreken,

met het oogmerk die [aangever 1] (telkens) te dwingen iets te doen, niet te doen, te

dulden en/of vrees aan te jagen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

feit 3:

overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

feit 4:

belaging.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte volledig uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, met oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) waarbij de door de reclassering geadviseerde voorwaarden worden opgelegd. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd om de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht (Sr) op te leggen.

Verder heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte te schorsen met ingang van 23 juni 2026 om 13.30 uur, onder de voorwaarden die aan de maatregel van terbeschikkingstelling worden verbonden, zodat verdachte vanaf die datum kan worden opgenomen in de Forensisch Psychiatrische Afdeling (FPA) [afdeling] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, nu er concreet zicht is op een behandelplek voor verdachte, geen verweer gevoerd tegen de gevorderde tbs-maatregel als zodanig. Ten aanzien van de aan die maatregel te verbinden voorwaarden heeft zij primair verzocht geen locatieverbod op te leggen. Subsidiair heeft zij verzocht de omvang van het locatieverbod te beperken, omdat het vastgestelde gebied volgens de verdediging te omvangrijk is. Daarnaast heeft zij verzocht geen maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr op te leggen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de bedreiging met de dood van zijn ex-partner en zijn moeder en stiefvader. Daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan belaging van diezelfde ex-partner en heeft hij geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Met de bedreigingen heeft verdachte gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt bij de slachtoffers. Bedreigingen met de dood zijn ernstige feiten die diep kunnen ingrijpen in het leven van degenen tegen wie zij zijn gericht. Dat geldt temeer wanneer deze plaatsvinden binnen de familiaire of relationele sfeer. Door zijn ex-partner gedurende langere tijd stelselmatig te benaderen en haar berichten te sturen, heeft verdachte bovendien een ernstige inbreuk gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer. Verdachte heeft zich kennelijk niet kunnen neerleggen bij het einde van de relatie en heeft met zijn handelen het gevoel van vrijheid en veiligheid van het slachtoffer aangetast. De rechtbank rekent verdachte de feiten zwaar aan. Verder heeft verdachte geweigerd mee te werken aan een ademonderzoek. Daarmee heeft hij de handhaving van de verkeersveiligheidswetgeving belemmerd. Het vaststellen of een bestuurder onder invloed van alcohol verkeert, is van groot belang voor de verkeersveiligheid.

Strafblad

Uit de justitiële documentatie van 12 mei 2026 blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld tegen zijn (ex)partner, laatstelijk op 9 mei 2025. Dit weegt de rechtbank mee in strafverzwarende zin. Verdachte liep van de laatste veroordeling nog in een proeftijd. De veroordelingen hebben verdachte er kennelijk niet van kunnen weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Toerekenbaarheid

Ter beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte heeft de rechtbank kennisgenomen van het rapport van de psycholoog van 13 maart 2026 en het rapport van de psychiater van 31 maart 2026.

Uit het rapport van de psycholoog blijkt dat verdachte lijdt aan een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een psychotisch toestandsbeeld en een stoornis in het gebruik van alcohol. Zijn denken, voelen en handelen werden hierdoor beïnvloed, mede door een verstoorde realiteitstoetsing, verhoogde prikkelbaarheid en verminderde impulsbeheersing. Als gevolg daarvan was verdachte verminderd in staat zijn gedrag te sturen en de gevolgen van zijn gedragingen te controleren en in redelijkheid af te wegen. Hierbij handelde verdachte vanuit onvoldoende adequate coping vaardigheden. De psycholoog adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

Uit het rapport van de psychiater blijkt dat bij verdachte sprake is van een schizofrenieforme spectrum- of andere psychotische stoornis. Ten tijde van de tenlastelegging was bij verdachte sprake van een stoornis in het gebruik van alcohol en een stoornis in de realiteitstoetsing. Verdachte heeft weinig adequate copingmechanismen, waardoor hij bij oplopende spanningen de neiging heeft de problemen te vermijden/de stress te dempen door overmatig alcohol te gebruiken. Hierdoor bestaat het risico dat verdachte achterdochtig reageert, wat dusdanige vormen aan kan nemen dat de realiteitstoetsing verstoord raakt en hij, met andere woorden, psychotisch kan worden. De psychotische stoornis was ten tijde van de tenlastelegging niet zo ernstig dat deze zijn oordeelsvermogen en daaruit voortkomend gedrag in die mate beïnvloedde dat hij geen enkele vrijheid van denken of handelen meer had. Dit neemt niet weg dat de combinatie van deze stoornissen als psychische stoornis in de zin van de wet, het denken, voelen, oordelen en handelen wel beïnvloedde en daarmee doorwerkte in het tenlastegelegde. De psychiater adviseert om het tenlastegelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank is, gelet op het advies van de rapporterende deskundigen, van oordeel dat de feiten verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

Tbs maatregel met voorwaarden

De psycholoog schat het risico op recidive in als hoog. Daarbij wijst de psycholoog op de aanwezigheid van meerdere risicofactoren voor gewelddadig gedrag. Bij de combinatie van stoornissen zoals hiervoor genoemd, zijn beschermende factoren slechts beperkt aanwezig. Gelet hierop is een hoge mate van externe structurering noodzakelijk om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en de kans van slagen van die behandeling te vergroten. Complicerend in het geval van verdachte is dat het hem ontbreekt aan ziektebesef en -inzicht en intrinsieke behandelmotivatie. Gezien de behandelings- en delicthistorie heeft verdachte tot op heden onvoldoende geprofiteerd van de geboden behandeling en begeleiding. Ondanks eerder ingezette ambulante hulpverlening en reclasseringstoezicht heeft verdachte opnieuw strafbare feiten gepleegd. De psycholoog adviseert daarom een klinische behandeling binnen een forensisch psychiatrische kliniek. De behandeling dient gericht te zijn op stabilisering van het psychotisch toestandsbeeld, gevolgd door intensieve outreachende ambulante behandeling door een forensisch FACT-team. De psycholoog acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Daarbij kan, indien verdachte de gestelde voorwaarden niet naleeft, alsnog worden voorzien in een tbs met dwangverpleging. Volgens de psycholoog biedt deze maatregel voldoende waarborgen om verdachte gemotiveerd te houden voor behandeling en het behandeltraject duurzaam voort te zetten.

Uit het rapport van de psychiater blijkt eveneens dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. Volgens de psychiater is voor de aanpak van de combinatie van een schizofreniespectrum/psychotische stoornis en een stoornis in het gebruik van alcohol een klinisch forensische behandeling noodzakelijk. Daarbij dient niet alleen aandacht te worden besteed aan de verslavingsproblematiek, maar ook aan de psychotische kwetsbaarheid van verdachte en zijn beperkte copingvaardigheden. Van belang is dat verdachte een duurzame behandelrelatie opbouwt, waarin open kan worden gesproken over zijn aandeel in de ontstane problematiek. De psychiater acht een terbeschikkingstelling met voorwaarden het meest aangewezen kader. Binnen dat kader kan een klinische behandeling plaatsvinden, gevolgd door een ambulant behandeltraject. Indien verdachte zich niet aan de gestelde voorwaarden houdt, bestaat de mogelijkheid de maatregel om te zetten in een tbs-maatregel met dwangverpleging. Volgens de psychiater biedt dit voldoende waarborgen voor zowel de behandeling van verdachte als de bescherming van de veiligheid van anderen.

Uit het reclasseringsrapport van 8 mei 2026 blijkt dat het recidiverisico als hoog wordt ingeschat. De reclassering acht een klinische behandeling binnen het kader van een terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk. Een dergelijk kader biedt de mogelijkheid om de draagkracht van verdachte te vergroten, zijn inzicht in de problematiek te bevorderen en hem langdurig te ondersteunen bij het verminderen van het recidiverisico. De reclassering adviseert in het maatregelenrapport daarom tbs met de volgende voorwaarden: geen strafbaar feit plegen, meewerken aan reclasseringstoezicht, meewerken aan time-out, niet naar het buitenland, meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, drugsverbod, alcoholverbod, contactverbod met de slachtoffers en een locatieverbod met elektronische monitoring. Verder adviseren zij de dadelijke uitvoerbaarheid van de tbs met voorwaarden en daarnaast om een GVM op te leggen.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 9 juni 2026 verklaard zich aan alle geadviseerde voorwaarden te zullen houden.

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden passend en geboden. Daarnaast acht de rechtbank, gelet op de ernst van de bij verdachte aanwezige problematiek, het recidiverisico en de noodzaak van behandeling, de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden noodzakelijk.

De rechtbank stelt vast dat de onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn als bedoeld in artikel 37a, eerste lid, onder 2, Sr waarvoor terbeschikkingstelling mogelijk is. Verder is de rechtbank van oordeel dat bij verdachte tijdens het begaan van de feiten een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestesvermogens bestond. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling eist.

Gelet op de inhoud van de rapporten van de psychiater, de psycholoog en de reclassering is de rechtbank van oordeel dat opname in een zorginstelling (klinische opname) noodzakelijk is om het risico op recidive te verlagen. Uit de voornoemde rapporten blijkt dat verdachte een beperkt ziekte-inzicht heeft en dat gelet op de combinatie van stoornissen een intensieve klinische behandeling noodzakelijk is.

Gelet op de beschikbare behandelplek, de bereidheid van verdachte om zich aan de voorwaarden te houden en mee te werken aan de behandeling, en het positieve advies van de reclassering, acht de rechtbank een terbeschikkingstelling met voorwaarden passend en geboden. De rechtbank wijst verdachte er wel op dat niet-naleving van de voorwaarden of als verdachte anderszins onvoldoende meewerkt aan de behandeling, omzetting van de maatregel in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging tot de mogelijkheden behoort.

De bewezenverklaarde feiten zijn geen misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Op grond van artikel 38e van het Wetboek van Strafrecht is de maatregel dan ook in duur gemaximeerd, indien verdachte zich niet aan de voorwaarden houdt en later alsnog dwangverpleging wordt bevolen.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen stelt de rechtbank voorwaarden betreffende het gedrag. De rechtbank neemt de voorwaarden over die de reclassering heeft geadviseerd. De rechtbank ziet, gelet op het recidiverisico, geen aanleiding om af te zien van het locatieverbod, zoals door de raadsvrouw verzocht. De rechtbank overweegt dat de regio waarvoor het locatieverbod geldt door de reclassering kan worden aangepast als de reclassering dat nodig of wenselijk acht, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de reclassering regelmatig zal evalueren of het (volledige) locatieverbod in stand moet blijven. De rechtbank zal om die reden geen wijziging aanbrengen in het locatieverbod.

De rechtbank zal de aan de terbeschikkingstelling met voorwaarden verbonden voorwaarden dadelijk uitvoerbaar verklaren. Daarbij weegt de rechtbank mee dat verdachte aansluitend onder schorsingsvoorwaarden kan worden opgenomen in de FPA, zodat onmiddellijke uitvoering van de voorwaarden noodzakelijk en passend is.

De voorlopige hechtenis

Zoals hiervoor overwogen, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden passend en geboden. De rechtbank stelt vast dat de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf van 6 maanden, gelet op de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, geheel is ondergaan. Nu aan verdachte tevens de maatregel van tbs met voorwaarden wordt opgelegd en een van die voorwaarden strekt tot verplichte klinische opname in een forensische zorginstelling, ziet de rechtbank aanleiding het bevel voorlopige hechtenis niet op te heffen. Deze opname brengt een vrijheidsbeneming mee. Gelet daarop staat artikel 67a, derde lid, van het wetboek van Strafvordering (Sv) niet aan voortduring van de voorlopige hechtenis in de weg totdat de klinische opname is aangevangen. De rechtbank zal daarom het bevel tot voorlopige hechtenis handhaven. De rechtbank heeft wel aanleiding gezien de voorlopige hechtenis te schorsen met ingang van heden. Daarvan is een afzonderlijke schorsingsbeslissing opgemaakt.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel

De rechtbank leidt uit de stukken af dat bij verdachte sprake is van meervoudige en complexe problematiek, gecombineerd met een beperkte ontvankelijkheid voor interventies die gericht zijn op gedragsverandering. De inschatting van de deskundigen is dat bij verdachte langdurig enige mate van controle en zicht noodzakelijk is. Door het opleggen van een GVM is het mogelijk om ook na afloop van de (gemaximeerde) terbeschikkingstelling toezicht uit te blijven oefenen op verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het opleggen van de GVM als bedoeld in artikel 38z Sr aangewezen is ter bescherming van de algemene veiligheid van personen. Aan de eisen voor het opleggen van deze maatregel is voldaan.

8. De vordering tot tenuitvoerlegging (parketnummer 05.114360.25)

De politierechter heeft verdachte op 9 mei 2025 veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken met een proeftijd van 3 jaren.

De officier van justitie vordert de afwijzing van de tenuitvoerlegging van die straf.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de vordering tenuitvoerlegging moet worden afgewezen omdat verdachte in de onderhavige zaak ook al een flink aantal voorwaarden opgelegd krijgt. Subsidiair heeft de raadsvrouw gevraagd om het voorwaardelijk strafdeel af te trekken van de straf in de hoofdzaak.

De rechtbank ziet aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen nu tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf de voorwaarden verbonden aan de maatregel tbs doorkruist. De rechtbank ziet verder aanleiding de voorwaarden te wijzigen in die zin dat deze komen te vervallen. De rechtbank acht hierbij van belang dat verdachte zich in het kader van de maatregel tbs dient te houden aan diverse voorwaarden. De eerder opgelegde bijzondere voorwaarden hebben daarom geen meerwaarde.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 37a, 38, 38a, 38z, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163, 176 van de Wegenverkeerswet 1994.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van6 maandenen beveelt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt voor de duur van de terbeschikkingstellingde volgendevoorwaardenbetreffende het gedrag van verdachte:

Verdachte zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit.

Verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

• Verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.

• Verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om zijn identiteit vast te stellen.

• Verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.

• Verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.

• Verdachte werkt mee aan huisbezoeken.

• Verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners.

• Verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.

• Verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en

instanties die contact met hem hebben, als dat van belang is voor het

toezicht.

3. Verdachte laat zich opnemen in FPA [afdeling] dan wel een soortgelijke forensische zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname start op 23 juni 2026 om 13.30 uur en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

4. Verdachte stelt zich na de klinische fase onder behandeling bij door de reclassering aan te wijzen instelling(en) voor forensische verslavingszorg en/of forensische psychiatrie en houdt zich aan de huisregels van die zorginstelling(en) en aan de aanwijzingen die hem in het kader van zijn behandeling door zijn behandelaren zullen worden gegeven zolang de reclassering dit nodig acht. Het innemen van medicijnen en het afnemen van urinecontroles kan onderdeel van de behandeling zijn.

5. Als de reclassering dat nodig vindt en verdachte daarmee instemt, kan hij voor een time-out worden opgenomen in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of andere instelling. Deze time-out duurt totdat de reclassering of verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.

6. Verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.

7. Verdachte gebruikt geen verdovende middelen genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) en geen middelen die vallen onder een stofgroep genoemd in lijst IA in de Opiumwet, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

8. Verdachte gebruikt geen alcohol, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het gebruik. Verdachte moet meewerken aan controles. Dit kunnen zijn urineonderzoek/ademonderzoek/speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.

9. Verdachte zal op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoeken of hebben met: - mevrouw [aangever 1] , geboren op [geboortedag] 1985; - mevrouw [aangever 3] , geboren op [geboortedag] 1950; - de heer [aangever 2] , geboren op [geboortedag] 1960.

10. Verdachte zal zich niet bevinden in het verboden gebied; beschrijving van het verboden gebied is van Apeldoorn tot en met Delden en Haaksbergen en van Raalte tot en met Eerbeek en Groenlo, zoals omschreven is in de afbeelding in de bijlage, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Verdachte werkt mee aan elektronisch toezicht op de naleving van het locatieverbod, voor de genoemde periode of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt.

11. gedurende de duur van het elektronisch toezicht verlaat verdachte Nederland niet zonder toestemming van de reclassering;

 geeft de Reclassering opdracht verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen;

 beveelt dat de terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaaris;Gedragsbeïnvloedende maatregel

 legt aan verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperkingals bedoeld in artikel 38z Sr;

Vordering tenuitvoerlegging

 wijstde vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 05-114360.25afen past de voorwaarden onder dat parketnummer aan, in die zin dat alle bijzondere voorwaarden komen te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.S.W. Lucassen, voorzitter, mr. W.H.S. Duinkerke en mr. O. El Kadi, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.C.M. Althoff, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 juni 2026.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2025386900, gesloten op 16 augustus 2025 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , p. 8.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , p. 11.

Proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , p. 10.

Afbeelding van een WhatsAppgesprek, p. 55.

Proces-verbaal van aanhouding van 8 augustus 2025, p. 18.

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 juni 2026.

Mai Multe Decizii