ECLI:NL:RBGEL:2026:5279
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Zutphen
RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/461694 / HZ ZA 26-9
Vonnis in incident van 13 mei 2026
in de zaak van
[naam eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de eiser] ,
advocaat: mr. W.F.A. Zwart-Peters,
tegen
[naam gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de gedaagde] ,
advocaat: mr. P.A.J. Raaijmaakers,
en
de opgeroepen derde ex artikel 118 Rv
[naam executeur] , in zijn hoedanigheid van (gewezen) executeur in de nalatenschap van [naam erflaatster] ,
te [plaatsnaam] ,
hierna te noemen: [de executeur] ,
advocaat: mr. P.A.J. Raaijkmakers.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding / oproep voor een rechtszaak
de conclusie van antwoord van [de gedaagde]
de (antwoord)akte van [de eiser]
de oproeping van de heer [de executeur] op grond van artikel 118 Rv
het B2-formulier waarin mr. P.A.J. Raaijmaakers zich stelt als advocaat voor de heer
[de executeur]
2. De feiten in het incident
2.1..
[de eiser] en [de gedaagde] zijn de enige kinderen van de heer [de erflater] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflater”) en mevrouw [de erflaatster] , overleden op [overlijdensdatum] (hierna te noemen: “erflaatster”). Erflater en erflaatster waren gehuwd in gemeenschap van goederen.
2.2..
[de eiser] is door erflater en erflaatster onterfd. [de executeur] , echtgenoot van [de gedaagde] , is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster.
2.3.. De goederen van erflaatster zijn op enig moment onder bewind gesteld. De bewindvoerder heeft de woning van erflaatster, toen zij naar een verpleeghuis was verhuisd, met machtiging van de kantonrechter verhuurd aan de zoon van [de gedaagde] .
2.4..
[de eiser] heeft op 22 mei 2025 een beroep op haar legitieme portie in de nalatenschap van erflaatster gedaan.
3. Het geschil in het incident en in de hoofdzaak
3.1..
[de eiser] vordert
in het incident:
I. [de gedaagde] te veroordelen binnen zeven dagen na het vonnis de volgende stukken in kopie aan de advocaat van [de eiser] ter beschikking te stellen:
a. de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster,
b. de huurovereenkomst voor de woning met de zoon van [de gedaagde] ,
c. bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van moeder;
II. het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren,
in de hoofdzaak:
III. vaststelling van de legitieme portie van [de eiser] in de nalatenschap van erflaatster;
in het incident en in de hoofdzaak verder:
IV. te bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.
3.2..
[de gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van [de eiser] in haar vorderingen, althans de vorderingen van [de eiser] af te wijzen, met veroordeling van [de eiser] in de proceskosten. [de gedaagde] stelt dat [de eiser] niet-ontvankelijk is in haar vorderingen omdat er een executeur in de nalatenschap van erflaatster is benoemd en de executeur de erfgenamen in en buiten rechte vertegenwoordigt. [de eiser] had daarom de executeur moeten dagvaarden.
3.3..
[de eiser] heeft bij akte gereageerd op het niet-ontvankelijkheidsverweer van [de gedaagde] . [de eiser] voert aan dat [de executeur] als executeur niet meer in functie was, zodat zij [de gedaagde] als erfgenaam mag dagvaarden. Daarnaast is [de executeur] op grond van artikel 118 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bij exploot opgeroepen.
4. De beoordeling in het incident
4.1.. Het meest verstrekkende verweer van [de gedaagde] is dat [de eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het incident en in de hoofdzaak. [de gedaagde] stelt hiertoe dat [de executeur] is benoemd tot executeur van de nalatenschap van erflaatster. De executeur vertegenwoordigt de erfgenamen op grond van artikel 4:145 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in en buiten rechte, zodat [de eiser] [de executeur] had moeten dagvaarden en niet [de gedaagde] .
[de eiser] is ontvankelijk in het incident
4.2..
De rechtbank begrijpt dat [de eiser] , als legitimaris die niet erfgenaam is, afschrift van bescheiden vordert van [de gedaagde] op grond van
artikel 4:78 lid 1 BW. Op grond van artikel 4:78 lid 1 BW kan de legitimaris zowel de erfgenamen als de met het beheer der nalatenschap belaste executeurs aanspreken hem inlichtingen over de nalatenschap te verschaffen. Dit betekent dat [de eiser] ontvankelijk is in haar incidentele vordering tot het verstrekken van afschrift van bescheiden jegens [de gedaagde] als erfgenaam. De rechtbank komt dus toe aan de inhoudelijke behandeling van het incident.
Het juridisch kader
4.3.. In artikel 4:78 BW is bepaald dat een legitimaris die niet erfgenaam is, tegenover de erfgenamen en met het beheer van de nalatenschap belaste executeurs aanspraak kan maken op inzage en een afschrift van alle bescheiden die hij voor de berekening van zijn legitieme portie behoeft en dat zij hem desverlangd alle daartoe strekkende inlichtingen verstrekken. Hoever de informatieplicht reikt, dient per geval te worden beoordeeld. Daarbij geldt in ieder geval dat in artikel 4:78 BW door de wetgever is gekozen voor een ruim toepassingsbereik met de bewoordingen “alle daartoe strekkende inlichtingen”. Het is echter geen algemeen inzagerecht maar is beperkt tot de gegevens die nodig zijn voor de berekening van de legitieme portie. Artikel 4:65 BW bepaalt dat de legitieme portie wordt berekend over de waarde van de goederen van de nalatenschap, welke waarde wordt vermeerderd met de bij deze berekening in aanmerking te nemen giften en verminderd met de schulden vermeld in artikel 7 lid 1 onder a tot en met c en f BW. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 BW wordt onder waarde van de goederen van de nalatenschap verstaan de waarde van die goederen op het tijdstip onmiddellijk na het overlijden van de erflater.
De machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster
4.4..
[de eiser] vordert een kopie van de beslissing van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning voor erflaatster. [de eiser] heeft in dit verband gesteld dat de kantonrechter de toestemming destijds alleen verleende voor verhuur voor de ten hoogste toelaatbare bepaalde tijd van twee jaar en dat de huurovereenkomst na die periode van rechtswege eindigde. Volgens [de eiser] moet daarom de waarde van de woning in het economisch verkeer in vrije staat in aanmerking genomen worden en niet de overeengekomen verkoopprijs. Door [de gedaagde] is aangevoerd dat de machtiging van de kantonrechter slechts ziet op de toestemming voor het aangaan van de huurovereenkomst en niet op de waardering van de nalatenschap zelf. De machtiging heeft volgens [de gedaagde] geen invloed op de omvang van de legitimaire massa of op de hoogte van de legitieme portie.
4.5..
[de gedaagde] heeft niet althans onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat de toestemming voor verhuur destijds in veel gevallen slechts voor een beperkte periode werd verleend en dat de huurovereenkomst na ommekomst van die periode van rechtswege eindigde. De inhoud van de machtiging kan dan ook relevant zijn voor de bij de waardering van de woning te hanteren grondslag en daarmee voor de hoogte van de legitimaire massa. De woning van erflaatster is immers een goed in de zin van artikel 4:6 BW, zodat de waarde van de woning op grond van artikel 4:65 relevant is voor de berekening van de legitieme portie van [de eiser] . In zoverre faalt het verweer dan ook. [de gedaagde] stelt evenwel dat de machtiging zich niet in haar bezit bevindt. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, neemt de rechtbank aan dat de (voormalig) bewindvoerder van erflaatster over deze machtiging beschikt en dat [de gedaagde] een kopie hiervan bij de bewindvoerder kan opvragen om deze vervolgens aan [de gedaagde] te doen toekomen. De vordering zal daarom aldus worden toegewezen.
De huurovereenkomst
4.6..
[de eiser] vordert verder een afschrift van de huurovereenkomst van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] , naar de rechtbank begrijpt eveneens met het oog op de vraag of de woning in vrije staat dan wel verhuurde staat moet worden getaxeerd. [de gedaagde] heeft aangevoerd dat niet kan worden ingezien dat de huurovereenkomst invloed zou hebben op de omvang van de legitieme portie. De verkoop van de woning van erflaatster aan de zoon van [de gedaagde] is volgens haar geen gift of bevoordeling maar een zakelijke overeenkomst die voor erflaatster tot behoud van haar vermogen heeft geleid. De verhuur van de woning was bedoeld om te voorkomen dat de woning leeg zou komen te staan met het risico van verval en waardevermindering.
4.7.. Naar het oordeel van de rechtbank kan voor de waardering van de woning relevant zijn of deze en zo ja, onder welke voorwaarden, is verhuurd. Voor de berekening van de legitieme portie moet de legitimaris dan ook kennis kunnen nemen van de inhoud van de huurovereenkomst. De vordering van [de eiser] tot het overleggen van afschrift van de huurovereenkomst is daarom toewijsbaar.
Bewijsstukken van uitkeringen uit levensverzekeringen
4.8..
[de eiser] vordert bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster. Door [de gedaagde] wordt niet betwist dat [de eiser] deze stukken nodig heeft voor de berekening van haar legitieme portie, zodat de vordering van [de eiser] voor dit gedeelte toewijsbaar is. Voor zover [de gedaagde] heeft willen aanvoeren dat [de eiser] geen belang heeft bij haar vordering omdat het overgrote deel van de stukken al bij e-mail aan de advocaat van [de eiser] zijn toegestuurd, geldt dat de bewijsstukken ten aanzien van de uitkering uit levensverzekeringen niet zijn opgenomen in de bedoelde
e-mail. De rechtbank gaat hier dan ook aan voorbij.
Proceskosten in het incident
4.9.. Gelet op de familierelatie tussen partijen zal de rechtbank bepalen dat de proceskosten tussen partijen zullen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beoordeling in de hoofdzaak
5.1..
[de eiser] heeft [de executeur] , in zijn hoedanigheid van executeur in de nalatenschap van erflaatster, in het geding betrokken op grond van artikel 118 Rv. Het gevolg van de oproeping is dat [de executeur] partij is geworden in deze procedure. Mr. Raaijmakers heeft zich als advocaat gesteld voor [de executeur] . Nu [de executeur] in de procedure is verschenen, zal hij in de gelegenheid worden gesteld om een conclusie van antwoord te nemen. De zaak zal worden verwezen naar de rol van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] .
5.2.. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
6. De beslissing
De rechtbank
In het incident
6.1.. veroordeelt [de gedaagde] , binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis:
de beschikking van de kantonrechter op het verzoek om machtiging voor verhuur van de woning van erflaatster bij de (voormalig) bewindvoerder op te vragen en deze na ontvangst daarvan aan [de eiser] ter beschikking te stellen,
de huurovereenkomst voor de woning van erflaatster met de zoon van [de gedaagde] aan [de eiser] ter beschikking te stellen,
bewijsstukken ten aanzien van de uitkeringen uit levensverzekeringen, in het bijzonder ten aanzien van de uitvaart van erflaatster aan [de eiser] ter beschikking te stellen,
6.2.. compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.3.. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.4.. wijst af het meer of anders gevorderde,
In de hoofdzaak
6.5.. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 24 juni 2026 voor conclusie van antwoord door [de executeur] ,
6.6.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Stempher en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
JV/Ma