[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbgel-2026-5303":3,"decision-more-ecli-nl-rbgel-2026-5303":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1687","ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","",60,"Arnhem","arnhem","2026-07-06T00:00:00.000Z","RECHTBANK GELDERLAND\n\nTeam strafrecht\n\nZittingsplaats Arnhem\n\nParketnummer: 05\u002F057541-25\n\nDatum uitspraak : 6 juli 2026\n\nTegenspraak\n\nvonnis van de militaire kamer\n\nin de zaak van\n\nde officier van justitie\n\ntegen\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedag] 1993 in [geboorteplaats] ,\n\nwonende aan [adres] in [woonplaats] .\n\nRaadsvrouw: mr. T.A. van Helvoort, advocaat in Amersfoort.\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.\n\n1. De inhoud van de tenlastelegging\n\nAan verdachte is ten laste gelegd dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks 17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnie opzettelijk, althans in ernstige mate nalatig het dienstvoorschrift VS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven: Laden vanuit ongeladen toestand • Neem de uitgangshouding aan. • Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is. • Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in. • Sluit het hulzengatdeksel. • Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven: Schietbereidheid laag Wordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen. • Het wapen om de schouder gehangen. Uitvoering. • De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden. • Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt. • Wapen is geladen en staat op ‘Safe’. • Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middel Wordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles. Uitvoering • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel. • De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat: Schietbereidheid hoog Wordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht. Uitvoering. • Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door. • De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder. • De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst. • Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar. • Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002Fof\n\nHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand) - neem de uitgangshouding aan - trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los - druk met de handpalm de aandrukplunjer in - sluit het hulzengatdekeel - zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaar in de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomen en\u002Fof in gebruik heeft genomen zonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerde en\u002Fof zonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fof op het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuig zat\u002Faanwezig was en aanstalte maakte om uit te stijgen de trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthans een schot met dat wapen heeft gelost en\u002Fof terwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof [getuige 1] en\u002Fof [getuige 2] en\u002Fof [getuige 3] en\u002Fof [getuige 4] en\u002Fof [getuige 5] en\u002Fof [getuige 6] en\u002Fof [getuige 7]\n\nen\u002Fof gemeen gevaar voor goederen te weten de in het militairwielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\n2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk, ook niet in voorwaardelijke zin, dan wel door ernstige nalatigheid, een dienstvoorschrift heeft overtreden. Er is sprake van een ongelukkige samenloop van omstandigheden.\n\nBeoordeling door de militaire kamer\n\nDe bewijsmiddelen\n\nOp 17 juni 2024 vond de oefening SOB\u002FSOMS (Schiet- en oefenperiode [locatie] \u002FSchiet- en oefenperiode [locatie] ) plaats op een schietbaan in [locatie] (Duitsland). Hierbij werd gebruik gemaakt van een Boxer-pantserwielvoertuig (hierna: Boxer) en scherpe munitie. De 112 pantsergeniecompagnie, waar verdachte deel van uitmaakt, deed mee aan deze oefening.\n\nVerdachte zat samen met zijn collega-militairen [getuige 1] (voertuigcommandant), [getuige 7] (boordschutter), [getuige 4] , [getuige 6] (chauffeur), [getuige 3] , [getuige 2] en [getuige 5] in de Boxer. Verdachte was hun groepscommandant.De chauffeur, de voertuigcommandant en de boordschutter zaten voorin de Boxer. De rest zat achterin.\n\nVerdachte, die tevens schietinstructeur op de Colt is, heeft verklaard dat er tassen onder zijn stoel waren geplaatst, waardoor zijn stoel niet volledig naar beneden kon worden geklapt en hij niet goed kon zitten. Daarom heeft verdachte zijn doorgeladen Colt C8, met de loop naar boven, rechts van zich neergezet tussen de stoelen. Toen ze moesten uitstijgen, wilde verdachte zijn wapen pakken, maar dat zat klem. Verdachte stond gebukt, draaide naar rechts en pakte met zijn rechterhand zijn wapen bij de handbeschermer, ter hoogte van de handgreep aan de loop. Toen hij aan het wapen trok, hoorde hij dat het afging.\n\nHet laatste moment waarop verdachte zeker wist dat zijn wapen op safe (S) stond, was toen hij het aan het begin van de dag heeft geladen. Verdachte kon niet zeggen of zijn wapen op safe stond tijdens het instijgen in de Boxer. Tijdens het uitstijgen heeft verdachte niet gecontroleerd of de vuurregelaar op safe stond. Verdachte is bekend met het Handboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen”.\n\n Verdachte handelde, bij het uitstijgen, in the heat of the momenten hij wilde tijd genereren. Achteraf bezien heeft hij zich te veel laten pushen door de oefening.\n\n [getuige 1] heeft verklaard dat de klep van de Boxer niet naar beneden was, alleen het deurtje was geopend. Verdachte wilde uitstappen door het geopende deurtje van de Boxer. Hierbij zat hij met zijn benen uit het voertuig, met zijn billen op de rand en met zijn gezicht naar beneden. Verdachte pakte zijn wapen van achter zich zonder ernaar te kijken. Toen hij het wapen naar voren trok, ging het schot af. [getuige 1] denkt dat hij zich op dat moment op 1,5 tot 2 meter afstand van verdachte bevond.\n\n [getuige 4] heeft verklaard dat het een rommel in de bak was, dus ze konden niet allemaal zitten. [getuige 4] zag dat verdachte wilde uitstijgen en aan zijn wapen trok. Het wapen van verdachte bleef vast zitten aan een stepje (de militaire kamer begrijpt: treetje) voor de voeten. Vervolgens hoorde [getuige 4] een doffe knal en hij zag een rookpluim. [getuige 4] zat op dat moment schuin tegenover verdachte op zo’n vijftig tot zestig centimeter afstand. Volgens [getuige 4] is er achterin zo’n bak altijd gevaar als je met scherp (de militaire kamer begrijpt: scherpe munitie) werkt.\n\n [getuige 3] heeft verklaard dat verdachte zou gaan uitstijgen, maar bleef haken. Hierna hoorde [getuige 3] een schot en hij voelde een patroon voor zich langs gaan. Hij stond op dat moment achter verdachte op maximaal vijf centimeter afstand.\n\n [getuige 2] heeft verklaard dat bovengenoemde personen allemaal in de Boxer zaten, met uitzondering van [getuige 5] , die buiten stond. [getuige 2] zat tegenover verdachte. Ze zaten met hun knieën tegen elkaar, dus erg dicht op elkaar. [getuige 2] zag dat verdachte opstond en naar zijn wapen reikte. Toen verdachte zijn wapen in de hand had, trok hij dit naar zich toe en hoorde [getuige 2] een doffe knal. Als het schot niet in een ballistische plaat was gekomen, dan had deze volgens [getuige 2] kunnen afketsen in de gevechtsruimte, met alle gevolgen van dien.\n\n [getuige 5] heeft verklaard dat iedereen in de Boxer gepropt zat en dat het best wel krap was. [getuige 5] is als eerste door het deurtje van de achterklep van de Boxer naar buiten gegaan. Hij was er half of net uit toen hij een knal hoorde. Hij stond op dat moment op drie tot vijf meter afstand van verdachte.\n\nDe Colt C8 van verdachte is in beslag genomen.Uit een rapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie volgt dat dit wapen in een goede (of uitstekende) wapentechnische staat is. Er zijn geen afwijkingen geconstateerd aan het wapen, ook niet aan de trekkergroep. De conclusie van het rapport luidt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het wapen spontaan een schot kan geven, zonder dat het wapen op ‘vuren’ heeft gestaan en de trekker is bediend.Verder is het volgens een wapenexpert mogelijk dat de vuurregelaar verdraait als een hard voorwerp hierop, onder de juiste hoek, met de juiste richting en met genoeg kracht, druk uitoefent.\n\nIn het plafond van de gevechtsruimte van de Boxer werd een inschot aangetroffen.Uit onderzoek van de Koninklijke Marechaussee bleek dat er mogelijk een schot was gelost met een Colt C8. De hierdoor afgevuurde kogelpunt heeft een kogelgat van ongeveer 6 millimeter veroorzaakt in de scherfwerende plafondplaat, waardoor deze plaat is geperforeerd en er een schotbeschadiging is ontstaan in de pantserplaat van het plafond.\n\nHet dienstvoorschrift\n\nIn het dienstvoorschrift Handboek Militair LAND-E&T- 02.3 (hierna: het HAMIL), zoals dit van kracht was op 16 juni 2024, staat in hoofdstuk 6A ‘Colt C7 & C8’ een sectie genaamd ‘Verrichtingen aan het wapen’. Hierin is – voor zover relevant – op bladzijde 6-35 opgenomen:\n\n6203 ​​​​​​ Laden (vanuit halfgeladen toestand)\n\n Neem de uitgangshouding aan.\n\n Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.\n\n Sluit het hulzengatdeksel.\n\n Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat het HAMIL een dienstvoorschrift betreft als bedoeld in artikel 135 MSr. De regels vormen een schriftelijk besluit van algemene strekking, hebben betrekking op een militair dienstbelang, namelijk de veilige omgang met wapens, en betreffen een tot de militair gericht gebod. Voorts zijn de regels duidelijk, ook voor verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij bekend is met deze sectie van het HAMIL.\n\nDe militaire kamer stelt vast dat sectie 5 ‘verrichtingen aan het wapen’ van hoofdstuk 1 ‘wapenleer’ van het dienstvoorschrift VS 7-520 niet van toepassing is, omdat er, ten tijde van het afgaan van het ongecontroleerde schot, geen sprake was van laden vanuit ongeladen toestand. Ook sectie 7 ‘Gebruik van geweer in het terrein’ van hoofdstuk 2 ‘Schietleer’ is in dit geval niet van toepassing, omdat dit gaat om de correcte manier waarop het wapen moet worden gedragen bij verplaatsingen in het terrein. Naar het oordeel van de militaire kamer is daar in dit geval geen sprake van, omdat verdachte zich in een voertuig bevond. In zoverre zal de militaire kamer verdachte partieel vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nOvertreden dienstvoorschrift\n\nOp grond van het voorgaande stelt de militaire kamer vast dat bij het uitstijgen uit de Boxer de vuurregelaar van het wapen van verdachte kennelijk niet op safe (S) stond. Het wapen van verdachte zat tijdens het uitstijgen klem. Verdachte heeft een ongewild\u002Fongecontroleerd schot met zijn wapen gelost toen hij aan het wapen trok om het los te krijgen. Verdachte heeft tijdens het uitvoeren van de oefening, en in het bijzonder bij het uitstijgen, niet gecontroleerd of de vuurregelaar (nog steeds) op S stond. Hiermee heeft verdachte het HAMIL overtreden op grond waarvan het wapen, na het uitvoeren van de veiligheidsmaatregelen, steeds op S behoort te staan.\n\nUit de stukken noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er een dienstvoorschrift bestaat waarin is vastgelegd dat de loop van een wapen naar beneden moet worden gericht in een voertuig.\n\nVan op de concrete situatie van mogelijk toepassing zijnde extra te stellen (veiligheids)eisen is dus niet gebleken. Er kan dan ook niet worden bewezen dat verdachte de loop van zijn wapen niet in een veilige richting liet wijzen. Daarom zal de militaire kamer verdachte vrijspreken van dit onderdeel van de tenlastelegging.\n\nVerder blijkt uit het procesdossier niet dat verdachte de trekker van zijn wapen heeft overgehaald of beroerd. Ook hiervan zal de militaire kamer hem vrijspreken.\n\nOpzet\n\nDe militaire kamer is van oordeel dat verdachte geen opzet heeft gehad op het overtreden van het dienstvoorschrift, ook niet in de vorm van voorwaardelijk opzet. Daarom zal de militaire kamer hem in zoverre vrijspreken van het tenlastegelegde.\n\nSchuld\n\nDe militaire kamer dient vervolgens te beoordelen of het overtreden van het dienstvoorschrift aan de schuld van verdachte is te wijten. Hiervoor is vereist dat de verdachte zich ten minste aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam heeft gedragen. Er moet in ieder geval sprake zijn van een aanmerkelijke mate van (verwijtbare) onvoorzichtigheid. Bij de beoordeling hiervan komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. De militaire kamer overweegt hiertoe het volgende.\n\nIn de gevechtsruimte van een Boxer is de ruimte zeer beperkt, zeker omdat er naast verdachte nog zeven collega’s in zaten. Bovendien lagen er in dit geval ook nog rugzakken onder de stoel van verdachte, waardoor hij niet goed kon zitten. In deze situatie heeft verdachte ervoor gekozen om zijn met scherpe munitie geladen wapen tussen de stoelen neer te zetten. Vervolgens heeft verdachte naast zich gereikt om zijn wapen te pakken, zodat hij kon uitstijgen, maar het wapen zat klem. Daarom trok verdachte aan het wapen dat vervolgens af ging. Verdachte heeft tijdens het uitstijgen niet gecontroleerd of de vuurregelaar op S stond.\n\nDe militaire kamer overweegt dat van een militair uit hoofde van diens functie extra voorzichtigheid mag worden verwacht (de zogenoemde Garantenstellung). Bovendien had verdachte als groepscommandant en tevens schietinstructeur op de Colt een leidende rol en een voorbeeldfunctie, waardoor hij nog voorzichtiger had moeten zijn. Hij werkte op dat moment bovendien met scherpe munitie. Hij had dan ook zijn onverdeelde aandacht moeten hebben bij de handelingen die hij moest uitvoeren – te weten het uitstijgen met zijn wapen – en dit zo veilig mogelijk moeten doen.\n\nJuist onder de genoemde feiten en omstandigheden – te weten de kleine ruimte met veel mensen, de spullen in de Boxer waardoor verdachte niet op een normale manier kon zitten en hij zijn wapen ook niet op een normale manier weg kon zetten – had verdachte meer voorzichtigheid moeten betrachten. De vuurregelaar is namelijk op enig moment van S afgegaan, zonder dat verdachte dit heeft opgemerkt, noch tijdens het instijgen, noch tijdens het uitstijgen. Zeker nu hij het wapen op een andere manier neer had gezet dan hij normaal zou doen, te weten tussen de stoelen, had van hem mogen worden verwacht dat hij daarvoor en daarna zou controleren dat de vuurregelaar inderdaad nog op S stond. Dit heeft hij niet gedaan.\n\nBovendien heeft verdachte tijdens het uitstijgen naast zich gereikt en zijn wapen gepakt. Ondanks dat hij voelde dat het wapen klem zat, heeft hij dit naar zich toe getrokken. Dit ging kennelijk op zo’n manier dat het wapen af is gegaan.\n\nDe militaire kamer ziet dit als twee afzonderlijke onzorgvuldigheden. In die zin is deze zaak dus niet vergelijkbaar met de door de verdediging aangehaalde uitspraak van de militaire kamer van 16 december 2024 (ECLI:NL:RBGEL:2024:9075), nu in die zaak sprake was van een enkel moment van onoplettendheid. De militaire kamer vindt dat daarvan in het geval van verdachte geen sprake is.\n\nGelet op deze omstandigheden, in het bijzonder de voorzichtigheid die juist van verdachte had mogen worden verwacht tijdens het werken met scherpe munitie, komt de militaire kamer tot het oordeel dat verdachte verwijtbaar onvoorzichtig is geweest. Hiermee is sprake van aanmerkelijke schuld.\n\nGemeen gevaar voor personen en\u002Fof goederen\n\nDe militaire kamer overweegt dat er meerdere collega’s van verdachte zich in zijn directe omgeving bevonden op het moment dat hij het schot loste. [getuige 3] voelde zelfs het patroon langs zich gaan. Bovendien had de kogel kunnen ricocheren naar verdachte zelf, zijn collega’s of de goederen in het voertuig die zich in de directe omgeving bevonden. Hierdoor hadden zijn collega’s ernstig gewond kunnen raken of erger. Verder is door de inslag de scherfwerende plafondplaat doorboord en de daarachter liggende pantserplaat beschadigd.\n\nDe militaire kamer is daarom van oordeel dat er gemeen gevaar voor zowel personen als goederen is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande acht de militaire kamer het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, waarbij de militaire kamer van oordeel is dat verdachte in ernstige mate nalatig is geweest.\n\n3. De bewezenverklaring\n\nNaar het oordeel van de militaire kamer is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:\n\nhij als militair, op of omstreeks17 juni 2024, te of nabij [locatie] , in elk geval in Duitsland, tijdens een oefening (SOB SOMS) op een schietbaan met 112 pantsergeniecompagnieopzettelijk, althansin ernstige mate nalatig het dienstvoorschriftVS 7-520 COLT: Hoofdstuk 1 “Wapenleer”, sectie 5 “Verrichtingen aan het wapen” onder 1510 (pagina 1-44) waarin was voorgeschreven:Laden vanuit ongeladen toestand• Neem de uitgangshouding aan.• Neem het patroonmagazijn uit de patroonmagazijntas, controleer of de patronen juist geplaatst zijn. Plaats het patroonmagazijn in het wapen en controleer of deze geborgd is.• Trek de spangreep naar achteren en laat deze in achterste stand los.\n\n• Druk met de handpalm de aandruk-plunjer in.• Sluit het hulzengatdeksel.• Zet de vuurregelaar op ‘S’.\n\nen\u002Fof\n\nHoofdstuk 2 “Schietleer”, sectie 7 “Gebruik van geweer in het terrein” onder 2704 (pagina 2-40) waarin was voorgeschreven:Schietbereidheid laagWordt meestal gebruikt als de vijandelijke dreiging laag is. U hebt twee manieren om het wapen aan de tactische draagriem te dragen,\n\n• Het wapen voor de borst gedragen.• Het wapen om de schouder gehangen.Uitvoering.• De tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• Het wapen wordt voor de borst gedragen, men kan nog steeds beide armen gebruiken voor werkzaamheden.• Desgewenst kan de schutter de snelsluiting openen, waardoor de riem langer kan worden gemaakt.• Wapen is geladen en staat op ‘Safe’.• Via deze draagwijze kan men snel overgaan naar een hogere schietbereidheid.\n\n, 2705 (pagina 2-41) Schietbereidheid middelWordt het meest gebruikt bij verplaatsingen en patrouilles.Uitvoering• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’, de rechter wijsvinger is gestrekt langs de trekkerbeugel.• De loop wijst onder een hoek van ongeveer 45° naar beneden\n\nen 2706 (pagina 2-42) waarin was voorgeschreven dat:Schietbereidheid hoogWordt gebruikt als men direct vijand contact verwacht.Uitvoering.• Tactische draagriem loopt over de linker schouder en onder de rechter oksel door.• De tactische draagriem is dusdanig afgesteld zodat de kolf van het wapen kontact heeft met de rechter schouder.• De linkerhand omvat de handbeschermers waarbij de linker wijsvinger gestrekt naar voren wijst.• Het wapen is geladen en staat op ‘Safe’ met de rechter wijsvinger aan de trekker en de rechterduim bij de vuurregelaar.• Waarnemen over de richtmiddelen voor een maximaal gezichtsveld.\n\nen\u002FofHandboek Militair LAND-E&T- 02.3: Hoofdstuk 6A “Colt C7 &C8”, sectie 2 “Verrichtingen aan het wapen\" onder 6203 (pagina 6-35) waarin was voorgeschreven dat: Laden (vanuit halfgeladen toestand)- neem de uitgangshouding aan- trek de spangreep naar achteren en laat deze in de achterste stand los- druk met de handpalm de aandrukplunjer in- sluit het hulzengatdekeel- zet de vuurregelaar op S.\n\nniet heeft opgevolgd, hierin bestaande dat hij verdachte toen aldaarin de gevechtsruimte\u002Fhet manschappen-compartiment van een Boxer (militair pantserwielvoertuig) zijn geladen wapen (Colt 8) ter hand heeft genomenen\u002Fof in gebruik heeft genomenzonder dat verdachte zich op dat moment (eerst) (voldoende) had overtuigd van de toestand waarin dat wapen verkeerdeen\u002Fofzonder dat verdachte (eerst) de veiligheidsmaatregelen had genomen en\u002Fof zonder dat verdachte het wapen met de loop in een veilige richting liet wijzen en\u002Fofop het moment dat hij, verdachte, nog in het pantservoertuigzat\u002Faanwezig was enaanstaltenmaakte om uit te stijgende trekker van zijn dienstwapen heeft overgehaald en\u002Fof althans te trekker heeft beroerd en\u002Falthanseen schot met dat wapen heeft gelosten\u002Fofterwijl verdachte zijn dienstwapen op (zeer) korte afstand in de richting van het pantserplaat plafond (scherfwerende plafondplaat) van het voertuig (Boxer)militairwielvoertuig liet wijzen,\n\nterwijl daarvan\u002Fdaardoor gemeen (ricochet)gevaar voor personen, te weten de in het voertuig bevindende personen en\u002Fof de zich in de directe nabijheid van het schot bevindende personen te weten verdachte zelf en\u002Fof[getuige 1] en\u002Fof[getuige 2] en\u002Fof[getuige 3] en\u002Fof[getuige 4] en\u002Fof[getuige 5] en\u002Fof[getuige 6] en\u002Fof[getuige 7]\n\nen\u002Fofgemeen gevaar voor goederen te weten de in het militair wielvoertuig bevindende goederen te weten de elektronische apparatuur, de vloer- en wand(bekleding) is ontstaan, althans te duchten is geweest.\n\nVoor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.\n\nWat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.\n\nVerdachte zal daarvan worden vrijgesproken.\n\n4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde levert op:\n\nals militair aan zijn schuld te wijten zijn dat hij een dienstvoorschrift niet opvolgt, terwijl daardoor gemeen gevaar voor personen of goederen ontstaat.\n\n5. De strafbaarheid van het feit\n\nHet feit is strafbaar.\n\n6. De strafbaarheid van de verdachte\n\nVerdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.\n\n7. De overwegingen ten aanzien van straf en\u002Fof maatregel\n\nHet standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\nHet standpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de oplegging van een straf of maatregel.\n\nDe beoordeling door de militaire kamer\n\nDe militaire kamer heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De militaire kamer heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.\n\nDe ernst van het feit\n\nVerdachte heeft tijdens een oefening in Duitsland een ongewild schot gelost met scherpe munitie. Dit schot heeft gelukkig geen letsel veroorzaakt, maar wel (lichte) schade aan de Boxer. Daarnaast was er gemeen gevaar voor personen en goederen te duchten. Dat het niet erger is afgelopen, is enkel aan geluk te danken.\n\nDit is een ernstig feit. De naleving van de veiligheidsvoorschriften is van groot belang. Militairen mogen binnen Defensie een veilige werkomgeving verwachten en daar dient iedere individuele militair aan bij te dragen. Daartoe dient elke militair de veiligheidsvoorschriften grondig na te leven. Van een militair als verdachte – als gevorderd schutter en schietinstructeur op de Colt en vanuit zijn rol als groepscommandant – mocht dan ook worden verwacht dat hij zich te allen tijde aan de veiligheidsregels houdt.\n\nVerdachte is erg aangeslagen door wat er is gebeurd. Hij heeft zijn hele compagnie toegesproken in verband met dit incident, waarbij hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor wat er is gebeurd. Het incident heeft inmiddels bijna twee jaar geleden plaatsgevonden.\n\nDe persoon en persoonlijke omstandigheden van verdachte\n\nUit het strafblad van verdachte d.d. 26 mei 2026 blijkt dat hij in de afgelopen 5 jaar niet in aanraking is gekomen met politie of justitie.\n\nVerdachte is nog steeds werkzaam bij defensie, hij functioneert goed en zijn collega’s zijn tevreden over hem. Hij is recent overgeplaatst naar een nieuwe functie. Dit betrof een ‘reguliere’ overplaatsing.\n\nConclusie\n\nAlles afwegende acht de militaire kamer de eis van de officier van justitie passend en geboden.\n\nDe militaire kamer veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 700,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.\n\n8. De toegepaste wettelijke bepalingen\n\nDe oplegging van de straf en\u002Fof maatregel is gegrond op de artikelen:\n\n- 23, 24 c en 91 van het Wetboek van Strafrecht;\n\n- 6, 11, 14 en 137 van het Wetboek van Militair Strafrecht.\n\n9. De beslissing\n\nDe militaire kamer:\n\n verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;\n\n verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;\n\n verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;\n\n verklaart verdachte hiervoor strafbaar;\n\n legt op een geldboete van € 700,-, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 7 dagen hechtenis.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. Y. van Wezel (voorzitter) en mr. M.C. Gerritsen, rechters, en Kolonel mr. H.M. Stratenus, militair lid, in tegenwoordigheid van mr. M.M. Aalbers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 juli 2026.\n\nmr. Gerritsen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\n Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de Koninklijke Marechaussee, Brigade Drenthe IJsselstreek, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL27ND\u002F24-004811, gesloten op 17 december 2024 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 38-40; proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 13 en proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 82-83.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 64.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 84, 87 en 89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 87-89 en verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Verklaring van verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 22 juni 2026.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 42.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 66.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 58.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 48 en 50.\n\n Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 5] , p. 76.\n\n Proces-verbaal van aangifte door [aangever] , p. 4\n\n Projectrapport van het Kenniscentrum Wapensystemen en Munitie, p. 36.\n\n Proces-verbaal, p. 2 (aanvullend), inclusief de bijlage.\n\n Proces-verbaal, p. 6.\n\n Proces-verbaal Sporenonderzoek, p. 14.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2026:5303","ecli-nl-rbgel-2026-5303",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]