[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2023-5890":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2023-5890":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1435","ECLI:NL:RBLIM:2023:5890","",66,"Roermond","roermond","2023-08-31T00:00:00.000Z","RECHTBANK LIMBURG\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 20\u002F3604\n uitspraak van de meervoudige kamer van 31 augustus 2023 in de zaak tussen\n \n [eiser] uit [woonplaats] , eiser\n\n(gemachtigden: mr. Th.J.H.M. Linssen en mr. J.H.D. Elings),\n\nen\n\nde minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap\n\n(gemachtigden: mr. D.W. Mulder, L.M.C. Oerlemans en C.J. Dicou).\n\nAls derde-partij heeft eerst Stichting Helicon B.V.uit Den Bosch (Helicon) en later, als rechtsopvolger van Helicon,Stichting De Drie AOCsuit Houten aan de zaak deelgenomen (derde-partij).\n\n(Gemachtigden: mr. H.C. Lagrouw, mr. I.A. Hoen, F.J.G. Verhagen en J.M.P. Moons).\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van 20 november 2020 (het bestreden besluit). Met het bestreden besluit is de minister gebleven bij zijn besluit van 6 juli 2020. Met het besluit van 6 juli 2020 heeft de minister aan eiser een last onder dwangsom opgelegd en beslist de last openbaar te maken. De minister heeft in het bestreden besluit ook beslist het bestreden besluit openbaar te maken.\n\n2. De rechtbank heeft het beroep op 7 februari 2023 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, zijn gemachtigden, de gemachtigden van de minister en de gemachtigden van derde-partij deelgenomen.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n3. De rechtbank beoordeelt of de minister met het bestreden besluit bij de last en de openbaarmaking van de last heeft kunnen blijven. De rechtbank beoordeelt ook de beslissing van de minister om het bestreden besluit openbaar te maken. De rechtbank doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Daarbij betrekt de rechtbank wat derde-partij heeft aangevoerd, voor zover dit bij de beoordeling aan de orde kan komen.\n\n3.1.. De rechtbank is van oordeel dat de minister de last in stand heeft mogen laten maar zijn beslissingen over de openbaarmaking van de last en de openbaarmaking van het bestreden besluit niet. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze oordelen komt en welke gevolgen de oordelen hebben, maar eerst gaat zij - voor de begrijpelijkheid van de uitspraak - kort in op wat aan het opleggen van de last en het nemen van het besluit tot openbaarmaking van de last vooraf ging, wat daarop volgde en op het bestreden besluit. De rechtbank legt daarna uit welk deel van wat derde-partij heeft aangevoerd niet bij de beoordeling van het beroep kan worden betrokken en waarom niet.\n\nWat aan het opleggen van de last onder dwangsom en het nemen van het besluit tot openbaarmaking van de last vooraf ging en wat daarop volgde\n\n4. Eiser was in dienst bij Helicon, sinds 1 januari 1997 als lid van het college van bestuur. Per 1 januari 2015 is het dienstverband van eiser op nadrukkelijk verzoek van Helicon maar met wederzijds goedvinden beëindigd. Dat staat in de vaststellingsovereenkomst van 23 oktober 2014 die Helicon en eiser over de beëindiging van het dienstverband van eiser hebben gesloten (de vaststellingsovereenkomst). Met de vaststellingsovereenkomst hebben Helicon en eiser ook afgesproken dat eiser een ontslagvergoeding krijgt van € 75.000,-, een uitkering voor de afkoop van een Werkeloosheids- en Bovenwettelijke Werkeloosheidsuitkering (WW- en BWR-uitkering) van € 260.000,-, een vergoeding voor het niet naleven van de wettelijke ontslagtermijn van € 21.800,- en een betaling van een bedrag van € 40.724,- door Helicon aan het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser, in totaal een bedrag van € 397.524,-. De genoemde bedragen zijn brutobedragen.\n\n4.1. De Inspectie van het onderwijs (de inspectie), die toezicht houdt op de naleving van de Wet normering topinkomens (Wnt), heeft onderzocht of de financiële afspraken die Helicon en eiser hebben gemaakt aan de Wnt voldoen. In het rapport van 23 mei 2019 (het inspectierapport) dat de inspectie daarover heeft opgemaakt, is de inspectie tot de conclusie gekomen dat de ontslagvergoeding, de vergoeding voor het niet naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser, met een som van € 137.524,-, in strijd zijn met de Wnt.\n\n4.2. \n\nMet de dagvaarding van 27 augustus 2019 heeft Helicon eiser voor de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank gedaagd. Helicon heeft van eiser een bedrag van\n\n€ 137.524,- gevorderd wegens onverschuldigde betaling. Met het vonnis van 17 juni 2020 heeft de kantonrechter de vordering van Helicon toegewezen. De kantonrechter heeft eiser veroordeeld tot betaling aan Helicon van een bedrag van € 174.324,49 (inclusief het bedrag van € 137.524,-). Naar aanleiding van het vonnis van de kantonrechter heeft eiser op\n\n9 juli 2020, drie dagen nadat de minister eiser heeft gelast een bedrag van € 137.524,- aan Helicon terug te betalen, een bedrag van € 174.324,49 aan Helicon overgemaakt. Kort daarna heeft eiser de inspectie over de betaling ingelicht. Later heeft de minister het bestreden besluit genomen.\n\nHet bestreden besluit\n\n5. De minister vindt dat de afgesproken uitkering voor de afkoop van een WW- en BWR-uitkering, de ontslagvergoeding, de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser, uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband zijn die samen de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van eiser vormen als bedoeld in artikel 1.1 onder i van de Wnt. De uitkering voor de afkoop van een WW- en BWR-uitkering vindt de minister in overeenstemming met de Wnt. De ontslagvergoeding, de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser vindt de minister niet in overeenstemming met de Wnt. De som van deze uitkeringen, te weten een bedrag van € 137.524,-, komt volgens de minister uit boven de maximale ontslaguitkering die de Wnt in het geval van eiser toestaat. Om deze overtreding van de Wnt ongedaan te maken, heeft de minister eiser de last opgelegd. Na heroverweging is de minister bij zijn beslissing gebleven. De minister heeft zich gebaseerd op het inspectierapport.\n\n5.1. Zoals al in de inleiding staat, is de minister ook gebleven bij zijn beslissing om de last openbaar te maken en heeft de minister beslist het bestreden besluit openbaar te maken.\n\nDerde partij\n\n6. Derde-partij vindt dat Helicon bij de beëindiging van het dienstverband\n\nvan eiser een bedrag van € 137.524,- te veel aan eiser heeft betaald. Primair heeft de minister volgens haar echter de last niet aan eiser mogen opleggen. De reden daarvoor is dat de overtreding niet meer bestond toen de minister de last oplegde omdat de kantonrechter toen al het vonnis van 17 juni 2020 had gewezen, dan wel omdat op dat moment sprake was van concreet zicht op legalisatie. Subsidiair vindt derde-partij dat de overtreding niet meer bestond toen de minister het bestreden besluit nam, omdat eiser toen al aan het vonnis van de kantonrechter had voldaan en dat de minister de last had moeten herroepen. Zij is het er verder niet mee eens dat de minister de aan haar verschuldigde wettelijke rente niet in de last heeft meegenomen. Zij vraag de rechtbank ook uitspraak te doen over de (kosten)vergoedingen die de kantonrechter, naast toewijzing van de vordering van\n\n€ 137.524,-, aan Helicon heeft toegekend.\n\n6.1. De rechtbank kan de primair en subsidiair door derde-partij aangevoerde gronden en de grond dat de minister ten onrechte de aan derde-partij verschuldigde wettelijke rente niet in de last heeft meegenomen niet bij de beoordeling van het beroep betrekken. De grens van het geschil tussen eiser en de minister over het bestreden besluit wordt namelijk bepaald door de omvang van het beroep. Hetgeen door derde-partij is aangevoerd, zijn eigen gronden van derde-partij voor vernietiging van het bestreden besluit, terwijl derde-partij niet zelf beroep heeft ingesteld tegen het bestreden besluit, maar slechts als belanghebbende partij deelneemt aan het geding tussen eiser en de minister. Deze gronden vallen niet binnen de omvang van het beroep van eiser. Eiser heeft dat ter zitting bevestigd. Eiser heeft op de zitting uitdrukkelijk afstand genomen van het standpunt van derde-partij dat de minister de last had moeten herroepen omdat op het moment van het bestreden besluit al aan de last was voldaan. Eiser heeft benadrukt dat hij onder protest aan de last heeft voldaan en de last ter toetsing aan de bestuursrechter wenst voor te leggen. De rechtbank kan verder geen uitspraak doen over de (kosten)vergoedingen die de kantonrechter aan Helicon heeft toegekend, omdat deze bestuursrechtelijke procedure over het bestreden besluit gaat en het bestreden besluit niet ook over die (kosten)vergoedingen gaat.\n\n6.1.1. Derde-partij heeft op de zitting gezegd dat haar gronden over de bevoegdheid van de rechtbank gaan en dat de rechtbank deze gronden daarom ambtshalve moet toetsen. De rechtbank volgt de opvatting van derde-partij dat haar gronden over de bevoegdheid van de rechtbank gaan niet. De rechtbank is al bevoegd om op het beroep te beslissen omdat het is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht waartegen beroep bij de rechtbank (bestuursrechter) openstaat.\n\n6.1.2. De rechtbank kan dus alleen bij de beoordeling van het beroep betrekken dat derde-partij het met de minister eens is dat Helicon en eiser een bedrag van € 137.524,- te veel aan uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van eiser hebben afgesproken en dat eiser dit bedrag aan Helicon moest terugbetalen.\n\nDe beoordeling van het beroep\n\n1) De last onder dwangsom\n\nWas de minister bevoegd om de last aan eiser op te leggen?\n\n7. De minister is bevoegd aan partijen, zoals gedefinieerd in de Wnt, een last onder dwangsom op te leggen om partijen aan de Wnt te houden. Dat staat in artikel 5.4 van de Wnt. Eiser is een partij als bedoeld in artikel 5.4 van de Wnt. Dat volgt uit artikel 1.1 aanhef en onder c van de Wnt. Eiser heeft dat ook niet bestreden.\n\n8. Eiser bestrijdt de bevoegdheid van de minister omdat hij vindt dat Helicon en hij met de financiële afspraken die zij met de vaststellingsovereenkomst hebben gemaakt geen overtreding van de Wnt hebben begaan. Hij heeft daarover de volgende beroepsgronden aangevoerd.\n\nBeroepsgrond 1: kwalificatie van de uitkering\n\n9. Eiser is ten eerste niet met de minister eens dat de uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering een uitkering bij beëindiging van het dienstverband is die samen met de andere vergoedingen en betaling de uitkering wegens beëindiging van zijn dienstverband vormt. Eiser voert aan dat de minister aan de hand van artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt, zoals deze bepaling gold op het moment waarop de minister aan hem de last heeft opgelegd (hierna ook: artikel 1.1 van de Wnt (nieuw)), had moeten beoordelen of de uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering een dergelijke uitkering is. Voor het geval de minister met toepassing van artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt, zoals deze bepaling gold op het moment waarop Helicon en eiser de vaststellingsovereenkomst sloten (hierna ook: artikel 1.1 van de Wnt (oud)), het geldende recht heeft toegepast, voert eiser aan dat toepassing van dat recht onevenredig, willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel is. Eiser vindt toepassing van artikel 1.1 van de Wnt (oud) - in de kern - onevenredig, omdat daarin nog het door de wetgever erkende onwenselijke, voor eiser ongunstige, - met invoering van de Evaluatiewet (Ew) ongedaan gemaakte - verschil wordt gemaakt tussen uitkeringen die voortvloeien uit algemeen verbindende collectieve arbeidsovereenkomsten (cao’s) en uitkeringen die voortvloeien uit cao’s die dat niet zijn. De uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering vloeide namelijk, zo stelt eiser, uit een voor hem geldende niet algemeen verbindend verklaarde cao voort. Eiser vindt toepassing van dat recht willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel omdat de minister blijft vasthouden aan dat verschil, terwijl het een onwenselijk verschil is dat ook de wetgever erkend heeft en dat onevenredig zwaar voor hem uitpakt.\n\n9.1. De minister heeft aan de hand van artikel 1.1 van de Wnt (oud) beoordeeld of de uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering een uitkering is bij beëindiging van het dienstverband die deel uitmaakt van de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van eiser. De minister vindt dat het recht zoals dat gold op het moment waarop Helicon en eiser de vaststellingsovereenkomst sloten, het geldend recht is. Het door eiser genoemde, door de wetgever erkende, onwenselijke verschil, dat door inwerkingtreding van de Ew met terugwerkende kracht tot 1 januari 2017 tot aanpassing van artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt heeft geleid, verandert volgens de minister niet dat in dit geval artikel 1.1 van de Wnt (oud) geldt.\n\n9.2. \n\nDe rechtbank is het met de minister eens. Toen Helicon en eiser de vaststellingovereenkomst sloten gold de volgende versie van artikel 1.1 onder i van de Wnt:\n\n“Uitkering wegens beëindiging van het dienstverband: de som van uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband en beloningen betaalbaar op termijn die betrekking hebben op de beëindiging van het dienstverband, met uitzondering van uitkeringen die voortvloeien uit een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst of uit een wettelijk voorschrift”.\n\n9.2.1. De uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering vloeide niet voort uit een voor eiser geldende algemeen verbindend verklaarde cao. Eiser en de minister zijn het hierover eens. Niet ter discussie staat dat de afkoop van een BWR-uitkering op het moment waarop Helicon en eiser daarover met de vaststellingsovereenkomst afspraken maakten, niet voortvloeide uit een wettelijk voorschrift. De afkoop van een BWR-uitkering was daarom volgens artikel 1.1 van de Wnt (oud) geen uitkering die onder de uitgezonderde uitkeringen in die bepaling valt.\n\n9.2.2. \n\nOp het moment waarop de minister de last aan eiser oplegde, gold de Wnt zoals die met de Ew, die (grotendeels) op 1 juli 2017 in werking is getreden, is gewijzigd. In de Ew heeft de wetgever bepaald dat de Ew op onderdelen (herstelde verzuimen) terugwerkt tot en met de inwerkingtreding van de Wnt op 1 januari 2013 en dat aan andere (onwenselijke) onderdelen, waaronder de wijziging van artikel 1.1 onder i van de Wnt, terugwerkende kracht kan worden verleend. Met het Koninklijk Besluit van 31 mei 2017, houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de onderdelen van de Evaluatiewet WNT (Stb. 2017, 151) is aan (onder meer) de wijziging van artikel 1.1 onder i van de Wnt terugwerkende kracht verleend tot en met 1 januari 2017. Dit laatste betekent dat het gewijzigde artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt van toepassing is op afspraken over uitkeringen wegens beëindiging van het dienstverband vanaf 1 januari 2017. De afspraken die Helicon en eiser met de vaststellingsovereenkomst hebben gemaakt, zijn van\n\n23 oktober 2014. Artikel 1.1 van de Wnt (nieuw) was op de afspraken die Helicon en eiser over de beëindiging van het dienstverband van eiser hebben gemaakt dus niet van toepassing. De minister heeft daarom niet aan de hand van deze bepaling moeten beoordelen of de uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering een uitkering is bij beëindiging van het dienstverband die deel uitmaakt van de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van eiser en met toepassing van artikel 1.1 van de Wnt (oud) het geldende recht toegepast. Toepassing van dat geldend recht is niet willekeurig en onevenredig als voortschrijdend inzicht van de wetgever, dat volgens de wetsgeschiedenis naar aanleiding van de wetevaluatie reden was om artikel 1.1, aanhef en onder i, van de Wnt te wijzigen, voor later afgesproken uitkeringen tot gunstiger recht leidt. De wetgever heeft er bewust voor gekozen om deze wijziging in te laten gaan voor afspraken over uitkeringen vanaf\n\n1 januari 2017 en niet al voor afspraken over uitkeringen vanaf 1 januari 2013. Het is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel, omdat niet aannemelijk is gemaakt dat de minister in gelijke gevallen niet op dezelfde manier handelt of heeft gehandeld. De minister heeft daarom niet van toepassing van het geldend recht moeten afzien.\n\nBeroepsgrond 1 slaagt gelet op het voorgaande niet.\n\nBeroepsgrond 2:naast elkaar bestaan van ontslagvergoeding en uitkering\n\n10. Eiser is ten tweede niet met de minister eens dat artikel 2.10, eerste lid, van de Wnt en artikel 7.3, zesde lid, van de Wnt niet naast elkaar van toepassing zijn en dus ook niet dat de Wnt de ontslagvergoeding die Helicon en hij naast de uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering hebben afgesproken, niet toestaat. Eiser vindt dat de minister in strijd met het verbod van willekeur heeft gehandeld door de ontslagvergoeding van € 75.000,- deel te laten uitmaken van de uitkering over de afkoop van een BWR-uitkering. Eiser vindt dat deze constructie ook niet te verenigen is met het doel van de Wnt.\n\n10.1. De minister vindt dat de Wnt een ontslagvergoeding naast de uitkering voor afkoop van een BWR-uitkering niet toestaat en dat die uitkering een ontslagvergoeding inhoudt. Volgens de minister zijn de artikelen 2.10, eerste lid, en 7.3, zesde lid, van de Wnt niet naast elkaar van toepassing en heeft hij niet willekeurig gehandeld, omdat hij de Wnt heeft gevolgd.\n\n10.2. \n\nDe rechtbank is het ook op dit punt met de minister eens. In de artikelen 2.10, eerste lid, en artikel 7.3, zesde lid, van de Wnt stond toen Helicon en eiser de vaststellingovereenkomst sloten (en staat nog steeds) het volgende:\n\n(artikel 2.10, eerste lid, van de Wnt) “Partijen komen geen uitkeringen overeen wegens beëindiging van het dienstverband, die gezamenlijk meer bedragen dan de som van de beloning en de voorzieningen ten behoeve van beloningen betaalbaar op termijn over de twaalf maanden voorafgaand aan de beëindiging van het dienstverband, tot ten hoogste € 75 000,-\";\n\n(artikel 7.3, zesde lid, van de Wnt) “Een beding in afwijking van artikel 2.10, eerste lid, onderscheidenlijk artikel 3.7, eerste lid, is, indien het beding is overeengekomen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze wet, dan wel voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wijziging van de bijlage bij artikel 1.3, eerste lid, onderdeel d of e, of artikel 1.4, eerste lid, waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, dan wel voorafgaand aan de aanvraag van de subsidiebeschikking waardoor deze wet van toepassing is geworden op de betreffende rechtspersoon of instelling, toegestaan voor ten hoogste vier jaar na inwerkingtreding van deze wet dan wel de wijziging van de bijlage dan wel de bekendmaking van de subsidiebeschikking”.\n\n10.2.1. \n\nDe minister en eiser zijn het erover eens dat de uitkering voor de afkoop van een BWR-uitkering op grond van artikel 7.3, zesde lid, van de Wnt overgangsrechtelijk beschermd is. De minister gaat ervan uit dat ongeveer 2\u002F3 deel van de uitkering voor de afkoop van een WW- en BWR-uitkering, een bedrag van € 173.333,- van € 260.000,-, de uitkering voor afkoop van een BWR-uitkering is. Eiser bestrijdt dit niet. Dit staat dus vast tussen de minister en eiser. De rechtbank gaat daarom hiervan uit. De minister en eiser zijn het er dus over eens dat Helicon en eiser op grond van artikel 7.3, zesde lid, van de Wnt een hogere uitkering mochten afspreken dan de op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wnt toegestane maximale ontslagvergoeding van € 75.000,-, namelijk een uitkering van\n\n€ 173.333,-. In artikel 7.3, zesde lid, van de Wnt staat dat de Wnt een andere (lees: hogere) uitkering dan een uitkering wegens beëindiging van een dienstverband van € 75.000,- toestaat onder de voorwaarden die in die bepaling zijn genoemd. Daarin staat niet dat naast de ontslagvergoeding die op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wnt is toegestaan, nog een ander beding is toegestaan. De minister heeft daarom de maximale ontslagvergoeding die eiser op grond van artikel 2.10, eerste lid, van de Wnt mocht ontvangen, te weten\n\n€ 75.000,-, inbegrepen kunnen zien in het bedrag van € 173.333,- dat eiser als hogere, op grond van overgangsrecht toegestane, uitkering wegens beëindiging van zijn dienstverband mocht krijgen. De minister heeft, door volgens de Wnt te handelen, niet in strijd met het verbod van willekeur en het doel van de Wnt gehandeld.\n\nBeroepsgrond 2 slaagt daarom niet.\n\nBeroepsgrond 3: meenemen vergoeding niet-naleven ontslagtermijn en pensioenbetaling\n\n11. Volgens eiser heeft de minister ten derde de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van zijn pensioen ten onrechte als uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband aangemerkt die, samen met de uitkering voor afkoop van een BWR-uitkering en de ontslagvergoeding, de uitkering wegens beëindiging van zijn dienstverband zijn als bedoeld in artikel 1.1 onder i van de Wnt, omdat deze uitkeringen voortvloeiden uit een wettelijk voorschrift.\n\nOver de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn voert eiser aan dat het een uitkering is die voortvloeide uit artikel 16, derde lid, jo artikel 24, vijfde lid, van de Werkeloosheidswet (oud), nader uitgewerkt in de beleidsregel over de toepassing van artikel 16, derde lid en artikel 24, vijfde lid, Werkeloosheidswet 2006. Over deze vergoeding voert eiser ook aan dat het een schadevergoeding is voor onrechtmatig handelen.\n\nOver de betaling aan het ABP ten gunste van zijn pensioen voert eiser, onder verwijzing naar de berekening van [naam 1] , Senior Pensioenadviseur APG van 2 maart 2020, aan dat de uitkering een achterstallige betaling van pensioenpremies is.\n\n11.1. \n\nVolgens de minister wordt met de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser de maximaal door de Wnt toegestane uitkering wegens beëindiging van het dienstverband verder overschreden. De minister vindt dat van een mogelijke benadeling van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV), die eiser met het afspreken van de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn heeft willen voorkomen, geen sprake kan zijn, omdat eiser in ruil voor de afkoop van een WW- en BWR-uitkering geen aanspraak kan maken op een WW- en BWR-uitkering. De minister vindt niet aangetoond dat de betaling aan het ABP ten gunste van het pensioen van eiser ziet op achterstallige betalingen van pensioenpremies en baseert zich op de brief van\n\n [naam 2] , Senior Pensioenadviseur ABP van 2 september 2014. De minister ziet de betaling als een afdracht om een ruimte voor ABP ExtraPensioen te vullen.\n\n11.2. De rechtbank is het ook in zoverre met de minister eens. Met de vaststellingsovereenkomst hebben Helicon en eiser afgesproken dat Helicon aan eiser een bedrag uitkeert van € 260.000,- om een WW- en BWR-uitkering af te kopen. Eiser moest daarom niet, om aan artikel 16, derde lid, jo artikel 24, vijfde lid, van de Werkeloosheidswet 2006 te voldoen, een uitkering afspreken voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn om te voorkomen dat - door de ontslagtermijn niet na te leven - het Algemeen Werkeloosheidsfonds, waaruit het UWV WW- en BWR-uitkeringen uitkeert, zou worden benadeeld. Eiser maakte door de uitkering van een bedrag voor de afkoop van een WW- en BWR-uitkering namelijk geen aanspraak meer op een WW- en BWR-uitkering uit het Algemeen Werkeloosheidsfonds, zodat de uitkering voor het niet-naleven van de ontslagtermijn (al daarom) niet uit de genoemde bepaling en dus niet uit een wettelijk voorschrift voortvloeide.\n\n11.2.1. Voor zover eiser met een schadevergoeding voor onrechtmatig handelen bedoelt dat de uitkering voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn een uitkering is die voortvloeide uit artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, ziet de rechtbank geen aanleiding om deze opvatting van eiser te volgen. Omdat, weliswaar op uitdrukkelijk initiatief van Helicon maar met wederzijds goedvinden, is afgesproken dat de arbeidsovereenkomst van eiser op 1 januari 2015 eindigt, zoals in de vaststellingsovereenkomst staat, ziet de rechtbank geen reden om aan te nemen dat het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn (nog) een onrechtmatige daad, als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek, oplevert. Ook daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat dit moet worden aangemerkt als een uitkering die voortvloeide uit een wettelijk voorschrift.\n\n11.2.2. \n\nUit de brief van [naam 1] volgt dat Helicon met de betaling aan het ABP ten gunste van het pensioen van eiser de fiscale ruimte voor ABP ExtraPensioen in 2014 heeft gebruikt. [naam 1] heeft in zijn brief de fiscale ruimte voor ABP ExtraPensioen berekend en vastgesteld dat deze ruimte in 2014 € 40.724,- was, dat de werkgever van eiser dit bedrag heeft gestort en dat dit bedrag mocht worden gestort binnen de op dat moment geldende fiscale ruimte.\n\nUit de brief van [naam 2] is af te leiden dat de fiscale ruimte voor ABP ExtraPensioen een fiscale ruimte is om extra pensioen op te bouwen. [naam 2] heeft in zijn brief berekend wat de pensioenderving is als eiser 65 jaar is en op 1 november 2014 wordt ontslagen. Hij schrijft dat als de pensioenderving moet worden ingekocht de extra inleg voor ABP ExtraPensioen eenmalig € 139.435,- bedraagt, dat de fiscale ruimte voor extra inleg in ABP ExtraPensioen in 2014 € 40.724,- is en dat deze ruimte niet groot genoeg is om de pensioenderving te kunnen inkopen. Gelet op wat [naam 1] en [naam 2] hebben geschreven, vindt de rechtbank met de brief van [naam 1] niet aannemelijk gemaakt dat de betaling aan het ABP ten gunste van het pensioen van eiser een betaling van achterstallige pensioenpremies is. Uit de beide brieven blijkt dat Helicon met de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser een betaling heeft gedaan voor extra pensioen voor eiser door opvulling van een fiscale ruimte die daarvoor in 2014 bestond.\n\nBeroepsgrond 3 slaagt daarom niet.\n\nTussenconclusie 1\n\n12. De minister heeft de uitkering voor de afkoop van de BWR-uitkering, de ontslagvergoeding, de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser terecht als uitkeringen bij beëindiging van het dienstverband aangemerkt. Samen vormen zij de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van eiser als bedoeld in artikel 1.1 onder i van de Wnt, zoals deze bepaling gold toen Helicon en eiser de vaststellingsovereenkomst sloten. Wat eiser hierover verder nog heeft aangevoerd en hiervoor niet besproken is, kan niet tot een ander oordeel leiden. Over de uitkering voor de afkoop van een WW-uitkering zijn de minister en eiser het eens. Deze uitkering is daarom hiervoor niet besproken.\n\n12.1. \n\nDit betekent dat de ontslagvergoeding, de vergoeding voor het niet-naleven van de wettelijke ontslagtermijn en de betaling aan het ABP ten gunste van de pensioenvoorziening van eiser uitkeringen zijn die Helicon en eiser niet hebben mogen afspreken bij beëindiging van het dienstverband van eiser. De som van deze uitkeringen, een bedrag van\n\n€ 137.524,-, komt namelijk uit boven de maximale ontslagvergoeding die de Wnt in het geval van eiser toestond, te weten een bedrag van € 173.333,- en dus is de Wnt overtreden. Omdat de overtreding van de Wnt nog bestond op het moment waarop de minister eiser de last oplegde, was de minister bevoegd de last aan eiser op te leggen om de uitkering wegens beëindiging van het dienstverband van eiser in overeenstemming met de Wnt te krijgen.\n\nMocht de minister zijn bevoegdheid toepassen?\n\n13. De minister moet in geval van een overtreding in de regel van zijn bevoegdheid gebruik maken. Alleen als sprake is van bijzondere omstandigheden mag de minister toepassing van zijn bevoegdheid achterwege laten.\n\n14. Eiser bestrijdt dat de minister toepassing heeft mogen geven aan zijn bevoegdheid en heeft daarover de volgende beroepsgronden aangevoerd.\n\nBeroepsgrond 4: reikwijdte van de last\n\n15. Eiser vindt dat de minister hem de last onder dwangsom niet heeft mogen opleggen, omdat de last verder strekt dan herstel van de overtreding. Eiser voert aan dat hij het bedrag van € 137.524,- niet heeft gekregen, omdat het een brutobedrag is en dat hij netto maar\n\n€ 50.336,- heeft gekregen. Hij is het er niet mee eens dat hij contact moe(s)t opnemen met het ABP en de Belastingdienst over de terugbetaling van het verschil tussen genoemde bedragen. Hij stelt dat hij de 50% loonbelasting die Helicon heeft afgedragen niet meer kan terugkrijgen, omdat de belastingwetgeving is gewijzigd en hij daarom nog maar 30% van de afgedragen loonbelasting kan terugkrijgen en dat de fiscale situatie terugdraaien alsof eiser het bedrag van € 137.524,- niet zou hebben gekregen niet geldt voor de betaling aan het ABP.\n\n15.1. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser inmiddels aan de last heeft voldaan en dat in deze procedure niet aan de orde kan zijn hoe eiser het verschil tussen genoemde bedragen kan terugkrijgen van het ABP en de Belastingdienst.\n\n15.2. De rechtbank is van oordeel dat de last niet verder strekt dan herstel van de overtreding. De last gaat namelijk niet verder dan het ongedaan maken van de door de minister geconstateerde overtreding van de Wnt door het bedrag van € 137.524,-, dat Helicon en eiser in strijd met de Wnt als ontslagvergoeding hebben afgesproken, door eiser aan Helicon terug te laten betalen. Dat dit bedrag een brutobedrag is waarvan eiser maar een deel netto uitbetaald heeft gekregen, verandert dat niet. Eiser heeft verder met de berekening belastingschade van 8 april 2021 van [naam 3] , belastingadviseur, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zijn fiscale situatie niet meer kan worden teruggebracht naar de situatie waarin hij het bedrag van € 137.524,- nog niet had ontvangen. Deze berekening geeft de visie van [naam 3] weer op de fiscale situatie van eiser, maar hieruit blijkt niet dat de Belastingdienst in de specifieke situatie van eiser de mogelijkheid van het terugbrengen van de fiscale situatie van eiser naar die van vóórdat eiser genoemd bedrag heeft ontvangen ook niet meer ziet. De minister heeft bij het gebruikmaken van zijn bevoegdheid om eiser te gelasten dat bedrag aan Helicon terug te betalen, al daarom er geen rekening mee kunnen en hoeven te houden dat de fiscale situatie van eiser niet kan worden teruggebracht naar die van vóór de ontvangst van genoemd bedrag. Eén van de gemachtigden van eiser heeft op de zitting weliswaar nog gezegd dat hij stukken kan overleggen om te onderbouwen dat de fiscale situatie van eiser niet kan worden teruggebracht naar de situatie van voor de betaling van € 137.524,-, maar daarvoor heeft de rechtbank hem geen termijn meer gegeven. De gemachtigde had dit eerder kunnen doen. De rechtbank is niet gebleken dat dit niet kon. De betaling aan het ABP ten gunste van het pensioen van eiser is niet teruggedraaid. Eiser hoeft dus niet te zien hoe hij deze betaling terugkrijgt. Deze betaling komt nog steeds ten gunste van zijn pensioen.\n\nBeroepsgrond 4 slaagt daarom niet.\n\nBeroepsgrond 5: bijzondere omstandigheden\n\n16. Eiser vindt dat zich in elk geval bijzondere omstandigheden voordoen op grond waarvan de minister van het opleggen van de last had moeten afzien. Hij voert aan dat de omstandigheden dat Helicon en hij tijdens de onderhandeling over de vaststellingsovereenkomst deskundige bijstand hebben gevraagd en afgesproken hebben dat eventuele aansprakelijkheden die voortvloeien uit de Wnt voor rekening van Helicon komen zulke omstandigheden zijn. Eiser vindt het onevenredig dat de minister hem het bedrag van € 137.524,-, ondanks de afspraken die Helicon en hij daarover hebben gemaakt, als onverschuldigd betaald aan Helicon laat terugbetalen. Eiser verwijst in dit verband ook naar alles wat hij al eerder heeft aangevoerd.\n\n16.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de Wnt dwingend voorschrijft wat het bedrag van een maximale ontslaguitkering is, afspraken in strijd met de Wnt op grond van de Wnt nietig zijn, eiser op de afspraak over eventuele aanspraken die voortvloeien uit de Wnt dus geen beroep kan doen en dat die afspraak daarom geen bijzondere omstandigheid kan zijn.\n\n16.2. De rechtbank heeft vastgesteld dat het bedrag van € 137.524,- uitkomt boven de maximale ontslagvergoeding die de Wnt aan eiser toestond en dat eiser dit bedrag in strijd met de Wnt heeft ontvangen. Helicon en eiser mochten deze afspraken dan ook niet maken. Afspraken over deze uitkeringen en afspraken die daarmee verband houden zijn daarom geen bijzondere omstandigheden die de minister hadden moet laten afzien van het toepassen van zijn bevoegdheid om aan eiser een last onder dwangsom op te leggen. Dat Helicon en eiser bij het maken van die afspraken zijn bijgestaan door deskundigen, maakt dat niet anders. Dat gegeven verandert namelijk niet dat Helicon en eiser die afspraken niet hebben mogen maken. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken van bijzondere omstandigheden die de minister redelijkerwijs hadden moeten tegenhouden de last aan eiser op te leggen.\n\nOok beroepsgrond 5 slaagt dus niet.\n\nTussenconclusie 2\n\n17. De minister mocht zijn bevoegdheid om de last aan eiser op te leggen dus toepassen.\n\n2) Openbaarmaking van de last onder dwangsom en het bestreden besluit\n\n18. De minister heeft op de zitting gezegd dat hij over de openbaarmaking van de last onder dwangsom nog een appellabel besluit gaat nemen. Dit houdt in dat de minister niet blijft bij het bestreden besluit voor zover het over de openbaarmaking van de last en de openbaarmaking van het bestreden besluit gaat. Het bestreden besluit kan daarom al op deze twee punten niet in stand blijven. De rechtbank merkt hierbij op dat zij het beroep van eiser uit efficiëntieoverwegingen ook heeft aangemerkt als een rechtstreeks beroep tegen de beslissing van de minister om het bestreden besluit openbaar te maken. Deze beslissing is namelijk een besluit in primo.\n\nEindconclusie en gevolgen\n\n19. Het beroep is gegrond. Zoals hiervoor al gezegd kan het bestreden besluit namelijk op twee punten niet in stand blijven. De rechtbank gaat het bestreden besluit daarom op deze twee punten vernietigen. 1) De rechtbank gaat het bestreden besluit voor zover het over de openbaarmaking van de last onder dwangsom gaat vernietigen en zelf voorziend het besluit van 6 juli 2020 op dit punt herroepen. 2) De rechtbank gaat ook de beslissing om het bestreden besluit openbaar te maken vernietigen. Dit betekent dat er na de bekendmaking van deze uitspraak geen openbaarmakingsbeslissingen meer zijn. De rechtbank gaat de minister niet opdragen een nieuw openbaarmakingsbesluit te nemen. Het staat de minister vrij al dan niet een nieuwe openbaarmakingsbeslissing te nemen waartegen eiser desgewenst bezwaar en (hoger)beroep kan instellen.\n\n19.1. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand. Dit betekent dat de rechtbank oordeelt dat de minister van eiser heeft kunnen vragen een bedrag van € 137.524,- aan Helicon terug te betalen. De rechtbank stelt in zoverre dus de minister en derde-partij in het gelijk.\n\n20. Omdat het beroep gegrond is, moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser een vergoeding voor zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.674,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (tweemaal 1 punt met een waarde van € 837,- per punt).\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover het besluit gaat over de openbaarmaking van de last onder dwangsom, voorziet zelf in de zaak door het besluit van 6 juli 2020 op dit punt te herroepen en stelt deze uitspraak in zoverre in de plaats van het vernietigde deel van het bestreden besluit;\n\n- vernietigt de beslissing van de minister om het bestreden besluit openbaar te maken;\n\n- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 178,- aan eiser vergoedt;\n\n- veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van € 1.674,- voor vergoeding van de gemaakte proceskosten.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. G. Leijten, voorzitter, mr. A. Snijders en\n\nmr. E.M.J. Hardy, leden, in aanwezigheid van mr. A.W.C.M. Frings, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2023\n\ngriffier voorzitter\n\nEen afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 31 augustus 2023\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak kan tegen de uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij kan dat doen met een brief, hoger beroepschrift genoemd, waarin zij uitlegt waarom zij het in zoverre niet eens is met de uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2023:5890","ecli-nl-rblim-2023-5890",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,30,41,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":25,"language":12,"source":13,"sourceUrl":26,"summary":6,"slug":27,"metadata":28},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":8,"legalDomain":29,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":31,"ecli":32,"caseNumber":33,"courtId":34,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":35,"language":36,"source":37,"sourceUrl":6,"summary":38,"slug":39,"metadata":40},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":42,"ecli":43,"caseNumber":6,"courtId":44,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":45,"language":12,"source":13,"sourceUrl":46,"summary":6,"slug":47,"metadata":48},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":49,"legalDomain":50,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":24,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]