[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rblim-2026-4905":3,"decision-more-ecli-nl-rblim-2026-4905":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1257","ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","",74,"Maastricht","maastricht","2026-05-21T00:00:00.000Z","RECHTBANKLIMBURG\n\nCiviel recht\n\nKantonrechter\n\nZittingsplaats Maastricht\n\nZaaknummer \u002F rekestnummer: 12098846 \\ AZ VERZ 26-27\n\nBeschikking van 21 mei 2026\n\nin de zaak van\n\n [werkgever] BV,\n\nte [plaats 1] ,\n\nverzoekende partij,\n\nverwerende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werkgever] ,\n\ngemachtigde: [gemachtigde] bc,\n\ntegen\n\n [werknemer],\n\nte [plaats 2] ,\n\nverwerende partij,\n\nverzoekende partij in het (voorwaardelijk) tegenverzoek,\n\nhierna te noemen: [werknemer] ,\n\ngemachtigde: mr. C.A.H. Lemmens.\n\nDe zaak in het kort\n\nIn deze zaak verzoekt de werkgever om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten een verstoorde arbeidsverhouding. Aan de werknemer wordt een billijke vergoeding toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift met bijlagen 1 tot en met 8\n\n- het verweerschrift, met een (voorwaardelijk) tegenverzoek met bijlagen 1 tot en met 27 - de door [werkgever] overgelegde aanvullende bijlagen 9 tot en met 15\n\n- de spreekaantekeningen van de heer Wassen\n\n- de mondelinge behandeling van 30 april 2026, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt.\n\n1.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. \n [werknemer] , geboren op [datum] 1967, is sinds 1 november 1998 in dienst bij [werkgever] . De functie van [werknemer] is Management- en P&O assistente met een loon van € 4.840,01 bruto per maand (exclusief 8% vakantietoeslag).\n\n2.2.. De werkzaamheden van [werknemer] bestaan uit directiesecretariaat, HR-administratie en wagenparkbeheer. Daarnaast is zij vertrouwenspersoon binnen [werkgever] .\n\n2.3.. In het functioneringsverslag 2023\u002F2024 heeft de (toenmalige) leidinggevende van [werknemer] haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een lage score gegeven. Verder staat er bij “Focuscompetenties” het volgende vermeld:\n\n“Focus besproken tijdens Functioneringsgesprek:\n\nReflectie en communicatie: Zoals aangegeven de communicatie met sommige medewerkers gaat niet altijd vlekkeloos. Dit wil niet zeggen dat je niet duidelijk moet communiceren dat dingen bv niet kunnen, maar het is de toon die de muziek maakt en dit is soms wat te aanvallend, wat sommige medewerkers erg afschrikt.”\n\n2.4.. In het functioneringsverslag 2024\u002F2025 heeft de (huidige) leidinggevende van [werknemer] , de heer [leidinggevende] (hierna; [leidinggevende] ), haar voor de competenties “communicatief en sociaal vaardig”, “connected”, “klantgericht” en “samenwerking & communicatie” een midden score gegeven. Verder heeft [leidinggevende] [werknemer] op sommige competenties een hogere score gegeven dan [werknemer] zichzelf had gegeven.\n\n2.5.. Op 6 augustus 2025 heeft [werkgever] voor [werknemer] een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV op grond van bedrijfseconomische omstandigheden. [werkgever] heeft hierin aangevoerd dat de functie van [werknemer] is komen te vervallen doordat de werkzaamheden voor het wagenpark binnen een andere afdeling zijn ondergebracht en haar andere werkzaamheden onder collega’s zijn verdeeld.\n\n2.6.. Op 13 augustus 2025 is het bedrijfsaccount van [werknemer] in opdracht van de heer [directeur] (hierna: [directeur] ), directeur bij [werkgever] , vergrendeld.\n\n2.7.. \n [werknemer] heeft zich op 14 augustus 2025 ziek gemeld.\n\n2.8.. Het UWV heeft op 15 december 2025 geweigerd om toestemming te geven om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen. In deze beslissing staat - onder meer - het volgende:\n\n“Financiële situatie\n\n(…)\n\nUit de overgelegde cijfers maken wij op dat bij werkgever in de jaren 2022 tot en met 2024 er sprake is geweest van een negatief bedrijfsresultaat. Werkgever heeft nagelaten de verzochte 26-weken prognoses resultatenrekening van de onderneming bij gewijzigd en ongewijzigd beleid te overleggen. (…) Het is ons onduidelijk welk resultaat werkgever precies beoogt te bewerkstelligen met het voorgenomen ontslag van werknemer en of deze maatregel in verhouding staat tot de resultaten.\n\nHet is ons daarnaast niet duidelijk geworden aan de hand van de uitleg van werkgever en de door hem overgelegde stukken, waarom er op dit specifieke moment dient te worden ingegrepen en waarom het verval van de functie van de werknemer noodzakelijk en doelmatig is. (…) Waarom een besparing specifiek op de functie van werknemer zou moeten zien, volgen wij niet uit de stukken. Daarnaast is gebleken dat nieuwe werknemers zijn aangenomen na indiening van de ontslagaanvraag. Ook op de afdeling van werknemer. Een en ander draagt niet bij aan het inzicht tot noodzaak van het verval van de arbeidsplaats van werknemer.\n\n(…)\n\nOntslagvolgorde\n\n(…)\n\nNaar onze mening is niet helder onderbouwd wat de functie van werknemer is en wat haar taken zijn. Werknemer heeft verschillende stukken overgelegd waaruit haar functie en de invulling daarvan blijken. Werkgever heeft echter nagelaten de invulling van de functie met consistente stukken te onderbouwen. Onduidelijk blijft daarom of er sprake is van een unieke functie of een duobaan en of het afspiegelingsbeginsel had moeten worden toegepast. (…)”\n\nEindoordeel\n\nWij vinden dat er geen redelijke grond voor het ontslag van werknemer is.”\n\n2.9.. De bedrijfsarts heeft in zijn terugkoppeling van de spreekuren van 29 oktober 2025, 17 december 2025 en 26 januari 2026 geadviseerd om mediation te starten omdat het arbeidsconflict in de weg staat aan re-integratie.\n\n2.10.. \n [werkgever] heeft op 6 februari 2026 een offerte voor mediation ondertekend.\n\n2.11.. \n [werkgever] heeft op 13 februari 2026 het ontbindingsverzoek ingediend.\n\n2.12.. De bedrijfsarts heeft [werkgever] op 9 maart 2026 in de terugkoppeling van het spreekuur het volgende laten weten:\n\n“In het vorige consult in mediation geadviseerd, naar ik heb vernomen heeft dit nog niet plaatsgevonden.”\n\n3. Het verzoek, het verweer en het (voorwaardelijk) tegenverzoek\n\n3.1.. \n [werkgever] verzoekt - na intrekking van het primaire verzoek en na hernummering -:\n\nprimair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van een verstoorde arbeidsverhouding (g-grond), met toekenning van de transitievergoeding en zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nsubsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van disfunctioneren (d-grond), zonder toekenning van een billijke vergoeding;\n\nmeer subsidiair: de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op grond van de combinatiegrond (i-grond), met toekenning van de wettelijke cumulatievergoeding;\n\nuiterst subsidiair: indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van [werknemer] wordt ontbonden, de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto toe te wijzen en de verzochte billijke vergoeding aanzienlijk te matigen;\n\nde verzochte werkelijke advocaatkosten af te wijzen en de proceskosten te begroten conform het liquidatietarief.\n\n3.2.. \n [werkgever] heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de arbeidsverhouding verstoord is geraakt doordat er grote twijfels zijn over de integriteit van [werknemer] . Zowel bij [directeur] als bij de directieleden, het MT en de HR-afdeling is geen vertrouwen meer in [werknemer] . Daardoor kan van [werkgever] niet meer worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Verder is [werknemer] meerdere keren gewaarschuwd dat er een gebrek is aan integriteit en dat zij niet met vertrouwelijke informatie om kan gaan. Ondanks deze waarschuwingen heeft dit niet tot enige verbetering in haar functioneren geleid. Ook moesten haar werkzaamheden ten aanzien van het wagenparkbeheer steeds worden gecontroleerd omdat die niet juist waren uitgevoerd. Daardoor is eveneens sprake van disfunctioneren van [werknemer] .\n\n3.3.. \n [werknemer] verweert zich tegen het verzoek en stelt dat de verzochte ontbinding primair moet worden afgewezen. [werknemer] voert aan - samengevat - dat sprake is van een opzegverbod omdat zij al voor de officiële ziekmelding van 14 augustus 2025 spanningsklachten had door de samenwerking met [directeur] . Verder is de verstoring van de arbeidsverhoudingen door [werkgever] veroorzaakt doordat [werkgever] onaangekondigd en onverwacht haar account heeft geblokkeerd, heeft verzocht haar te ontheffen als vertrouwenspersoon en op oneigenlijke gronden een procedure bij het UWV is gestart. [werknemer] betwist verder dat sprake zou zijn van disfunctioneren. De waarschuwingen waarnaar [werkgever] verwijst, heeft [werknemer] nooit ontvangen. Bovendien heeft zij altijd goede functioneringsbeoordelingen gekregen.\n\n3.4.. \n\nVoor het geval de arbeidsovereenkomst toch wordt ontbonden, verzoekt [werknemer] om:\n\nI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. voor zover de ontbinding plaatsvindt op de i-grond, de maximale cumulatievergoeding toe te kennen;\n\nV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVII. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.5.. \n\n [werknemer] heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend voor het geval het ontbindingsverzoek van [werkgever] wordt afgewezen of het verzoek door [werkgever] wordt ingetrokken. Voor dat geval verzoekt zij:\n\nI. de arbeidsovereenkomst te ontbinden op grond van 7:671c BW onder toekenning van de transitievergoeding van € 48.212,29 bruto;\n\nII. [werkgever] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van\n\n € 230.438,00 bruto aan inkomensschade;\n\n € 103.872,00 bruto aan pensioenschade;\n\n € 15.000,00 netto aan immateriële schadevergoeding;\n\nIII. bij het bepalen van de einddatum rekening te houden met de opzegtermijn van vier maanden en zonder aftrek van de proceduretijd;\n\nIV. [werkgever] te veroordelen in de gemaakte kosten van rechtsbijstand van € 13.387,61;\n\nV. [werkgever] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente vanaf tijdstip van opeisbaarheid over de hierboven genoemde vergoedingen;\n\nVI. [werkgever] te veroordelen in de proceskosten.\n\n4. De beoordeling van het verzoek\n\nDe zaak in het kort\n\n4.1.. Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden.\n\n4.2.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden wegens een duurzaam verstoorde arbeidsverhouding. Die is echter niet het gevolg van enig handelen van [werknemer] , maar juist van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] . Daarom zal aan [werknemer] niet alleen een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto, maar ook een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto worden toegewezen, uitgaande van een ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 oktober 2026. De kantonrechter zal hierna uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen.\n\nOpzegverbod\n\n4.3.. \n [werknemer] stelt dat sprake is van een opzegverbod. [werkgever] stelt zich op het standpunt dat [werknemer] zich op 14 augustus 2025 ziek heeft gemeld en dat deze datum na de datum van de indiening van de ontslagaanvraag bij het UWV op 6 augustus 2025 ligt. Het ontbindingsverzoek is vervolgens tijdig na afwijzing van de ontslagaanvraag ingediend, zodat [werknemer] zich ingevolge het bepaalde in artikel 7:670 eerste lid onder b BW jo 7:671 b lid 7 BW niet op het opzegverbod kan beroepen.\n\n4.4.. \n\nDe Hoge Raad heeft in zijn arrest van 18 februari 2022onder rechtsoverweging 3.5.3. inderdaad geoordeeld dat artikel 7:671b lid 7 BW ruimte laat voor een ontbinding op de a-grond als de werknemer al eerder, doch na de ontslag aanvraag bij het UWV, ziek is geworden. Echter, [werkgever] verzoekt niet langer ontbinding op de a-grond, maar op andere gronden. In dat geval geldt het opzegverbod wegens ziekte onverkort.\n\nNiettemin kan de kantonrechter een door de werkgever ingediend ontbindingsverzoek verzoek toewijzen, indien:\n\n- het verzoek geen verband houdt met omstandigheden waarop het opzegverbod betrekking heeft; of\n\n- sprake is van omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst in het belang van de werknemer behoort te eindigen.\n\n4.5.. De kantonrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een situatie waarin het in het belang van [werknemer] wordt geacht dat de arbeidsovereenkomst eindigt. Uit het hierboven weergegeven feitenrelaas blijkt immers dat de bedrijfsarts meerdere malen heeft benoemd dat sprake is van een arbeidsconflict. De bedrijfsarts dringt al maanden aan om dat conflict (middels mediation) op te lossen, maar [werkgever] heeft daarmee niets gedaan. [werknemer] heeft ook zelf in haar voorwaardelijk tegenverzoek om ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht. Daarnaast heeft [werknemer] ter zitting verklaard dat terugkeer bij [werkgever] niet meer mogelijk is. Onder die omstandigheden komt het de kantonrechter voor dat het niet (meer) in het belang van [werknemer] is om voortzetting van het dienstverband na te streven.\n\nDe arbeidsovereenkomst wordt ontbonden\n\n4.6.. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is.Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt.\n\n4.7.. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden. [werknemer] heeft erkend dat inmiddels sprake is van een zodanige verstoring van de arbeidsverhouding dat een voortzetting daarvan niet meer mogelijk is. Zij heeft ook zelf ontbinding van de arbeidsovereenkomst verzocht als voorwaardelijk tegenverzoek. Herplaatsing van [werknemer] ligt daarmee ook niet in de rede.\n\nDe transitievergoeding wordt toegewezen\n\n4.8.. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] recht heeft op een transitievergoeding van € 48.212,29 bruto. Het verzoek om [werkgever] te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt daarom toegewezen. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.\n\nDe billijke vergoeding\n\nErnstig verwijtbaar handelen van [werkgever]\n\n4.9.. De kantonrechter ziet aanleiding om aan [werknemer] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen.In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Dat wordt als volgt toegelicht.4.10.. \n [werkgever] heeft voorafgaand aan het ontbindingsverzoek een ontslagaanvraag ingediend bij het UWV om bedrijfseconomische redenen. De toestemming om de arbeidsovereenkomst met [werknemer] op te zeggen is door het UWV geweigerd, onder meer omdat de aanvraag onvoldoende onderbouwd was. Vervolgens heeft [werkgever] een ontbindingsverzoek ingediend waarbij zij oorspronkelijk als primaire grond de bedrijfseconomische omstandigheden (a-grond) had aangevoerd. Deze grond heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daar heeft [werkgever] ook verklaard dat zij voor de route van het UWV had gekozen om daarna met [werknemer] te kunnen onderhandelen over een minnelijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst.\n\n4.11.. Niet alleen heeft [werkgever] , na indiening van de ontslagaanvraag, geen onderhandelingen met [werknemer] gevoerd, zij heeft in haar verzoekschrift ook geen onderbouwing van de bedrijfseconomische omstandigheden gegeven en heeft net zo makkelijk deze grond op de mondelinge behandeling ingetrokken. Daarmee is duidelijk dat de bedrijfseconomische noodzaak een farce is geweest en [werkgever] om andere redenen de arbeidsovereenkomst met [werknemer] wenste te beëindigen. Dat blijkt ook uit de stukken die [werkgever] - na lang aandringen - aan het UWV heeft verstrekt (en niet allemaal bij het verzoekschrift heeft overgelegd) en de motivering van het UWV van de afwijzing van de ontslagaanvraag.\n\n4.12.. Vast staat dat [werkgever] van [werknemer] af wil. Dat is door [werkgever] ook met zoveel woorden erkend. Als reden daarvoor heeft [werkgever] op de mondelinge behandeling aangevoerd dat “ [werknemer] vanwege haar hechte relatie als directiesecretaresse van de vorige bestuurder van [werkgever] , niet zonder meer gehandhaafd kon worden in een vertrouwelijke positie aan het directiesecretariaat van een organisatie in herstel.” Zoals onder rechtsoverweging 4.6 reeds is overwogen, kan een arbeidsovereenkomst alleen ontbonden worden als er sprake is van een in de wet genoemde grond. De door [werkgever] aangevoerde werkelijke reden valt niet onder een van de in de wet genoemde gronden.\n\n4.13.. \n [werkgever] heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van disfunctioneren en een (door toedoen van [werknemer] ) verstoorde arbeidsverhouding. De kantonrechter merkt op dat veel feiten en omstandigheden die aan het ontbindingsverzoek op deze gronden ten grondslag zijn gelegd, niet zijn onderbouwd met concrete voorbeelden of voorvallen. Zo benoemt [werkgever] als reden voor de verstoring van de arbeidsverhouding de door [werknemer] aangehaalde citaten van collega’s in haar UWV-verweer. Op welke citaten [werkgever] doelt, is niet duidelijk geworden. Ook zou het gaan om “tal van incidenten” die de verstoorde relatie met [directeur] duidelijk maken en dat er “oeverloze gesprekken” met [werknemer] zijn geweest. Uit dit alles leidt [werkgever] af dat [werknemer] een onbetrouwbare werknemer zou zijn. Om welke incidenten het zou gaan en waar de gesprekken over zijn gevoerd, heeft [werkgever] niet nader onderbouwd. Bovendien volgt uit de functioneringsverslagen dat [werknemer] in haar langdurige dienstverband (van zevenentwintig jaar) nimmer negatieve beoordelingen heeft ontvangen.\n\n4.14.. \n\n [werkgever] beroept zich verder op een waarschuwing, die zij op 26 november 2024 aan [werknemer] zou hebben gestuurd, en op een brief van 12 februari 2025.In de brief van 26 november 2024 staat - voor zover van belang - :\n\n“In dit gesprek is het voorval van woensdag 6 november jl. met jou besproken. Op deze woensdag heeft er een gesprek plaats gevonden tussen [directeur] , [naam 1] en jouwzelf omtrent oproer over de teambuilding activiteit van het management op 22 november aanstaande. Aanleiding van dit gesprek was een gesprek wat jij [werknemer] eerder die dag hebt gevoerd met [naam 2] .\n\nIn dit gesprek met [naam 2] zou onder meer zijn aangegeven dat de activiteit gevaarlijk zou zijn en dat “niemand er zin in zou hebben”. Deze strekking heeft ook [directeur] bereikt, waarna deze met jullie in gesprek is gegaan op zijn kantoor. Ook in dit gesprek met [directeur] zou gezegd zijn dat “niemand er zin in zou hebben”.\n\n(…)\n\nTevens blijkt uit jou verhaal dat [naam 2] het onderwerp van de teambuilding aangesneden zou hebben, echter blijkt na verificatie hiervan dat jij diegene bent die het onderwerp gestart is met [naam 2] , met daarin een behoorlijke kleur over wat je van de teambuildingsactiviteit vond, en dat je hiermee een bepaalde boodschap wilde overbrengen.\n\nBinnen jouw rol ben je onderdeel van het HR team. Bij een dergelijke rol wordt verwacht dat je op een positieve manier en constructieve manier spreekt over de organisatie en dat je onderwerpen discreet behandeld. Hierbij hoort dan ook geen stemming makerij of je mening over “vertrouwelijke” dan wel directie aangelegenheden ventileren binnen de organisatie.\n\nVoor bovenstaande ontvang je dan ook een officiële waarschuwing en willen we met stipt benadrukken dat dergelijk gedrag niet passend is binnen de rol maar ook niet binnen de [werkgever] organisatie.\n\nWe gaan ervan uit dat je gedrag hierin een positieve draai aanneemt en dat een dergelijke situatie als bovenstaande zich niet meer zal voortdoen.”\n\n4.15.. In de brief van 12 februari 2025 staat - voor zover van belang - het volgende vermeld:\n\n“Pro activiteit rondom wagenpark beheer:\n\n [werknemer] is vaak afwachtend. Rondom wagenparkbeheer taken moet er door [directeur] vaak meerdere keren actief gestuurd worden alvorens er actie wordt ondernomen. Opdrachten die worden uitgevoerd zijn vaak onvolledig of niet uitgevoerd zoals bedoeld.\n\n(…)\n\nFaciliterende rol en geen beleidsrol:\n\n [werknemer] heeft vaak de neiging om beleidsbeslissingen in twijfel te trekken, zonder hieromtrent ook maar de vraag te stellen wat ertoe heeft geleid dat deze beslissing is genomen.\n\nDaarbij ventileert zij haar mening hierover openlijk en niet altijd op de juiste plek of bij de juiste personen.\n\nGesproken over dat zij onderdeel is van het HR team en dat hier discretie is gevraagd. (…) Besproken is dat dit de tweede keer is dat zij hieromtrent wordt aangesproken en dat bij de derde keer er naar een andere oplossing gekeken dient te worden.\n\nGeregeld eerder weg:\n\nGeconstateerd is dat [werknemer] vaak eerder weg is als directie ook niet meer aanwezig is.\n\n(…)”\n\n4.16.. \n [werknemer] betwist dat de inhoud van de brief van 12 februari 2025 met haar is besproken. Bovendien heeft zij de ontvangst van de beide brieven betwist. [werkgever] heeft vervolgens twee foto’s van een beeldschermovergelegd, waaruit volgens haar blijkt dat de betreffende brieven als een bijlage in pdf-bestand door de heer [leidinggevende] per e-mail naar [werknemer] zouden zijn verstuurd. [werknemer] heeft op de mondelinge behandeling nog steeds stellig betwist dat zij deze brieven heeft ontvangen. Zij heeft aangevoerd dat [leidinggevende] in november 2024 tegen haar gezegd heeft dat hij juist géén schriftelijke waarschuwing naar haar zou sturen. Ook voert zij aan dat het opvallend is dat beide brieven niet zijn opgenomen in haar personeelsdossier (dat zij heeft opgevraagd). Daarnaast heeft zij opgemerkt het vreemd te vinden dat blijkens de foto’s van de beide e-mails een bestand is meegestuurd van 726 KB, terwijl de brieven van 26 november 2024 en 12 februari 2025 qua lengte van tekst verschillen. [werkgever] heeft over deze laatste opmerking aangevoerd dat pdf’s van documenten met hetzelfde aantal pagina’s altijd evenveel KB’s hebben en zich ontstemd getoond over de insinuatie dat de screenshots zouden zijn gemanipuleerd.\n\n4.17.. \n\nDe kantonrechter stelt voorop dat de bewijslast dat een verklaring de andere partij heeft bereikt, rust op degene die zich op die verklaring beroept. Nu [werknemer] betwist dat beide brieven haar hebben bereikt, rust de bewijslast op [werkgever] . Middels de overgelegde foto’s van het beeldscherm met daarop twee e-mailberichten waar een bijlage is bijgevoegd, heeft [werkgever] dat bewijs niet geleverd. In de eerste plaats valt op dat de e-mail waar de brief van 26 november 2024 zou zijn bijgevoegd, is verstuurd op 25 november 2024, de dag ervoor. Het bijgevoegde document heeft een grootte van 726 KB. Ondanks het feit dat in de brief staat dat het een officiële waarschuwing betreft, is de brief niet opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] . De e-mail waarmee de brief van 12 februari 2025 aan [werknemer] zou zijn gestuurd, is verstuurd op 17 februari 2025. In deze brief staat dat hij zal worden opgenomen in het personeelsdossier van [werknemer] , maar dat is niet gebeurd. Op de foto van de e-mail is te zien dat een pdf-document als bijlage wordt meegestuurd. Ook dit document heeft een grootte van 726 KB. De stelling van [werkgever] dat elke pdf hetzelfde aantal KB’s heeft naarmate het aantal pagina’s hetzelfde zijn, wordt niet gevolgd, nu dit niet juist is. De kantonrechter heeft beide brieven ingescand en naar zichzelf verstuurd. De brief van 26 november 2024 was 81 KB en de brief van 12 februari 2025 was 70 KB. Dat bij beide\n\ne-mails een document is gevoegd met precies evenveel KB, roept dus wel degelijk vragen op.\n\n4.18.. Al met al heeft [werknemer] de ontvangst van beide brieven voldoende gemotiveerd betwist. [werkgever] heeft bewijs aangeboden dat [werknemer] beide brieven wel heeft ontvangen, maar aan dat bewijsaanbod wordt voorbij gegaan. Ook al zou [werknemer] deze brieven wel hebben ontvangen, dan nog zouden de door [werkgever] aangevoerde omstandigheden onvoldoende zijn om het ontbindingsverzoek van [werkgever] toe te wijzen. Uit deze brieven blijkt immers allerminst dat er sprake zou zijn van disfunctioneren.\n\n4.19.. \n [werknemer] heeft haar visie gegeven op het gebeuren dat aanleiding gaf tot de “waarschuwing” van 26 november 2024. Die visie komt erop neer dat zij een leidinggevende binnen [werkgever] heeft geadviseerd om zijn zorgen (in verband met zijn medische conditie) over een door de directie geplande teambuildingsactiviteit met de directeur te bespreken. [directeur] heeft kennelijk een andere lezing van deze gebeurtenis en beschouwde dit advies als stemmingmakerij en het ongeoorloofd uiten van vertrouwelijke directieaangelegenheden en vond het nodig daarvoor een waarschuwing te geven. Nu dit gebeuren het enige concrete voorbeeld is dat door [werkgever] is gegeven over het “niet integere gedrag van [werknemer] ” en volstrekt onvoldoende is om die aantijging te onderbouwen, zal de kantonrechter hier verder niet op in gaan.\n\n4.20.. De brief van 12 februari 2025 blinkt wederom uit in vaagheden en kan derhalve ook buiten bespreking worden gelaten. [directeur] is zelf niet op de mondelinge behandeling verschenen. [leidinggevende] , de direct leidinggevende van [werknemer] wel. Wat betreft het verwijt in de brief van 12 februari 2025 dat [werknemer] veelvuldig eerder vertrekt als de directie weg is, heeft hij verklaard dat hij dat niet heeft opgemerkt, behalve op momenten dat [werknemer] een fysiotherapeut moest bezoeken.\n\n4.21.. \n [werknemer] heeft verslagen van haar functioneringsgesprekken overgelegd. Daar blijkt uit dat zij steeds goed heeft gefunctioneerd en dat de hiervoor genoemde “waarschuwingen” daar ook niet zijn besproken. Dit alles maakt dat [werkgever] op geen enkele manier hard heeft weten te maken dat [werknemer] niet goed zou hebben gefunctioneerd.\n\n4.22.. Uit de overgelegde stukken blijkt duidelijk dat de arbeidsverhouding pas is verstoord door het handelen van [werkgever] en in haar pogingen om [werknemer] uit dienst te krijgen. Zo is in opdracht van [directeur] op 13 augustus 2025 het bedrijfsaccount van [werknemer] geblokkeerd. Daarnaast heeft [werknemer] onweersproken gesteld dat [directeur] vervolgens de ondernemingsraad heeft benaderd met het verzoek om [werknemer] per direct uit de functie van vertrouwenspersoon te ontheffen en dat hij de IT-afdeling heeft gevraagd om het account van [werknemer] te doorzoeken op mogelijk belastend materiaal. Zowel de ondernemingsraad als de IT-afdeling hebben de aan hen gerichte verzoeken afgewezen, omdat elke aanleiding of noodzaak daartoe ontbrak. De noodzaak om [werknemer] te ontslaan is kennelijk alleen gelegen in de persoonlijke antipathie van [directeur] jegens [werknemer] .\n\n4.23.. Tot slot heeft [werkgever] , in strijd met de duidelijke adviezen van de bedrijfsarts, geweigerd om (tijdig) mediation te starten om, in ieder geval, een poging te ondernemen om de lucht te klaren en een oplossing te vinden voor de - niet op feiten gestoelde - antipathie van [directeur] tegen [werknemer] .\n\n4.24.. Uit het voorgaande volgt dat [werkgever] van [werknemer] af wil en vanaf augustus 2025 aanstuurt op haar vertrek, zonder dat daarvoor een redelijke grond aanwezig is. [werkgever] schroomt niet om [werknemer] te beschuldigen van niet integer gedrag, zonder één concreet voorbeeld te noemen, heeft in de UWV procedure in strijd met de waarheid aangevoerd dat de functie van [werknemer] zou komen te vervallen (terwijl [werkgever] intussen al een andere persoon in plaats van [werknemer] had aangenomen) en heeft geen enkele poging gedaan om met [werknemer] in gesprek te komen. Dergelijk gedrag is geen “schoonheidsfoutje” zoals [werkgever] stelt, maar kwalificeert zonder meer als ernstig verwijtbaar. [werkgever] dient dan ook aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen.\n\nDe hoogte van de billijke vergoeding\n\n4.25.. Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd.De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.\n\nInkomensschade\n\n4.26.. Gelet op het ruim zeventwintigjarige dienstverband van [werknemer] bij [werkgever] en het feit dat altijd sprake is geweest van goede functioneringsverslagen (hetgeen [werkgever] ook niet heeft betwist), is de kantonrechter van oordeel dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat, indien [werkgever] niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, [werknemer] niet tot aan haar pensioengerechtigde leeftijd in dienst zou zijn gebleven bij [werkgever] , met bijbehorend salaris en pensioenopbouw. Dat [werknemer] nog maar drie tot vijf jaar bij [werkgever] zou hebben gewerkt, zoals [werkgever] op de zitting heeft betoogd, is verder niet onderbouwd.\n\n4.27.. Verder stelt [werknemer] dat zij met haar leeftijd van (inmiddels) 59 jaar en een eenzijdig curriculum vitae met maar één werkgever, bovengemiddeld lang werkloos zal blijven, waardoor zij aanspraak zal moeten maken op de maximale duur van de werkloosheidsuitkering. En bij een nieuwe baan zal zij een aanzienlijk lager salaris moeten accepteren van 50% van haar huidige salaris. De kantonrechter acht dit een redelijke veronderstelling. [werkgever] betwist dit weliswaar en voert aan dat [werknemer] 65% tot 80% van haar laatstverdiende salaris zou kunnen verdienen, maar een verdere onderbouwing, bijvoorbeeld door de overlegging van vacatures, is achterwege gebleven.\n\n4.28.. \n [werknemer] stelt dat haar inkomensverlies tot haar pensioen neerkomt op een bedrag van (€ 501.812,00 - (€ 88.339,00 aan WW + € 188.179,00 aan een lager te verdienen loon) =) € 230.438,00 bruto. In deze berekening heeft [werknemer] evenwel een fout gemaakt, aangezien de uitkomst van deze som € 225.294,00 bruto bedraagt.\n\nPensioenschade\n\n4.29.. Met de gestelde pensioenschade van € 103.872,00 bruto wordt bij de vaststelling van de billijke vergoeding geen rekening gehouden. Op de loonstroken is te zien dat de pensioenpremie volledig van het brutoloon wordt betaald. In veel gevallen is het mogelijk om vrijwillig pensioensparen voort te zetten. De compensatie van het inkomensverlies biedt [werknemer] de mogelijkheid om voor deze vrijwillige voortzetting te kiezen. In dat geval heeft [werknemer] geen pensioenschade. [werknemer] heeft onvoldoende onderbouwd hoe zij tot de conclusie is gekomen dat zij wel pensioenschade zal lijden.\n\nImmateriële component\n\n4.30.. Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding mag ook de mate van de ernstige verwijtbaarheid worden meegewogen en de gevolgen die dat voor de werknemer heeft gehad. [werknemer] heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gedurende haar dienstverband van 27 jaar steeds met enorme toewijding en loyaliteit voor [werkgever] heeft gewerkt en vergroeid was met de organisatie. Door de wijze waarop zij thans aan de kant wordt gezet, voelt zij zich aangetast en ervaart zij psychische klachten. Ook heeft zij geen afscheid heeft kunnen nemen van collega’s doordat haar bedrijfsaccount per direct was geblokkeerd. De kantonrechter rekent [werkgever] de wijze waarop zij [werknemer] heeft geprobeerd eruit te werken na haar lange vlekkeloze staat van dienst zwaar aan en is van oordeel dat dit in de billijke vergoeding tot uitdrukking dient te komen.\n\nConclusie\n\n4.31.. Alles afwegend zal de kantonrechter in totaal een billijke vergoeding toekennen van € 240.000,00 bruto. Anders dan [werknemer] heeft verzocht, wordt het gehele bedrag bruto toegekend, omdat de immateriële component is verzocht en wordt toegewezen als onderdeel van de billijke vergoeding ex art 7:671b lid 9 onder c BW en niet op grondslag van het bepaalde in artikel 6:106 BW. De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking. De vergoeding is immers opeisbaar geworden vanaf de datum van deze beschikking. [werkgever] krijgt veertien dagen om het bedrag te betalen. Na het verstrijken van deze termijn is sprake van verzuim en is [werkgever] wettelijke rente verschuldigd.\n\nAdvocaatkosten\n\n4.32.. \n [werknemer] heeft verzocht om een vergoeding van de volledig door haar gemaakte buitengerechtelijke kosten, omdat deze kosten uitsluitend het gevolg zijn van de handelswijze van [werkgever] . Het gaat in totaal om een bedrag van € 13.387,61 inclusief btw. Daarbij verwijst [werknemer] naar de bij het verweerschrift overgelegde urenspecificatie. [werknemer] doet daarvoor een beroep op de New Hairstyle beschikkingop grond waarvan de mogelijkheid bestaat de kosten voor de rechtsbijstand te baseren op artikel 7:611 BW in verbinding met artikel 6:96 BW. [werkgever] betwist dat deze kosten daarvoor in aanmerking komen. Volgens [werkgever] gaat het om kosten gemaakt voor het verweer in de UWV-procedure waarvoor geen kostenveroordeling bestaat, zodat deze kosten niet gekwalificeerd kunnen worden als buitengerechtelijke kosten. Ook is de drempel voor vergoeding van de werkelijke kosten niet gehaald. Tot slot heeft [werkgever] in het buitengerechtelijk traject reeds een vergoeding in advocaatkosten voorgesteld, hetgeen is afgewezen.\n\n4.33.. De kantonrechter overweegt dat uit bovenstaande beoordeling van het ontbindingsverzoek genoegzaam blijkt dat [werkgever] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en zich daarmee niet als een goed werkgever heeft gedragen. [werkgever] heeft eerst een ontslagaanvraag bij het UWV ingediend met een flinterdun dossier waarin elke onderbouwing ontbrak waarom [werknemer] - als enige werknemer - [werkgever] zou moeten verlaten. Ook heeft [werkgever] [werknemer] zonder deugdelijke reden afgesloten van haar account zodat [werknemer] pardoes thuis kwam te zitten. Tot slot heeft [werkgever] geweigerd de adviezen van de bedrijfsarts te volgen om mediation in te zetten en stevende zij af op een beëindiging van het dienstverband. Dat [werknemer] zich in deze periode heeft voorzien van juridische bijstand om zich te verweren tegen de wijze waarop met haar werd omgegaan, is het directe gevolg van deze onzorgvuldige handelwijze van [werkgever] jegens haar. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om [werkgever] te veroordelen tot vergoeding van de kosten van deze juridische bijstand, voorafgaand aan deze verzoekschriftprocedure, op grond van artikel 6:96 lid 2 BW. [werknemer] heeft deze kosten immers gemaakt om te trachten om buiten rechte tot een redelijke oplossing te komen en om het nog verder oplopen van de schade voor haarzelf te voorkomen of te beperken.\n\n4.34.. \n [werknemer] heeft ter onderbouwing van het door haar verzochte bedrag een urenspecificatie van haar gemachtigde overgelegd met daarop het aantal gewerkte uren en het overeengekomen uurtarief. Die onderbouwing is afdoende en niet door [werkgever] betwist. Het bedrag van € 13.387,61 inclusief btw zal worden toegewezen. De verzochte wettelijke rente hierover zal worden toegewezen vanaf de datum van deze beschikking.\n\nDe einddatum\n\n4.35.. Nu de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [werkgever] , zal de proceduretijd niet in mindering worden gebracht. De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van de geldende opzegtermijn van vier maanden worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026. Dit is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd.\n\n [werkgever] krijgt de gelegenheid om haar verzoek in te trekken\n\n4.36.. Omdat de kantonrechter voornemens is aan [werknemer] , bij toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werkgever] , een billijke vergoeding toe te wijzen, moet de kantonrechter [werkgever] de gelegenheid geven haar verzoek in te trekken.[werkgever] krijgt tot en met 4 juni 2026 om haar verzoek in te trekken.\n\n4.37.. De proceskosten komen voor rekening van [werkgever] , omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n4.38.. Ook als [werkgever] het verzoek intrekt, zal [werkgever] de proceskosten van [werknemer] moeten betalen.\n\n5. De beoordeling van het voorwaardelijk tegenverzoek\n\n5.1.. \n\nAls [werkgever] haar verzoek tijdig intrekt, is de kantonrechter voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen op verzoek van [werknemer] te ontbinden. Op grond van hetgeen bij de beoordeling van het verzoek van [werkgever] is overwogen, is de arbeidsverhouding tussen partijen door ernstig verwijtbaar gedrag van [werkgever] namelijk dusdanig duurzaam verstoord dat deze zo spoedig mogelijk dient te eindigen.\n\nDe arbeidsovereenkomst zal in geval van toewijzing van het ontbindingsverzoek van [werknemer] worden ontbonden met ingang van 1 oktober 2026.\n\n5.2.. De transitievergoeding van € 48.212,29 bruto en een billijke vergoeding van € 240.000,00 bruto zullen in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden toegewezen.\n\n5.3.. De verzochte wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd.De verzochte wettelijke rente over de billijke vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.\n\n5.4.. Verder zullen de buitengerechtelijke kosten van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking.\n\n5.5.. Nu aan [werknemer] een lagere billijke vergoeding wordt toegewezen dan zij heeft verzocht, zal zij eveneens in de gelegenheid worden gesteld om haar tegenverzoek in te trekken en wel tot en met 18 juni 2026.\n\n5.6.. Als [werknemer] haar verzoek niet intrekt, zal [werkgever] worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten omdat [werkgever] overwegend ongelijk krijgt en er sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werkgever] . De proceskosten aan de zijde van [werknemer] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.\n\n5.7.. Als [werknemer] haar verzoek (ook) intrekt, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat partijen, voor wat betreft het tegenverzoek, ieder hun eigen proceskosten dragen. Beide partijen hebben dan immers hun verzoeken ingetrokken.\n\n6. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nop het verzoek\n\n6.1.. stelt [werkgever] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 4 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werknemer] ,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.2.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.3.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.4.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.5.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.6.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.7.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.8.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werkgever] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.9.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.10.. verklaart onderdeel 6.9. van deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\nop het tegenverzoek (voor het geval [werkgever] haar verzoek uiterlijk op 4 juni 2026 intrekt)\n\n6.11.. stelt [werknemer] in de gelegenheid om het verzoek uiterlijk 18 juni 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van) [werkgever] ,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek niet binnen die termijn intrekt:\n\n6.12.. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 oktober 2026,\n\n6.13.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 48.212,29 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.14.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 240.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de 15e dag na de datum van deze beschikking tot aan de dag van de gehele betaling,\n\n6.15.. veroordeelt [werkgever] om aan [werknemer] een vergoeding voor de buitengerechtelijke kosten te betalen van € 13.387,61 inclusief btw en kantoorkosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van deze beschikking,\n\n6.16.. veroordeelt [werkgever] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [werkgever] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,\n\n6.17.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,\n\n6.18.. wijst het meer of anders verzochte af,\n\nVoor het geval [werknemer] het verzoek binnen die termijn intrekt:\n\n6.19.. compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 21 mei 2026.\n\n ECLI:NL:HR:2022:276\n\n Artikel 7:671b lid 6 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 3 BW.\n\n Artikel 7:669 lid 1 BW.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.\n\n Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:63 (Juridisch secretaresse).\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie hiervoor onder 2.8.\n\n Zie productie 5 van [werkgever] .\n\n Producties 12 en 13 van [werkgever] .\n\n Artikel 150 Rv jo artikel 3:37 lid 3 BW.\n\n Hoge Raad 8 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:878 (Zinzia).\n\n Hoge Raad 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1187.\n\n Artikel 7:671b lid 9, onder a, BW.\n\n Artikel 7:686a lid 6 BW.\n\n Artikel 7:686a lid 1 BW.\n\n Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:4905","ecli-nl-rblim-2026-4905",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Arbeidsrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]