Skip to main content

ECLI:NL:RBLIM:2026:5745

Instanță

Roermond

Data

18 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Goederenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Roermond

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; GoederenrechtType: uitspraak

RECHTBANKLIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer / rekestnummer: 12109816 \ OV VERZ 26-9

Beschikking van 18 juni 2026

in de zaak van

[de man],

te [plaats 1] ,

verzoekende partij, verwerende partij voor wat betreft het tegenverzoek,

hierna te noemen: de man,

gemachtigde: mr. J.I.L. Laumans,

tegen

[de vrouw],

te [plaats 1] ,

verwerende partij, verzoekende partij voor wat betreft het tegenverzoek,

hierna te noemen: de vrouw,

gemachtigde: mr. A.M.A. Kok-Verheijde.

1. Waar gaat deze zaak over

Partijen hebben een relatie gehad die in juli 2025 is beëindigd. Sindsdien verblijft de vrouw met uitsluiting van de man in hun gezamenlijk woning, gelegen aan [adres] te [plaats 1] (hierna de woning). Partijen hebben samen een minderjarig kind, waarover zij gezamenlijk het ouderlijk gezag hebben. Beide partijen willen dat de kantonrechter een beheersregeling vaststelt in die zin dat wordt bepaald wie in de woning mag verblijven totdat die is verdeeld.

2. De procedure

2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het verzoekschrift met productie 1 tot en met 8

  • het verweerschrift met producties 1 tot en met 10

  • de akte van de man met productie 9

  • de producties 10 en 11 van de man

  • de mondelinge behandeling van 21 mei 2026, waarbij de man spreekaantekeningen heeft overgelegd.

2.2.. De beschikking is bepaald op vandaag.

3. De feiten

3.1.. Partijen hebben een affectieve relatie gehad, hebben samengewoond en hebben een kind van 4 jaar waarover zij gezamenlijk het gezag hebben. Zij hebben de afspraken over hun samenleving op 12 oktober 2018 vastgelegd in een notariële samenlevingsovereenkomst. De samenleving tussen partijen is beëindigd in juli 2025. Vanaf die tijd heeft de man de woning van partijen verlaten, waarna hij bij zijn ouders is gaan wonen. Partijen zijn beiden eigenaar van de woning, ieder voor de helft. Partijen verschillen van mening over de vraag wie de meeste aanspraak heeft om de woning te bewonen.

3.2.. De waarde van de woning is op 2 september 2025 getaxeerd door [bedrijf] B.V. op € 400.000,00. De WOZ-waarde per 1 januari 2025 bedraagt € 441.000,00. De vrouw betaalt gebruikerslasten en de man betaalt alle eigenaarslasten en de hypotheek.

4. Het geschil

4.1.. De man verzoekt de kantonrechter te bepalen dat hij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen en te bepalen dat de vrouw de woning binnen vier weken dient te verlaten op straffe van een dwangsom.4.2.. De vrouw wil de woning niet overnemen, maar verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en heeft als tegenverzoek de kantonrechter gevraagd te bepalen dat zij in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning te blijven bewonen.

5. De beoordeling

De bevoegdheid van de kantonrechter5.1..

In artikel 12 van de samenlevingsovereenkomst staat dat na het einde van de samenleving beide partijen het recht hebben nog gedurende drie maanden te wonen in hun woning. In onderling overleg zal worden uitgemaakt wie daarna in redelijkheid de meeste aansprakelijk heeft om de woning te blijven bewonen. Als het partijen niet lukt om hierover afspraken te maken, kan de kantonrechter worden gevraagd een beslissing te nemen.

Verder bepaalt artikel 3:168 BW dat deelgenoten het genot, gebruik en beheer van gemeenschappelijke goederen (zoals een woning) bij overeenkomst kunnen regelen en voor zover een overeenkomst ontbreekt dat de kantonrechter op verzoek van een van partijen een regeling kan treffen. Daarbij houdt de kantonrechter rekening met zowel de belangen van partijen als met het algemeen belang. De kantonrechter is daarom bevoegd een beslissing te nemen over het verzochte.

Een belangenafweging5.2.. Hoewel de verzoeken van partijen anders zijn geformuleerd begrijpt de kantonrechter dat beide partijen het uitsluitend gebruik van de woning willen hebben in afwachting van hetzij toedeling aan de man, hetzij verkoop aan een derde. Partijen hebben dit desgevraagd tijdens de zitting bevestigd.

5.3.. Het geschil tussen partijen spitst zich daarom toe op de vraag wie van partijen daarbij het meeste belang heeft. De kantonrechter is van oordeel dat de man het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen maar slechts voor de duur van zes maanden. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom zij tot deze beslissing is gekomen.

5.3.1.. De kantonrechter stelt vast dat de vrouw weliswaar in de woning verblijft, maar de eigenaarslasten en de hypotheek daarvan niet kan betalen. De man betaalt dit. De vrouw wil de woning ook niet toebedeeld krijgen. De man wil dat wel en zegt dat hij dat ook kan financieren, uitgaande van de getaxeerde waarde van € 400.000,00. Hij zegt dat hij daarvoor naar een hypotheekadviseur is geweest.

5.3.2..

De man voert ter onderbouwing van zijn belang om in de woning te mogen wonen in afwachting van de verdeling van de woning het volgende aan.

De man wil niet langer bij zijn ouders verblijven omdat dit hen belast en omdat hij wil voorkomen dat de irritaties tussen hem en zijn ouders oplopen. Hij stelt dat ook de vrouw niet wil dat de man bij zijn ouders woont zodat hun kind daar niet hoeft te verblijven. Dat was voor haar al eerder reden om de omgangsregeling met het kind tijdelijk stop te zetten. Verder stelt dat man dat hij voor de verdeling geen andere woning kan kopen of huren, omdat hij alle lasten van de gemeenschappelijke woning draagt. Het ligt volgens de man voor de hand dat hij het gebruiksrecht van de woning krijgt omdat hij alle lasten draagt en de woning toegedeeld wil krijgen, terwijl de vrouw dat niet wil.

5.3.3.. De vrouw stelt dat het in het belang van het kind is dat zij in de woning blijft totdat de woning is verdeeld, omdat zij het meest voor het kind zorgt en het haar niet zal lukken andere woonruimte te vinden, waardoor zij met het kind op straat komt te staan. Ze geeft aan dat zij bij Wonen Limburg staat ingeschreven, maar dat er een hele lange wachtlijst is. Verder stelt ze dat zij geen urgentiestatus krijgt als zij de woning moet verlaten, omdat zij nog een koopwoning in mede-eigendom heeft. Zij wil zo snel mogelijk de woning verdelen ofwel door toedeling van haar aandeel aan de man ofwel door verkoop aan een derde zodat zij een eigen woning kan kopen. In dat kader merkt de vrouw nog op dat de woning meer waard is dan € 400.000,00, dat zij niet gehouden is aan de taxatie van 2 september 2025 en dat moet worden gekeken naar de waarde van de woning op het moment van verdelen. De vrouw stelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij financieel in staat is haar aandeel in de woning over te nemen.

5.3.4.. De kantonrechter stelt voorop dat de woning uiteindelijk verdeeld moet worden en dat de woning hoe dan ook niet aan de vrouw wordt toebedeeld omdat zij dat niet wil en niet gefinancierd krijgt. De vrouw zal de woning daarom hoe dan ook op enig moment moeten verlaten. Hierdoor ligt het voor de hand het gebruiksrecht van de woning in afwachting van de verdeling aan de man toe te kennen. Dit lig verder ook voor de hand omdat de man de eigenaarslasten en de hypotheek van de woning betaalt. Het belang van het kind wordt niet geschaad als de man het gebruiksrecht krijgt, want het kind verblijft ongeveer de helft van de tijd bij de man en de helft van de tijd bij de vrouw. In dat kader is relevant dat de voorzieningenrechter bij vonnis van 19 december 2025 een zorgregeling heeft vastgesteld, inhoudende dat het kind een groot deel van de week bij zijn vader verblijft (namelijk wekelijks van woensdagochtend schooltijd (9:00 uur) tot vrijdagochtend (9:00 uur) en wekelijks zaterdagmiddag 12:00 uur tot zondagmiddag 12:00 uur. De vrouw voert nog aan dat de ouders van de man (met wie zij geen goede verhouding heeft) een groot deel van de zorg voor het kind gedurende die tijd op zich nemen omdat de man werkt en het kind ook naar een kinderdagverblijf/school gaat (sinds 2 mei 2026). De man brengt daartegenin dat hij de tijd na zijn werk wel degelijk zelf de zorg voor het kind op zich neemt. Hoe dan ook leidt dit argument er niet toe dat de vrouw het uitsluitend gebruik van de woning moet krijgen. Uiteraard moet er tijdens het werk kinderopvang zijn en dat betekent niet dat iemand niet voor zijn kind zorgt. De vrouw heeft verder nog gesteld dat zij geen vervangende woonruimte heeft en op straat komt te staan, maar de man heeft gesteld dat zij naar een tante in [plaats 2] zou kunnen gaan of woonruimte zou kunnen regelen via haar werkgever en daar heeft de vrouw niet voldoende onderbouwd op gereageerd. Bovendien geldt ook hier weer dat zij de woning hoe dan ook op enig moment moet verlaten.

5.4.. De kantonrechter ziet wel aanleiding om het uitsluitend gebruik van de woning slechts voor de duur van zes maanden aan de man toe te kennen gelet op het belang van de vrouw dat er spoedig een definitieve verdeling van de woning volgt. Zonder die verdeling heeft zij geen financiële ruimte om zelf een woonruimte te kopen. Bovendien hebben partijen op zitting aangegeven dat een regeling over alle andere vermogensbestanddelen ook in het verschiet ligt zodra de woning definitief is verdeeld.

5.5.. De gevorderde dwangsom zal worden gematigd, zoals hierna opgenomen in de beslissing.

6. De beslissing

De kantonrechter

6.1.. bepaalt dat de man in redelijkheid de meeste aanspraken heeft om de woning aan [adres] te [plaats 1] te blijven bewonen, gedurende zes maanden vanaf het moment dat de vrouw deze woning heeft verlaten,

6.2.. bepaalt dat de vrouw de onder 6.1. genoemde woning binnen vier weken na deze beschikking dient te verlaten en niet meer mag betreden, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte hiervan dat de vrouw hiertoe in gebreke blijft met een maximum van € 10.000,00,

6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

6.4.. wijst af het door de man of vrouw anders of meer verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. Koster-van der Linden en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026

Mai Multe Decizii