ECLI:NL:RBMNE:2026:3113
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/2717
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(W.S. Consenheim)
en
de heffingsambtenaar van de belastigsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap [gemeente](de heffingsambtenaar), verweerder
(gemachtigde: mr. D. Koopmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de hoogte van de WOZ-waarde van de woning aan de [adres] in [plaats] (de woning).
1.1.. De heffingsambtenaar heeft met de beschikking van 25 februari 2023 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de WOZ-waarde vastgesteld op € 1.992.000,-. De waarde is vastgesteld per waardepeildatum 1 januari 2022 en geldt voor het kalenderjaar 2023. De WOZ-beschikking is opgenomen in het aanslagbiljet van dezelfde datum. In dit aanslagbiljet heeft verweerder aan eiser als eigenaar van de woning ook een aanslag onroerendezaakbelasting opgelegd. De WOZ-waarde is daarvoor als heffingsmaatstaf gehanteerd.
1.2.. De heffingsambtenaar heeft met uitspraak op bezwaar van 3 maart 2024 (de bestreden uitspraak) het bezwaar gegrond verklaard en de waarde van de woning verlaagd naar € 1.465.000,-.
1.3.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen de bestreden uitspraak. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend. In het verweerschrift concludeert de heffingsambtenaar dat de vastgestelde waarde van € 1.465.000,- in beroep geen stand kan houden. Partijen hebben een compromis overeenstemming bereikt, waarbij de WOZ-waarde is verlaagd naar € 923.000,-.
1.5.. De rechtbank heeft het beroep op 22 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: gemachtigde van eiseren de gemachtigde van de heffingsambtenaar.
Het geschil
2. De WOZ-waarde van de woning is niet meer in geschil. Partijen hebben bij wijze van compromis overeenstemming bereikt en wel in die zin dat naar hun oordeel de waarde in het economische verkeer, als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ, van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2022 moet worden vastgesteld op € 923.000,-.
3. Het geschil spitst zich enkel nog toe op de proceskostenvergoeding en toepassing van artikel 30a van de Wet WOZ
Beoordeling door de rechtbank
De ontvankelijkheid van het beroep
4. Het beroepschrift is ingediend door gemachtigde op 21 maart 2024. De machtiging van eiser dateert van 2 maart 2023. Omdat hiertussen meer dan een jaar is verstreken, de redactie van de machtiging in algemene termen was opgesteld en niet specifiek zag op deze beroepsprocedure en dit belastingjaar, heeft de rechtbank op 9 januari 2026 aan de gemachtigde van eiser verzocht om een recente machtiging in te dienen.
5. De rechtbank heeft geconstateerd dat deze machtiging tot op heden niet is verstrekt. Op de zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat hij eiser hierover heeft gesproken. Eiser was bereid om een recente machtiging te ondertekenen, echter heeft de gemachtigde deze machtiging nog niet ontvangen. De gemachtigde heeft uitdrukkelijk vermeld dat eiser op de hoogte is van de zitting, maar het niet nodig vond om hieraan ook zelf deel te nemen.
6. De rechtbank is van oordeel dat de toelichting van de gemachtigde op zitting – in combinatie met de behandeling van de overige zaken op de zittingsdag – overtuigend en toereikend is. De rechtbank heeft geen twijfels meer over de vertegenwoordigingsbevoegdheid van de gemachtigde van eiser. Dat betekent dat de gemachtigde rechtsgeldig is gemachtigd in beroep.
Proceskosten in bezwaar
7. De heffingsambtenaar heeft verzocht om de proceskosten in bezwaar met een wegingsfactor van 0,25 of 0,5 toe te kennen. Volgens de heffingsambtenaar bestaat het bezwaarschrift voornamelijk uit standaard tekstblokken die zijn samengesteld.
8. De aanslag dateert van voor 1 januari 2024, waardoor bij de vaststelling van de proceskosten in de bezwaarfase de wettelijke vermenigvuldigingsfactor buiten toepassing blijft. De rechtbank ziet, gelet op het arrest van het hof Arnhem-Leeuwardenen het Richtsnoer, geen reden om af te wijken van wegingsfactor 1. De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting) met een waarde per punt van € 666,- en wegingsfactor 1). Daarnaast kent de rechtbank een vergoeding toe van € 128,26 voor het taxatierapport
Proceskosten in beroep
9. Volgens de gemachtigde is in de beroepsfase de wegingsfactor 0,25 van artikel 30a van de Wet WOZ niet van toepassing. De gemachtigde beroept zich op het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025,omdat volgens de gemachtigde niet wordt voldaan aan de derde voorwaarde van r.o. 3.5.1. De gemachtigde heeft ter zitting verklaard dat hij sinds 1 januari 2024 niet meer op basis van no cure, no pay werkt (de eerste voorwaarde) en verwijst daarbij naar de (enige) overeenkomst op zijn website waaruit het bedrijfsmodel blijkt. Volgens de heffingsambtenaar behoort eiser vooralsnog wel onder de bepaling van artikel 30a van de Wet WOZ.
10. Op grond van artikel 30a van de Wet WOZ wordt het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vermenigvuldigd met 0,25, indien het besluit genomen op grond van de Wet WOZ wordt vernietigd of gewijzigd, behoudens bijzondere omstandigheden. Er is sprake van een bijzonder geval als kennelijk geen sprake is van het volgende: aan de belanghebbende wordt rechtsbijstand verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat (i) wordt opgetreden op basis van no cure, no pay, (ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en (iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen. De stelplicht en de bewijslast met betrekking tot feiten die meebrengen dat het om zo’n bijzonder geval gaat, rusten op de belanghebbende.De vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, kennelijk niet deze drie kenmerken heeft, moet worden beoordeeld naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend.
11. Eiser heeft op 11 maart 2024 beroep ingesteld. De gemachtigde van eiser heeft onbetwist gesteld dat het bedrijfsmodel van zijn kantoor sinds 1 januari 2024 eruit bestaat dat niet (meer) wordt opgetreden op basis van no cure, no pay. Een belanghebbende betaalt € 99,- voor een beoordeling van het aanslagbiljet, € 250,- voor het voeren van een bezwaarprocedure en € 395,- voor het voeren van een beroepsprocedure. Naar het oordeel van de rechtbank voldeed het bedrijfsmodel van het kantoor van de gemachtigde van eiser daarom ten tijde van het instellen van beroep kennelijk niet aan het in overweging 10 onder (i) genoemde kenmerk. Dat betekent dat sprake is van een bijzonder geval en de eerste zin van artikel 30a, tweede lid, van de Wet WOZ, geen toepassing vindt. Het bedrag dat strekt tot vergoeding van de kosten die betrekking hebben op door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt dus niet verminderd door te vermenigvuldigen met 0,25.
12. De rechtbank stelt de proceskosten in beroep vast op € 1.868 (1 punt voor het indien van het beroepschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,-, een gemiddelde zwaarte van de zaak en een wettelijke wegingsfactor 1).
13. Omdat het beroep gegrond is moet de heffingsambtenaar ook het door eiser betaalde griffierecht van € 51,- kosten vergoeden.
14. De rechtbank wijst de heffingsambtenaar erop dat hij de op grond van deze uitspraak te vergoeden bedragen voor proceskosten en griffierecht uitsluitend mag uitbetalen op een bankrekening die op naam staat van eiser. Dat volgt uit artikel 30a, vierde lid, van de Wet WOZ, waarvoor geen overgangsrecht geldt.
Het verzoek om immateriële schadevergoeding
15. De gemachtigde van eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. Een vergoeding van immateriële schade wordt op verzoek toegekend als een procedure over een belastingaanslag onredelijk lang heeft geduurd. Daarbij geldt als uitgangspunt dat een periode van twee jaar voor de bezwaar- en beroepsfase gezamenlijk als redelijk wordt beschouwd. De termijn hiervoor vangt aan op het moment waarop de heffingsambtenaar het bezwaarschrift ontvangt.
15. Partijen zijn op de zitting overeengekomen dat het bagatelgrens van € 1.000,- is overschreden. De rechtbank volstaat dan ook enkel met de constatering daarvan. De rechtbank overweegt verder als volgt.
15. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift (17 februari 2023) en de dag van deze uitspraak zit afgerond 3 jaar. Dit leidt tot de conclusie dat de redelijke termijn is overschreden met 1 jaar en dat schadevergoeding moet worden toegekend.
15. Op 1 januari 2024 is artikel 30a van de Wet WOZ in werking getreden. Op grond van het derde lid geldt voor de schadevergoeding vanwege een overschrijding van de redelijke termijn een wettelijk tarief van € 50,- per half jaar. Op grond van het overgangsrecht is die bepaling in deze zaak niet van toepassing, omdat de redelijke termijn voor 1 januari 2024 is aangevangen. Daarom geldt hier nog het oude wettelijke tarief van € 500,- per half jaar.
15. De termijnoverschrijding is te wijten aan de heffingsambtenaar, zodat de rechtbank de heffingsambtenaar met die verwijtbaarheid de schade zal veroordelen. De bezwaarfase heeft afgerond 1 jaar en 11 maanden geduurd en daarmee 1 jaar en 5 maanden te lang. Dit leidt ertoe dat de heffingsambtenaar € 1.500,- aan schadevergoeding aan eiser moet betalen.
Beslissing
De rechtbank verklaart:
het beroep gegrond;
vernietigt de bestreden uitspraak voor zover daarbij de hoogte van de proceskosten op € 748,26 is vastgesteld;
stelt de hoogte van de proceskosten van eiser in bezwaar vast op € 1.460,26,-;
bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van de bestreden uitspraak;
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van eiser in beroep tot een bedrag van € € 1.868,-;
veroordeelt de heffingsambtenaar tot vergoeding van immateriële schade ten bedrage van € 1.500,- aan eiser;
draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 51,- aan eiser te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. ing. A. Rademaker, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Deve, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:GHARL:2025:6427
Zie ECLI:NL:GHARL:2024:5335
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46.
Hoge Raad 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, r.o. 3.5.1 en 3.5.2.
Hoge Raad 26 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1375, r.o. 2.3.3.