ECLI:NL:RBMNE:2026:3269
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Uitspraak
Utrecht
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6409-T
proces-verbaal van de tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 mei 2026 in de zaak tussen
Stichting Axioncontinu Groep, uit Utrecht, eiseres
(gemachtigde: A. van Lieshout),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(het Uwv), verweerder
(gemachtigde: J.H. Swart).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel [derde belanghebbende] , uit [plaats] .
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres over de uitkering op
grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) die aan haar werkneemster [derde belanghebbende] (hierna: werkneemster) is toegekend.
2. Werkneemster was bij eiseres werkzaam als [functie] zorg voor gemiddeld 27,82 uur
per week. Op 10 maart 2023 is zij voor haar werk uitgevallen. Op 5 december 2024 heeft werkneemster een WIA-uitkering aangevraagd.
3. Met het besluit van 28 februari 2025 heeft het Uwv aan werkneemster vanaf
11 maart 2025 een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend, gebaseerd op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt, omdat zij meent dat werkneemster ook duurzaam arbeidsongeschikt is en recht heeft op een uitkering op grond van de inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten (IVA).
4. Met het besluit van 8 oktober 2025 heeft het Uwv het bezwaar van eiseres ongegrond
verklaard. Het Uwv heeft beoordeeld dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet wijzigt. Werkneemster is arbeidsongeschikt, maar heeft geen recht heeft op een IVA-uitkering, omdat zij niet duurzaam arbeidsongeschikt is.
5. Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft in beroep gereageerd met een
verweerschrift en een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 november 2025.
6. De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben
deelgenomen: de gemachtigde van eiseres, de gemachtigde van het Uwv en werkneemster.
7. Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk tussenuitspraak gedaan.
Beoordeling door de rechtbank
8. De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitleg van de verzekeringsarts bezwaar en
beroep over de urenbeperking niet duidelijk is. Zij zal hierna uitleggen waarom zij dat vindt. Voor nu geldt dat zij een tussenuitspraak doet, waarbij zij het Uwv acht weken na verzending van de tussenuitspraak de tijd geeft om dit te herstellen. Het Uwv moet binnen twee weken aan de rechtbank laten weten of hij dat wil doen.
9. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat werkneemster volledig (80-100%)
arbeidsongeschikt is. Het gaat in deze zaak wel om de vraag of werkneemster ook duurzaam arbeidsongeschikt is.
10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft een Functionele Mogelijkhedenlijst
(FML) met duurzame beperkingen opgesteld. In die FML zijn onder andere beperkingen aangenomen als gevolg van angst- en rouwklachten en een urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag.
11. Eiseres is het niet eens met zowel de urenbeperking als de opgenomen beperkingen als
gevolg van angstproblematiek en rouw. Tijdens de zitting heeft zij toegelicht dat de angst- en rouwklachten einde wachttijd, dus op 11 maart 2025, niet meer aanwezig waren en dat er zorgvuldig onderzoek had moeten worden gedaan. De rechtbank begrijpt dat een zorgvuldig onderzoek van belang is, maar dat ziet volgens haar met name op de vraag of de urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag juist is vastgesteld door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De beperkingen als gevolg van angst en rouw heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderzocht. Het is ook niet in het nadeel van eiseres of werkneemster dat die beperkingen in de FML staan. De rechtbank heeft geen twijfels over de juistheid van deze beperkingen.
12. De rechtbank heeft wel twijfels over de juistheid van de urenbeperking van 20 uur per
week en 4 uur per dag. De primaire verzekeringsarts had namelijk een urenbeperking van 10 uur per week en 2 uur per dag aangenomen. Met die urenbeperking waren geen functies te duiden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zonder nadere toelichting deze urenbeperking gewijzigd in het nadeel van eiseres en werkneemster. Dat is des te opvallender, omdat uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 september 2025 naar voren lijkt te komen dat zij zich kan vinden in de beperkingen zoals de primaire verzekeringsarts die heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op 17 november 2025, dus na het instellen van het beroep, een toelichting gegeven op de urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag, maar de rechtbank vindt die toelichting onvoldoende. De verzekeringsarts bezwaar en beroep lijkt te suggereren dat het steeds bijstellen van de behandeling duidt op een verbetering van de klachten, maar ze wijst tegelijkertijd ook op het chronisch verloop van de astma, de duur hiervan, de frequente exacerbaties en het gecompliceerde verloop door het postcovidsyndroom en verwacht ook geen essentiële verbetering in de toekomst. Dat matcht niet met elkaar.
13. Dit betekent dat de rechtbank twijfelt aan de juistheid van de medische beoordeling.
Omdat die beoordeling ten grondslag ligt aan het besluit van het Uwv dat werkneemster niet in aanmerking komt voor een IVA-uitkering, is dat besluit gebrekkig. Het Uwv kan dat gebrek herstellen door opnieuw te onderzoeken of de urenbeperking van 20 uur per week en 4 uur per dag passend is. Daarbij moet het Uwv betrekken dat de primaire verzekeringsarts een urenbeperking van 10 uur per week en twee uur per dag passend vindt.Het Uwv moet daar ook bij betrekken dat de klachten van eiseres grillig verlopen en dat het steeds moeten bijstellen van de behandeling niet betekent dat er ook daadwerkelijk verbetering is in de klachten. Het Uwv moet dat onderzoek laten doen door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en die moet werkneemster zien tijdens een spreekuurcontact.
14. Het Uwv moet zijn bevindingen binnen acht weken na verzending van de
tussenuitspraak aan de rechtbank sturen. De rechtbank zal daarna eiseres en wekneemster in de gelegenheid stellen hierop binnen vier weken te reageren.
15. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep.
Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.
Beslissing
De rechtbank:
draagt het Uwv op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;
stelt het Uwv in de gelegenheid om binnen acht weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.