Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:3297

Instanță

Utrecht

Data

30 March 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 25/2780

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: R.V. Lie-A-Lien),

en

Korpschef Midden-Nederland, verweerder.

Procesverloop

Verzoeker heeft beroep ingesteld bij de rechtbank, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn aanvraag van 15 oktober 2024 om een wapenverlof.

Verweerder heeft op 14 mei 2025 laten weten dat het wapenverlof per 1 mei 2025 aan verzoeker is verleend.

Verzoeker heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.

Verweerder heeft op 21 mei 2025 en op 10 november 2025 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.

2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

3. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoeker. Verweerder heeft in zijn reactie van 21 mei 2025 te kennen gegeven dat hij niet gehouden is tot het vergoeden van de proceskosten. Verweerder stelt dat hij een beroepschrift gedateerd 9 mei 2025 heeft ontvangen en dat het beroep dus is ingesteld nadat het wapenverlof is verleend op 1 mei 2025.

Op 10 november 2025 heeft verweerder nogmaals gereageerd en opgemerkt dat de zaak bij de rechtbank onder twee zaaknummers geregistreerd heeft gestaan, namelijk UTR 25/2780 en UTR 25/2904. Wat betreft het verzoek om proceskostenvergoeding, verwijst verweerder naar zijn reactie van 21 mei 2025.

4. De rechtbank stelt vast dat, zoals verweerder ook al heeft opgemerkt, het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de aanvraag om een wapenverlof onder twee zaaknummers is geregistreerd. De rechtbank heeft het beroepschrift gedateerd 30 april 2025 ontvangen op 1 mei 2025. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/2904. Bij brief van 14 mei 2025 (in de zaak 25/UTR 2904) heeft de rechtbank aan verzoeker verzocht om een het beroepschrift persoonlijk te ondertekenen. Verzoeker heeft hierop gereageerd door een persoonlijk ondertekend beroepschrift over te leggen. Daarbij heeft verzoeker ook de datum van het beroepschrift gewijzigd naar 9 mei 2025. De rechtbank heeft dit beroepschrift per abuis geregistreerd onder zaaknummer UTR 25/2780.

5. De rechtbank snapt het standpunt van verweerder dat in zaaknummer UTR 25/2780 het beroepschrift dateert van 9 mei 2025, maar de rechtbank stelt op grond van de onder 4 vermelde omstandigheden vast dat het beroepschrift al was ingediend op 30 april 2025. De rechtbank volgt verweerder daarom niet in zijn standpunt dat het beroepschrift is ingediend nadat het wapenverlof op 1 mei 2025 was verleend.

6. De rechtbank stelt vast dat het beroep niet tijdig beslissen is ingediend voordat verweerder het wapenverlof verleende. Met het verlenen van het wapenverlof is vereweerder tegemoetgekomen aan verzoeker. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding daarom toe. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).

7. Uit artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 467,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van J.B. Overtoom, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2026.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Mai Multe Decizii