Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:3643

Instanță

Utrecht

Data

26 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Utrecht

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummers: C/16/609218 / JE RK 26-460 en C/16/609422 / JE RK 26-482

Datum uitspraak: 26 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter

in de zaak C/16/609218 / JE RK 26-460, de zaak van

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen GI,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. G.G. Kempenaars uit Almere,

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] ,

in de zaak C/16/609422 / JE RK 26-482, de zaak van

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. G.G. Kempenaars uit Almere,

tegen

de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden Nederland, gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen GI,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

1.1..

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

In de zaak met zaaknummer C/16/609218 / JE RK 26-460:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 27 maart 2026;

  • de brief van de moeder van 6 mei 2026.

In de zaak met zaaknummer C/16/609422 / JE RK 26-482:

  • het verzoekschrift van de moeder, ontvangen op 1 april 2026.

1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 26 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

  • de vader,

  • de moeder met haar advocaat;

  • [A.] en [B.] namens de GI.

De gezinshuisouders zijn ook opgeroepen, maar hebben zich voor de zitting afgemeld.1.3.. De kinderrechter heeft beide zaken gelijktijdig behandeld.

1.4.. De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om met de kinderrechter te praten.

1.5.. De kinderrechter heeft direct na de zitting mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking daarvan.

2. De feiten

2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .

2.2..
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.

2.3.. De kinderrechter heeft bij beschikking van 31 mei 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 31 mei 2025. De ondertoezichtstelling is steeds verlengd, voor het laatst tot 31 mei 2026.

2.4.. De kinderrechter heeft op 23 september 2024 een machtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gezinshuis of pleeggezin. Daarna is de machtiging tot uithuisplaatsing steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 19 november 2025 tot 31 mei 2026.

3. De verzoekenIn de zaak met zaaknummer C/16/609218 / JE RK 26-4603.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

In de zaak met zaaknummer C/16/609422 / JE RK 26-4823.2.. De moeder verzoekt primair te bepalen dat de GI de omgang tussen de moeder en [minderjarige] uit moet breiden in duur en frequentie. Daarnaast wil de moeder dat de GI een gefaseerd opbouwschema opstelt, gericht op het realiseren van overnachtingen bij de moeder om zo de mogelijkheid van terugplaatsing beter te kunnen onderzoeken. De moeder verzoekt subsidiair om te beslissen zoals de rechtbank juist acht. De moeder verzoekt de beslissing voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De ouders zijn het niet eens met de verzoeken van de GI.

5. De beoordeling

De ondertoezichtstelling

Het juridisch kader5.1.. Op grond van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen als de minderjarige in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. Daarnaast moet er sprake zijn van de situatie dat de ouders de hulp die nodig is om die bedreiging weg te nemen, niet of niet genoeg accepteren. Tot slot moet bij de kinderrechter wel de verwachting bestaan dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige zelf weer kunnen dragen. Op grond van artikel 1: 260 BW kan de kinderrechter deze ondertoezichtstelling met een jaar verlengen.

De toelichting5.2.. Uit de stukken en het gesprek op de zitting volgt dat nog steeds is voldaan aan deze wettelijke criteria.5.3.. Er is nog altijd sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] moet kunnen opgroeien in een omgeving waar hij de ruimte krijgt om zich vrij te ontwikkelen, te exploreren en zijn eigen behoeften en grenzen aan te geven. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat hiervoor in de thuissituatie bij de moeder onvoldoende ruimte is. Daarover bestonden ten tijde van de start van de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing al grote zorgen vanuit school en de betrokken hulpverlening. Ook bleek in die periode dat de ingezette hulpverlening niet langer welkom was bij de moeder, waardoor er onvoldoende zicht was op [minderjarige] en verbetering van de situatie niet mogelijk was.

5.4.. De kinderrechter stelt vast dat deze situatie op dit moment onvoldoende is veranderd. De moeder ontkent nog steeds de zorgen die door verschillende betrokken instanties en personen worden geuit. Zij ziet geen noodzaak voor hulpverlening voor zichzelf en heeft geen hulpvraag kunnen formuleren op basis waarvan passende hulpverlening kon worden ingezet. Hierdoor is het niet mogelijk om oplossingen te bedenken om de opvoedsituatie van [minderjarige] bij de moeder thuis te verbeteren.

5.5.. De omgangsbegeleiding beschrijft zorgen en deze zorgen worden bevestigd door andere betrokkenen, zoals de uitvoerend jeugdbeschermer en personen die in de buurt zijn tijdens de omgangsmomenten. Deze zorgen gaan onder meer over de conflicten die de moeder opzoekt tijdens de omgang met onder andere de omgangsbegeleider, maar ook met toevallige personen zoals andere kinderen en begeleiders op een voetbalveldje. Deze situaties zorgen er voor dat [minderjarige] veel stress ervaart. De kinderrechter maakt zich daarbij ook zorgen over de uitlatingen van de moeder tijdens de zitting over het dragen van capuchons tijdens de omgang vanwege overvliegende helikopters. De moeder heeft op de zitting verklaard dat zij denkt dat zij en [minderjarige] mogelijk vanuit de lucht in de gaten worden gehouden tijdens de omgangsmomenten. Deze uitlatingen versterken de zorgen van de kinderrechter over de belastbaarheid van de moeder en haar vermogen om aan te sluiten bij de behoeften van [minderjarige] .5.6.. De kinderrechter weegt daarbij mee dat [minderjarige] zich momenteel positief ontwikkelt in het gezinshuis. Hij laat groei zien in het omgaan met emoties en grenzen, ontwikkelt meer zelfvertrouwen en functioneert goed op school en in sociale contacten. Het is in zijn belang dat deze ontwikkeling behouden blijft en zich verder door kan zetten.5.7.. De doelen die aan de ondertoezichtstelling ten grondslag liggen zijn nog niet behaald. Voortzetting van de ondertoezichtstelling is daarom noodzakelijk. De doelen voor de komende periode luiden als volgt:

  • [minderjarige] groeit op in een omgeving waarin hij toekomt aan zijn ontwikkeltaken, passend bij zijn leeftijd;

  • het is duidelijk waar [minderjarige] opgroeit;

  • [minderjarige] heeft contact en omgang met zijn beide ouders;

  • [minderjarige] kan omgaan met zijn emoties en heeft nare gebeurtenissen verwerkt;

  • [minderjarige] wordt ondersteund bij het omgaan met een ouder met Alzheimer en een ouder met psychische problemen.

5.8.. Verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar is passend. Er is sprake van zorgelijke problematiek en de stappen die moeten leiden tot een oplossing moeten nog gezet worden.

De machtiging tot uithuisplaatsing

Het juridisch kader4.9.. Wanneer er een ondertoezichtstelling is, kan een minderjarige alleen met een machtiging tot uithuisplaatsing ergens anders verblijven. Op grond van artikel 1:265b BW kan de kinderrechter een minderjarige uithuisplaatsen als dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid, BW kan de kinderrechter de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen.

De toelichting5.10.. De kinderrechter is van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nog noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] .5.11.. Hoewel de vader en de moeder vinden dat [minderjarige] weer bij zijn moeder moet wonen, vindt de kinderrechter dat [minderjarige] op dit moment nog niet terug naar huis kan. De situatie bij de moeder is onvoldoende veranderd ten opzichte van het moment waarop de uithuisplaatsing werd uitgesproken. Er is nog geen hulpverlening voor de moeder van de grond gekomen, de moeder ziet zelf geen zorgen en de kinderrechter heeft onvoldoende vertrouwen dat [minderjarige] momenteel bij de moeder voldoende veilig en stabiel kan opgroeien.

5.12.. Daartegenover staat dat [minderjarige] zich juist goed ontwikkelt in het gezinshuis. Hij ervaart daar rust, voorspelbaarheid en stabiliteit. Daarnaast loopt momenteel een uitgebreid traject bij [naam] , bestaande uit NIKA en een To-the-Point-traject, waarin wordt onderzocht wat het perspectief van [minderjarige] is en wat nodig is om de opvoedsituatie bij de moeder te verbeteren. Het is noodzakelijk om eerst de resultaten van dit onderzoek af te wachten voordat verdere stappen richting uitbreiding van contact of een mogelijke thuisplaatsing kunnen worden gezet. Daarbij merkt de kinderrechter op dat het belangrijk is dat de moeder meewerkt aan eventuele adviezen die uit dit traject volgen.

5.13.. De kinderrechter acht het passend om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van zeven maanden, te weten tot 31 december 2026 en de beslissing voor het overige aan te houden. De verwachting is dat dan uitkomsten uit het gestarte traject bekend zijn. Op die manier kan de kinderrechter dan opnieuw toetsen welke ontwikkelingen hebben plaatsgevonden en welke conclusies uit het onderzoek volgen.

De omgang

Het juridisch kader4.14..

De kinderrechter vat het verzoek van de moeder op als een verzoek gegrond op artikel 1:262f BW. Dit artikel geeft ouders het recht om de kinderrechter te verzoeken de omgangsregeling met hun uit huis geplaatste kind vast te stellen of uit te breiden.

De toelichting4.15. De moeder verzoekt uitbreiding van de omgangsmomenten met [minderjarige] en wil toewerken naar logeermomenten en een eventuele terugplaatsing. De kinderrechter begrijpt deze wens van de moeder en stelt vast dat de moeder veel van [minderjarige] houdt en graag betrokken wil zijn bij zijn leven.

4.16.. De kinderrechter is tegelijkertijd van oordeel dat op dit moment nog onvoldoende ruimte bestaat voor uitbreiding van de omgang. Uit de stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er tijdens de omgangsmomenten nog onvoldoende rust en ontspanning is. [minderjarige] ervaart spanning tijdens de omgang en probeert situaties te voorkomen of op te lossen die ontstaan door gedrag van de moeder richting begeleiders of andere betrokkenen. Dat is niet passend bij zijn leeftijd en het is niet zijn verantwoordelijkheid.5.17.. Het is daarom niet in het belang van [minderjarige] om vooruitlopend op de resultaten van het lopende NIKA- en To-the-Pointtraject de omgang al uit te breiden. Anders dan de advocaat van de moeder heeft betoogd, acht de kinderrechter het niet verantwoord om “maar te proberen” of meer omgang mogelijk is. Er zijn namelijk nog steeds ernstige zorgen over de opvoedvaardigheden van de moeder en de invloed daarvan op de ontwikkeling van [minderjarige] .5.18.. Wel begrijpt de kinderrechter dat het traject lang duurt. De kinderrechter verwacht daarom van de GI dat als uit het lopende traject eerder dan bij de eindconclusie concrete adviezen volgen over uitbreiding of wijziging van de omgang, deze actief met de moeder worden besproken en serieus worden onderzocht.5.19.. Het verzoek van de moeder zal, gelet op het voorgaande, worden afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad5.19.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 31 mei 2027;

6.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 31 december 2026;6.3.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;6.4.. houdt de beslissing op het resterende deel van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan;6.5.. wijst het verzoek van de moeder tot uitbreiding van de omgang af.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Maliepaard, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026, in aanwezigheid van de griffier, en op schrift gesteld op 8 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

CL

Artikel 1:265a BW.

Mai Multe Decizii