ECLI:NL:RBMNE:2026:3737
Rezumatul Cauzei
Civiel recht
Uitspraak
Almere
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11973319 \ MC EXPL 25-6261 PM/45352
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: Swiers cs Gerechtsdeurwaarders,
tegen
1. [gedaagde sub 1] B.V.,
te [plaats 2] ,
niet verschenen, 2. [gedaagde sub 2],
te [plaats 3] ,
procederend in persoon,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s. (in mannelijk enkelvoud).
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding van 10 november 2025 met 32 producties, - de conclusie van antwoord met 2 producties, - de conclusie van repliek, - de conclusie van dupliek met 1 bijlage,
de akte uitlating van [eiseres] .
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De kern van de zaak
2.1. [eiseres] heeft in de dagvaarding betaling van € 14.301,45 gevorderd. Dit zijn de kosten voor het annuleren van de koop van een BMW door [bedrijfsnaam] , waarvan [gedaagde sub 1] c.s. bestuurder was. [gedaagde sub 1] c.s. vindt dat hij niet meer dan € 5.000,- hoeft te betalen, omdat partijen op 17 juli 2019 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten. Bij akte heeft [eiseres] dit bevestigd. De vordering van [eiseres] wordt toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-, vermeerderd met rente en kosten.
3 De beoordeling
De hoofdsom3.1.
[bedrijfsnaam] , waarvan [gedaagde sub 2] bestuurder was, heeft een BMW bij [eiseres] gekocht en de koop vervolgens geannuleerd. Op basis van de BOVAG voorwaarden die op de overeenkomst van toepassing zijn, is de koper dan een annuleringsvergoeding verschuldigd. [gedaagde sub 1] c.s. beroept zich echter op het Whatsapp-bericht van 17 juli 2019, waarin [A] namens [eiseres] schrijft:
“Beste [gedaagde sub 2 (voornaam)] , hierbij de bevestiging van het geen we net telefonisch besproken hebben. Ik maak een credit van het opstaande saldo van de annulering 14 k en maak een nieuwe nota van 5 k op de Nederlandse Holding waarvan ik van jou de gegevens van krijg . Bij aankoop van een nieuwe auto bij [eiseres] crediteer ik je 2500 euro . In afwachting van de NAW gegevens en prettige avond groeten [A] ”
3.2. [gedaagde sub 2] heeft daarop gereageerd:
“Goedeavond [A (voornaam)] graag de factuur op [gedaagde sub 1] BV Postbus [postbusnummer]
[postcodenummer] [plaats 4] 5000 incl BTW dank en fijne avond we bellen morgen nog even om het kort tw sluiten
Fijne Avond
Gr [gedaagde sub 2 (voornaam)] ”
3.3. [eiseres] heeft in haar akte uitlating bevestigd dat uit het Whatsappbericht van 17 juli 2019 inderdaad blijkt dat er een overeenkomst tussen partijen is gesloten waarbij de originele vordering tot betaling van de annuleringskosten wordt omgezet in een verplichting van [gedaagde sub 1] c.s. om een bedrag van € 5.000,- te betalen. De kantonrechter stelt vast dat [eiseres] niet langer aanspraak kan maken op de oorspronkelijke annuleringsvergoeding, maar dat de nadere afspraak geldt.
3.4. Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde sub 1] c.s. al € 1.000,- heeft betaald. Er resteert dus nog een bedrag van € 4.000,-. Dat bedrag moet [gedaagde sub 1] c.s. betalen en daartoe zal hij worden veroordeeld.
De buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente3.5. Het bedrag van € 5.000,- is door [eiseres] op 18 juli 2019 gefactureerd en moest binnen 30 dagen betaald worden. [gedaagde sub 1] c.s. verkeert met de betaling in verzuim. [eiseres] vordert de wettelijke handelsrente vanaf de vervaldatum van de factuur van 14 februari 2020. De wettelijke rente is vanaf 14 februari 2020 toewijsbaar.
3.6. [eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Het gevorderde bedrag van € 525,- is in lijn met het Besluit en zal worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal ook worden toegewezen.
Proceskosten3.7.
[gedaagde sub 1] c.s. is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde sub 1] c.s. hoeft alleen het deel van het griffierecht te vergoeden dat hij bij een ingestelde vordering van € 4.000,- verschuldigd zou zijn. [eiseres] heeft immers aan zichzelf te wijten dat zij in eerste instantie een hogere vordering bij de rechtbank heeft ingediend. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
123,16
- griffierecht
€
514,00
- salaris gemachtigde
€
720,00
(2,5 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.501,16
3.8. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4. De beslissing
De kantonrechter
4.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.000,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 14 februari 2020, tot de dag van volledige betaling,
4.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 525,00 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling
4.3. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten van € 1.501,16, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4. veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.