Skip to main content

ECLI:NL:RBMNE:2026:3856

Instanță

Lelystad

Data

4 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Lelystad

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

locatie Lelystad

zaaknummer: C/16/607393 / FL RK 26-234

Omgang

Beschikking van 4 juni 2026

in de zaak van:

[de vader],

wonende in [plaats 1] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. A. Patist,

tegen

[de moeder],

wonende in [plaats 2] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. K. Benchaïb.

1. De procedure

1.1. De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift (met bijlagen) van de vader, binnengekomen op 23 februari 2026;

het bericht van de vader van 19 maart 2026;

het verweerschrift (met bijlagen) van de moeder met daarin een aantal zelfstandige verzoeken van 24 april 2026;

het verweerschrift (met bijlagen) van de vader op de zelfstandige tegenverzoeken van de moeder met daarin een aantal tegenverzoeken van 30 april 2026;

het bericht (met bijlagen) van de moeder van 5 mei 2026;

het bericht (met bijlage) van de vader van 6 mei 2026.

1.2. De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van

7 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:

de vader en zijn advocaat;

de moeder en haar advocaat;

[A.] , als vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).

2. Waar de procedure over gaat

2.1. De ouders hebben een relatie met elkaar gehad.

2.2. Zij hebben samen een kind: [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2023 in [geboorteplaats] .

2.3. [minderjarige] woont bij de moeder.

2.4. De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over hem moeten nemen.

2.5. Er is geen ouderschapsplan. Dat betekent dat de ouders niet samen afspraken hebben gemaakt over de zorg voor [minderjarige]

2.6. Bij beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank is – voor zover van belang in deze procedure – de volgende (opbouwende) zorgregeling vastgesteld, waarbij:

de zorgregeling met ingang van 20 mei 2024 voor vier weken wordt opgebouwd waarbij twee keer per week omgang plaatsvindt tussen de vader en [minderjarige] . Iedere maandag heeft de vader van 13.00 tot 16.00 uur omgang met [minderjarige] in de woning van de moeder in [plaats 3] . Iedere vrijdag brengt de moeder [minderjarige] om 12.00 uur bij de vader in [plaats 1] , waarna zij [minderjarige] om 15.00 uur weer ophaalt bij de vader thuis;

met ingang van 17 juni 2024 heeft [minderjarige] elke maandag van 13.00 tot 16.00 uur omgang met de vader in of rond [plaats 3] . Omdat [minderjarige] nog erg jong is en het slecht weer kan zijn tijdens de omgang hebben de ouders afgesproken dat het in overleg mogelijk is dat de omgang bij de moeder thuis plaatsvindt. De vader dient dit tijdig met de moeder te overleggen;

[minderjarige] iedere vrijdag van 10.00 tot 18.00 uur bij de vader verblijft. De moeder brengt [minderjarige] om 10.00 uur bij de vader thuis in [plaats 1] en de vader brengt [minderjarige] om 18.00 uur terug bij de moeder thuis in [plaats 3] ;

de wisselmomenten op maandag en vrijdagmiddag vinden plaats bij de moeder thuis en het wisselmoment op vrijdagochtend vindt plaats bij de vader thuis.

2.7. Bij vonnis in kort geding van 6 augustus 2024 van deze rechtbank is – samengevat – de moeder veroordeelt tot het nakomen van de zorgregeling zoals vastgesteld bij de hiervoor genoemde beschikking, op straffe van een dwangsom van € 250,- per overtreding per dag of gedeelte van een dag, tot een maximum van € 5.000,-.

2.8. De moeder is in hoger beroep gegaan tegen de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 27 maart 2025 de beschikking van 14 juni 2024 van deze rechtbank vernietigt en de volgende zorgregeling vastgesteld:

de opbouwperiode

  • in week 14 heeft [minderjarige] omgang met de vader op maandagmiddag 31 maart 2025 van14.00. uur tot 17.00 uur in [plaats 3] en op vrijdag 4 april 2025 van 10.00 uur tot 18.00 uur in [plaats 1] ;

[minderjarige] zal drie keer in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zaterdagmiddag 15.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 11 april 2025, vrijdag 25 april 2025 en vrijdag 9 mei 2025;

daarna zal [minderjarige] drie keer in de weekenden in de oneven weken bij de vader verblijven van vrijdagochtend 9.00 uur tot zondagochtend 10.00 uur; het gaat dan om de weekenden startend op vrijdag 23 mei 2025, vrijdag 6 juni 2025 en vrijdag 20 juni 2025;

vanaf week 15 heeft [minderjarige] daarnaast omgang met de vader op de maandagen in de oneven weken van 14.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op 7 april 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;

de ouder bij wie [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;

de definitieve zorgregeling

[minderjarige] verblijft met ingang van het weekend dat start op vrijdag 4 juli 2025 eens in de veertien dagen een weekend bij de vader van vrijdag 9.00 uur tot zondag 17.00 uur;

daarnaast heeft [minderjarige] eens in de veertien dagen omgang met de vader op de maandagen van 9.00 uur tot 17.00 uur, voor het eerst op maandag 14 juli 2025, waarbij de locatie ter vrije bepaling van de vader staat;

de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.

3. De verzoeken

3.1. De vader verzoekt na aanvulling van zijn verzoeken – samengevat – de rechtbank te bepalen dat:

Zorgregeling vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat

  • [minderjarige] vanaf het moment dat hij naar de basisschool gaat steeds per drie weekenden, twee weekenden van vrijdag uit school tot zondag na het avondeten bij de vader is, waarbij de moeder [minderjarige] naar de vader toebrengt en de vader [minderjarige] naar de moeder terugbrengt;

2026 (als [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat)

  • [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:

o van 24 april 2026 tot en met 1 mei 2026;

o in week 1, 3 en 4 van de zomervakantie 2026 zoals het schema schoolvakanties geldt in de gemeente [gemeente] ;

o of de eerste week of de tweede week van de kerstvakantie;

2027 (in de periode voordat [minderjarige] naar de basisschool gaat)

  • [minderjarige] op de volgende momenten bij de vader verblijft:

o gedurende één week in de voorjaarsvakantie;

o week 1, 3 en 4 van de zomervakantie;

vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat (na de zomervakantie van 2027)

primairde vakantie- en feestdagen bij helfte worden verdeeld en de ouders in september van ieder jaar afspraken maken voor het dan volgende schooljaar;

subsidiairindien en voor zover het niet lukt om de schoolvakanties in september van ieder jaar in onderling overleg te verdelen:

o dat zal gelden dat de vader in de oneven jaren (waarmee bedoeld het jaar waarin de afspraken in september gemaakt zouden moeten worden) de eerste keuze heeft en de moeder in de even jaren, waarbij in elk geval zal gelden dat de zomervakantie wordt opgedeeld in twee perioden van drie weken;

o voor de tweeweekse schoolvakanties (mei en kerst), zal gelden dat elk van de ouders de gelegenheid heeft om één week met [minderjarige] door te brengen;

o in de schoolvakanties die één week duren de reguliere zorgregeling doorloopt, tenzij één van de ouders gedurende die week op vakantie wil met [minderjarige] ;

feestdagen

oud en nieuw: jaarlijks wisselend;

Sinterklaas (5 december): jaarlijks wisselend;

Koningsdag: jaarlijks wisselend;

Moederdag: bij moeder;

Vaderdag: bij vader;

Kerst: het ene jaar verblijft [minderjarige] op kerstavond en eerste kerstdag bij de ene ouder en van tweede kerstdag om 9.00 uur bij de andere ouder en dit het andere jaar andersom is;

Oud en Nieuw: [minderjarige] verblijft bij de ouder waar hij dat jaar op tweede kerstdag verbleef;

verjaardag [minderjarige] : de reguliere zorgregeling doorloopt;

Overige bijzondere dagen

  • te bepalen dat er te allen tijde de mogelijkheid is dat [minderjarige] op bijzondere dagen, zoals familieaangelegenheden, bruiloften, jubilea en uitvaarten, hij deze kan bijwonen en dus wordt afgeweken van de reguliere zorgregeling;

dan wel een beslissing te nemen die de rechtbank juist vindt;

in alle gevallen de moeder te veroordelen in de proceskosten.

3.2. De moeder is het niet eens met de verzoeken van de vader en vindt dat deze moeten worden afgewezen. De moeder wil dat de ouders naar een Parallel Solo Ouderschap traject via de gemeente [gemeente] worden doorverwezen en in dat kader de regeling zoals opgenomen in het door de moeder opgestelde concept ouderschapsplan als uitgangspunt wordt genomen voor het uitbreiden van de zorgregeling in de vakanties en feestdagen in de toekomst.

3.3. Bij wijze van een zelfstandig verzoek verzoekt de moeder om:

vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, vervalt de vrijdag 09:00–17:00 uur bij vader en zal de aanvangstijd van de weekendregeling aangepast worden naar een tijd na schooltijd, in alle redelijkheid en in overleg, rekening houdend met de te reizen afstand;

met ingang van de datum dat [minderjarige] de schoolgaande leeftijd bereikt, zullen vakantieperiodes geleidelijk ingevuld worden en worden opgebouwd in aantal overnachtingen bij vader, waarbij [minderjarige] leeftijd, ontwikkeling en gewenningsperiode in acht genomen worden;

ten aanzien van de feestdagen geldt dat deze worden gedeeld zoveel mogelijk aansluiting zoekende bij de weekendregeling die geldt.

3.4. De vader is het niet eens met de zelfstandige verzoeken van de moeder en vindt dat deze moeten worden afgewezen.

4. De beoordeling

4.1. De rechtbank zal het volgende beslissen:

de beslissing over de zorgregeling en de definitieve beslissing over de verdeling van de vakantie- en feestdagen zal voor de duur van negen maanden worden aangehouden in afwachting van het Parallel Solo Ouderschapstraject;

er zal een voorlopige verdeling van de vakantie- en feestdagen gelden, welke luidt als volgt:

o verjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;

o zomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;

o herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;

o Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;

o kerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van

18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van 26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;

o voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;

  • de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder.

4.2. De rechtbank legt haar beslissing hierna uit.

4.3. In de wet staat dat beide ouders het recht op en de verplichting tot gelijkwaardig ouderschap hebben.Dat betekent niet dat de zorg altijd 50/50 verdeeld moet worden. Wel brengt het mee dat de ouders allebei een gelijkwaardige positie hebben en een daarbij passende rol voor [minderjarige] moeten kunnen vervullen. Ook staat in de wet dat de ouders de verplichting hebben om de bang van hun kind met de andere ouder te bevorderen.Dit wettelijke kader vormt het uitgangspunt bij de beoordeling van de verzoeken van de ouders.

4.4. De achtergrond van deze wettelijke bepalingen is dat het in zijn algemeenheid in het belang van de identiteitsontwikkeling van een kind is dat het met beide ouders goed contact heeft. Dat geldt ook voor [minderjarige] . Het lukt de ouders op dit moment echter niet om op een goede manier aan hun wettelijke verplichting te voldoen. Zij houden allebei veel van hun zoon, maar blijven – tegen het belang van [minderjarige] in – verwikkeld in een voortdurende strijd over wanneer [minderjarige] bij welke ouder verblijft. De oorzaak hiervoor lijkt te zijn dat er veel tussen de ouders is gebeurd in het verleden en dat dit hen in de weg blijft staan. Allebei hebben ze hier in de processtukken en tijdens de zitting over verteld. De grootste zorg van de vader is daarbij dat de moeder hem uit het leven van [minderjarige] duwt. Hij heeft het gevoel dat hij ieder extra moment met [minderjarige] moet bevechten, omdat de moeder hem geen ruimte gunt in het leven van [minderjarige] . De moeder maakt zich op haar beurt ook zorgen. Zij voelt zicht door de vader geïntimideerd omdat hij zich dwingend en bepalend opstelt, en geen enkel oog heeft voor haar zorgen over [minderjarige] . De zorgen komen er, verkort weergegeven, op neer dat de moeder betwijfelt of de vader wel rekening houdt met wat voor [minderjarige] het beste is.4.5. Deze strijd tussen de ouders is niet goed voor [minderjarige] . Hij is nu nog jong, maar krijgt al veel mee, en dat zal als hij ouder wordt alleen maar meer worden. Het is belangrijk dat de ouders alles op alles zetten om dit anders te gaan doen en zich daarbij te richten op wat zijzelf – niet de ander, maar zijzelf – kunnen doen. De ouders hebben tijdens de zitting verteld dat zij allebei nog altijd bereid om aan de slag te gaan met het Parallel Solo Ouderschapstraject. De rechtbank wil de ouders de kans geven om dit hulpverleningstraject aan te gaan, zodat zij kunnen werken aan de onderliggende problematiek en zij zich – los van elkaar – kunnen ontwikkelen en zij weer gaan handelen in het belang van [minderjarige] . Om deze reden zal de rechtbank nu nog geen beslissing nemen over de definitieve zorgregeling en verdeling van de vakantie- en feestdagen, maar deze beslissing nog negen maanden uitstellen. In de tussentijd blijft de reguliere zorgregeling gelden zoals deze nu is. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding om hier nu – in het belang van [minderjarige] – een wijziging in aan te brengen. De strijd tussen de ouders is, zoals toegelicht, op zichzelf heel zorgelijk en gaat ten koste van de (emotionele) veiligheid van [minderjarige] , maar het is niet gebleken dat het bij één van de ouders los hiervan onveilig is of dat één van hen niet goed voor [minderjarige] kan zorgen. De rechtbank wil van de ouders over uiterlijk negen maanden bericht krijgen over hoe zij willen dat het verder gaat in deze procedure.

Voorlopige vakantie- en feestdagenregeling4.6. In de tussentijd zal de rechtbank wel een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vaststellen (tot en met de voorjaarsvakantie 2027), zodat hier de komende periode – terwijl ouders met hulpverlening aan de slag gaan – in ieder geval duidelijkheid over is en dit de strijd hierover hopelijk vermindert. De rechtbank heeft hiervoor geschetst hoe deze voorlopige vakantie- en feestdagenregeling eruit zal zien. De rechtbank is tot de hiervoor genoemde regeling gekomen, omdat zij het in het belang vindt van [minderjarige] dat hij meer (en kwalitatieve) tijd met zijn vader kan doorbrengen. Om die reden vindt de rechtbank het goed dat [minderjarige] ook naast de reguliere zorgregeling tijd met zijn vader heeft, end at daar een concrete opbouw in plaatsvindt. De moeder heeft verteld dat zij op zichzelf niet tegen een opbouw is, maar zij wil wel dat deze in (hele) kleine stappen plaatsvindt. De rechtbank vindt een geleidelijke opbouw ook belangrijk, maar vindt tegelijkertijd dat het nu wel tijd is voor iets langere periodes van [minderjarige] bij zijn vader. Een 50/50 verdeling zou daarbij een duidelijk en logisch doel zijn – de moeder heeft ook gezegd dat zij daar uiteindelijk ook wel naartoe zou willen. Op dit moment is dat nog een te grote stap. Feit blijft dat dit voor grote weerstand zorgt bij de moeder en dat [minderjarige] hier – al dan niet bewust – het nodige van meekrijgt, terwijl het juist zo belangrijk is dat de moeder [minderjarige] emotionele toestemming geeft in het contact met de vader. Hier kan de hulpverlening bij gaan helpen. Omdat [minderjarige] nog jong is, is in de zomervakantie een ‘pauze’ ingebouwd. Hij is twee keer 5 dagen bij zijn vader, zodat hij op die manier kan wennen aan het idee om langere tijd aaneengesloten bij de vader door te brengen.

De uitvoerbaarheid bij voorraad4.7. De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

5. De beslissing

De rechtbank:

5.1. stelt de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast:

verjaardag [minderjarige]: de reguliere zorgregeling loopt door;

zomervakantie 2026: [minderjarige] verblijft in week 1 en in week 4 van de zomervakantie van maandag tot vrijdag, aansluitend op het omgangsweekend van de vader, bij de vader;

herfstvakantie 2026: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;

Sinterklaas: de reguliere zorgregeling loopt door;

kerstvakantie 2026-2027 (inclusief de feestdagen): [minderjarige] verblijft van

18 december 2026 9.00 uur tot 26 december 2026 11.00 uur bij de vader en van

26 december 2026 11.00 uur tot en met 3 januari 2027 bij de moeder;

  • voorjaarsvakantie 2027: [minderjarige] verblijft, aansluitend op het omgangsweekend bij de vader, twee dagen extra bij de vader;

  • de ouder waarbij [minderjarige] op dat moment verblijft is verantwoordelijk voor het brengen van [minderjarige] naar de andere ouder;

5.2. verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.3. houdt de (verdere) beslissing over de definitieve zorgregeling, vakantie- en feestdagenregeling aan voor de duur van negen maanden, in afwachting van de uitkomst van het Parallel Solo Ouderschapstraject, met het verzoek aan de advocaten om tijdig voor die datum te laten weten:

of meer uitstel nodig is en zo ja, voor hoe lang;

of een nieuwe zitting nodig is;

of de rechtbank een beslissing kan nemen zonder nieuwe zitting.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. J.M. Atema, (kinder)rechter, in samenwerking met de griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juni 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Art. 1:247 lid 4 BW.

Art. 1:247 lid 3 BW.

Mai Multe Decizii