[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbmne-2026-4048":3,"decision-more-ecli-nl-rbmne-2026-4048":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"467","ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","",71,"Lelystad","lelystad","2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND\n\nStrafrecht\n\nZittingsplaats Lelystad\n\nParketnummers: 16\u002F164779-25; 09\u002F203218-25 (t.t.z. gevoegd);\n\nTegenspraak\n\nVonnis van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de strafzaak van:\n\n [verdachte] ,\n\ngeboren op [2006] in [geboorteplaats] ,\n\nverblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,\n\n(hierna: de verdachte).1. Zitting\n\nDe strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 24 juni 2026.\n\nOp de zitting waren aanwezig:\n\nde verdachte;\n\nde officier van justitie: mr. N. Schipper;\n\nde advocaat van de verdachte: mr. S.J. Jansen (hierna: de advocaat);\n\nde advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. A.J.W.F. Segeren, waarnemend voor mr. J.L. L’Homme;\n\nde gemachtigde van de benadeelde partij Univé Dichtbij Brandverzekering N.V..2. Tenlastelegging\n\nDe officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:\n\n16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht bij een bedrijfspand, gelegen aan de [adres] , door met een steen een ruit van dat pand in te gooien en een explosief aan te steken, waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere in vereniging een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een IED (Improviced Explosieve Device) voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Btr, een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten, 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B), 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en 1 scherp patroon 6.35Br (Geco), voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid van ongeveer 332,6 gram MDMA en een hoeveelheid van ongeveer 2.000 zegels bevattende LSD;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam opzettelijk zonder registratie een hoeveelheid van ongeveer 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk in vereniging [slachtoffer] heeft geprobeerd op te lichten door haar te bewegen een tas met waardevolle spullen aan verdachte af te geven.\n\nDe volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.3. Bewijs\n\n3.1.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd.\n\nDe standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.\n\n3.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 3, 4 en 5 onder de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25. Ten aanzien van de overige feiten refereert de advocaat zich aan het oordeel van de rechtbank.\n\nDe advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden - voor zover van belang voor de beoordeling - hierna besproken onder paragraaf 3.3.\n\n3.3.. Oordeel van de rechtbank\n\n3.3.1.. Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nTen aanzien van feit 1 en 2\n\nDe verdachte bekent dat hij de feiten 1 en 2 heeft gepleegd, zoals deze hieronder bewezen zijn verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van die feiten gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert. De bewijsmiddelen staan in bijlage II van dit vonnis.\n\nTen aanzien van feit 3, 4 en 5\n\nDe rechtbank oordeelt dat ook feiten 3, 4, en 5 zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\n09\u002F203218-25\n\nDe rechtbank oordeelt dat het ook onder dit parketnummer ten laste gelegde feit is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.\n\nEr zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.\n\n3.3.2.. \n\nBewijsoverwegingen\n\n16\u002F164779-25\n\nInleiding\n\nOp 16 januari 2025 heeft er in Almere bij de sportschool [benadeelde] een ontploffing plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze ontploffing heeft de politie een onderzoek ingesteld. Uit dit onderzoek kwam de verdachte naar voren. Op 8 juli 2025 is de verdachte in zijn woning aangehouden door de politie. Op dezelfde dag is zijn woning ook doorzocht. Tijdens deze doorzoeking is in de slaapkamer van de verdachte een Basic Fit rugtas aangetroffen, waarin o.a. (onderdelen van) wapens, munitie, LSD-vellen, MDMA-pillen en ketamine is aangetroffen.\n\nWetenschap aanwezigheid drugs en wapens\n\nDe advocaat heeft aangevoerd dat de verdachte niet de eigenaar was van de rugtas en ook niet heeft geweten wat er in de tas zat. De verdachte zou de rugtas voor een vriend van een vriend in bewaring hebben genomen. Wie dat (precies) is, weet hij niet. Hij zou niet hebben gevraagd wat er in de tas heeft gezeten en hij zou ook niet in de tas hebben gekeken.\n\nVoor “opzettelijk aanwezig hebben” (van harddrugs), voor “opzettelijk voorhanden hebben” (van (onderdelen van) wapens) en voor “opzettelijk in voorraad hebben” (van ketamine) is steeds vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanwezigheid van die spullen. Daarbij geldt dat ook de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat die goederen aanwezig zijn onder deze wetenschap kan worden geschaard. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas voor een ander moest bewaren, maar dat hij ook niet wist wie dat was, slechts dat het om een vriend van een vriend ging. Die onbekende derde zou de tas ongeveer twee weken eerder bij de verdachte hebben gebracht en hij zou nog aan de verdachte laten weten wanneer hij de tas weer zou komen ophalen. Onder deze omstandigheden had de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een onderzoeksplicht. Hij zegt dat hij geen vragen heeft gesteld over de inhoud van de tas en dat hij niet heeft gevraagd waarom het nodig was dat die tas nou juist op de slaapkamer van de verdachte werd ondergebracht. De tas is vervolgens twee weken bij hem gebleven, tot de politie deze heeft gevonden. De rechtbank is daarom van oordeel dat er ten minste sprake is van een bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans dat in de tas illegale waren zaten. De rechtbank oordeelt dat in dit geval sprake is geweest van het opzettelijk aanwezig (respectievelijk voorhanden hebben en in voorraad hebben) hebben van drugs, wapens en munitie en ketamine.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 onder parketnummer 16\u002F164779-25 van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.\n\n16\u002F164779-25\n\nDe verdachte stelt dat hij op 1 februari 2025 wel iets wilde ophalen, maar dat hij niet wist dat het een oplichting betrof. De verdachte heeft verklaard dat hij via snapchat benaderd is om met een aantal personen ergens wat op te halen en dat hij hiervoor ook een geldbedrag zou krijgen. De verdachte geeft aan dat hij deze personen niet kende en dat hij de persoon die hem benaderd had ook niet kende. De verdachte zou enkel een code moeten doorgeven en een tas op moeten halen.\n\nDe rechtbank oordeelt het op basis van deze omstandigheden niet geloofwaardig dat de verdachte niet zou hebben geweten dat het een oplichting betrof. Het is ongeloofwaardig dat hij een dergelijke cruciale rol bij de oplichting zou vervullen, zonder precies te weten hoe hij zich moest gedragen en wat hij moest zeggen en doen, waaruit volgt dat hij wist dat het om oplichting ging.\n\nConclusie\n\nGelet op het voorgaande is de rechtbank met betrekking tot het feit onder parketnummer 09\u002F203218-25 van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.\n\n3.4.. \n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:\n\nTen aanzien van 16\u002F164779-25\n\nfeit 1\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen,opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht en brand heeft gesticht in een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en- (vervolgens) een explosief tot ontbranding te brengen\n\nten gevolge waarvan dat pand gedeeltelijk is verbrand, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en de inboedel van dat pand en- ( nabijgelegen bedrijfspanden en inboedel van die nabijgelegen bedrijfspanden,in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nfeit 2\n\nop 16 januari 2025 te Almere, tezamen en in vereniging met anderen een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 3\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B) en• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nfeit 4\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, zijnde een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nfeit 5\n\nop 8 juli 2025 te Amsterdam, opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nTen aanzien van 09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\nop 1 februari 2025 te Stolwijk, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte of zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en van een valse hoedanigheid en door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en dat die [slachtoffer] en [valse naam 1] hun waardevolle spullen en sieraden en geld en creditcard en pinpassen in een tas moesten doen en dat politiemedewerker [valse naam 2] , die tas vervolgens zou komen ophalen en- die [slachtoffer] en [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , heeft voorgedaan en voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en heeft gezegd dat hij voor de tas kwam en- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nDe rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.\n\nDe taal- en\u002Fof schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.4. Kwalificatie en strafbaarheid\n\n4.1.. \n\nKwalificatie\n\nDe bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:\n\n16\u002F164779-25\n\nde eendaadse samenloop van:\n\nfeit 1\n\nin vereniging opzettelijk een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en\n\nfeit 2\n\nin vereniging handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 3\n\nhandelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;\n\nfeit 4\n\nopzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod;\n\nfeit 5\n\novertreding van een voorschrift gesteld bij artikel 38, eerste lid, van de Geneesmiddelenwet, opzettelijk begaan;\n\n09\u002F203218-25\n\nfeit 1\n\npoging oplichting in vereniging.\n\n4.2.. \n\nStrafbaarheid feit en verdachte\n\nDe feiten en de verdachte zijn strafbaar.5. Straf\n\n5.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:\n\n- een gevangenisstraf van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan een gedeelte van 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met als bijzondere voorwaarden kort gezegd:\n\no meewerken aan reclasseringstoezicht;\n\no ambulante begeleiding;\n\no het meewerken aan het vinden en behouden van dagbesteding;\n\no het meewerken aan het aflossen van schulden;\n\no een contactverbod met het slachtoffer en de medeverdachten.\n\n5.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat voert aan dat het jeugdsanctierecht toegepast moet worden. De verdachte was op het moment van het plegen van de feiten nog een jonge verdachte. De verdachte woonde op dat moment nog bij zijn moeder thuis. Hij ging niet meer naar school, maar zijn opleiding had hij nog niet afgerond. Hij was een zoekende jongvolwassene. Zijn jeugdigheid en beïnvloedbaarheid hebben een grote rol gespeeld bij het betrokken raken bij het ten laste gelegde. De advocaat verzoekt om in ieder geval geen langere vrijheidsstraf op te leggen dan de dagen die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De advocaat verzoekt om daarnaast een voorwaardelijke straf op te leggen onder voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd. De advocaat verzoekt om rekening te houden met het feit dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is.\n\n5.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.\n\nErnst en omstandigheden van de feiten\n\nDe verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere ernstige strafbare feiten en neemt daar nauwelijks verantwoordelijkheid voor. De verdachte heeft een ontploffing teweeg gebracht bij een sportschool, waardoor grote schade is ontstaan, maar waarmee de verdachte ook heeft bijgedragen aan gevoelens van angst en onveiligheid. In de eerste plaats bij de sportschoolhouder en zijn naasten, maar ook breder in de maatschappij. De verdachte\n\nzegt dat hij onder druk is gezet om dit feit te plegen. Daar gaat de rechtbank niet in mee. Uit het dossier blijkt niet van enige dreiging. Sterker nog, de verdachte meldt zich bij de opdrachtgever en vraagt hoeveel pap (de rechtbank begrijpt: geld) hij ervoor krijgt. De verdachte heeft – een kleine twee weken later – geprobeerd een vrouw op leeftijd op te lichten door zich met een valse naam en een verificatiecode, die even daarvoor telefonisch door zijn handlangers aan het slachtoffer waren doorgegeven, bij haar te melden. De enige reden dat het bij een poging is gebleven is dat het slachtoffer en haar kleinzoon zo alert waren om direct de politie in te schakelen, zodat de verdachte op heterdaad kon worden aangehouden toen hij de tas van het slachtoffer wilde aannemen. De verdachte zegt dat hij enkel mee zou gaan om iets op te halen, maar dat hij niet wist dat het om een oplichting ging. Ook daar gaat de rechtbank niet in mee. Het is algemeen bekend dat deze werkwijze gebruikt wordt om mensen geld en spullen afhandig te maken. Dat moet ook de verdachte hebben geweten, al was het maar omdat hij in september 2024, slechts enkele maanden eerder, door de politie is aangehouden en verhoord in een soortgelijke oplichtingszaak. Ook ten aanzien van de aangetroffen drugs, wapens en munitie ontloopt de verdachte zijn verantwoordelijkheid. Hij zegt dat hij niet wist wat er in de tas zat en dat hij het gewoon voor iemand bewaarde zonder daarbij zelf verkeerde bedoelingen te hebben gehad. De verdachte noemt dit zelf achteraf dom, maar de rechtbank is van oordeel dat er meer aan de hand is en dat de verdachte zijn eigen rol in al deze feiten kleiner maakt dan deze in werkelijkheid is. De feiten zijn kort achter elkaar gepleegd en de verdachte lijkt zijn les niet geleerd te hebben. De houding van de verdachte baart de rechtbank dan ook zorgen.\n\nEendaadse samenloop\n\nDe rechtbank betrekt in de strafmaat verder dat ten aanzien van de feiten 1 en 2 sprake is van eendaadse samenloop voor wat betreft het voorhanden hebben van het explosief.\n\nPersoonlijke omstandigheden van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte kennis genomen van:\n\n- het strafblad van 3 maart 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 20 mei 2026;\n\n- een rapport van Reclassering Nederland van 9 september 2025;\n\n- een Pro Justitia-rapport van 19 september 2025.\n\nDe advocaat heeft verzocht om toepassing van het jeugdsanctierecht. De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat er geen aanwijzingen in het dossier zijn voor toepassing van het jeugdsanctierecht. De ondersteuning van de reclassering lijkt van praktische aard en niet van pedagogische aard. De rechtbank volgt daarom ook het advies van de reclassering en de psycholoog om het volwassenstrafrecht toe te passen.\n\nUit het strafblad van de verdachte blijkt dat de verdachte voor soortgelijke feiten is veroordeeld na de pleegdata van onderhavige zaak. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan artikel 63 van het Wetboek van strafrecht.\n\nDe op te leggen straf\n\nGezien de aard en ernst van de strafbare feiten, zoals hiervoor uitvoerig is toelicht, kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. De rechtbank oordeelt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur passend en geboden is. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Het voorwaardelijk strafdeel dient als stok achter de deur om herhaling te voorkomen.\n\nDe rechtbank wijkt af van de strafeis van de officier van justitie, omdat de rechtbank in strafverminderende zin rekening houdt met de jeugdige leeftijd van de verdachte. De rechtbank houdt ook rekening met wat er in vergelijkbare zaken is opgelegd.\n\nTenuitvoerlegging van de straf\n\nDe gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend6. In beslag genomen voorwerpen\n\n6.1.. \n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen telefoon, simkaart, koffer en rugzak verbeurd te verklaren. Verder vordert de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen drugs, wapens en munitie.\n\n6.2.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat refereert zich ten aanzien van het beslag aan het oordeel van de rechtbank.\n\n6.3.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nBeslag met betrekking tot 16\u002F164779-25\n\nVerbeurdverklaring\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n- een telefoontoestel;\n\n- een simkaart\n\n- een koffer en\n\n- een rugzak,\n\nverbeurd verklaren.\n\nMet behulp van deze voorwerpen zijn de bewezen verklaarde feiten voorbereid dan wel begaan.\n\nOnttrekking aan het verkeer\n\nDe rechtbank zal de in beslag genomen voorwerpen, te weten:\n\n4 stuks LSD;\n\neen wapen;\n\n50 stuks munitie;\n\npoeder;\n\n880 pillen;\n\n2 stuks munitie;\n\n1 stuk munitie en\n\neen patroonhouder;\n\nonttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. De voorwerpen zijn bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte begane feit aangetroffen. Deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven.7. Vordering benadeelde partij\n\n7.1.. Vordering van de benadeelde partijen\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\n heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 45.453,14 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit € 42.953,14 voor vergoeding van materiële schade en € 2.500,- voor vergoeding van immateriële schade (smartengeld).\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nwerkzaamheden tot het ontruimen van het pand en reinigen: € 3.938,90;\n\nde aanschaf van nieuwe bokszakken en matten: € 29.887,-;\n\ngederfde winst: € 9.127,24.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\nDe benadeelde partij vraagt ook een vergoeding van € 500,- voor gemaakte proceskosten.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nUnivé Dichtbij brandverzekering N.V. heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 79.807,03 voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit vergoeding van materiële schade.\n\nDe materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:\n\nbedrijfsschade door bedrijfsstilstand: € 25.000,-;\n\nhuurdersbelang: € 10,760,-\n\nroerende zaken: €44.047,03.\n\nVerder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.\n\n7.2.. \n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie verzoekt op de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] volledig toe te wijzen, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De officier van justitie verzoekt op deze vordering hoofdelijk toe te wijzen.\n\nDe officier van justitie verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.3.. \n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe advocaat verzoekt om de post ten aanzien van de BTW af te wijzen, nu deze betaald is door de onderneming en er de mogelijkheid bestaat om deze BTW terug te vragen aan de belastingdienst dan wel te verrekenen in de kwartaalaangifte. De advocaat verzoekt om ook de post met betrekking tot de bokszakken en matten primair af te wijzen, omdat niet uit de stukken blijkt dat de schadepost het rechtstreekse gevolg is van het handelen van de verdachte. Subsidiair verzoek de advocaat deze post te matigen en in ieder geval toe te wijzen exclusief BTW. Ten aanzien van de gederfde winst verzoekt de advocaat om deze post niet-ontvankelijk te verklaren, nu niet blijkt hoe deze post zich verhoudt tot de al door de verzekering vergoede gederfde winst. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de advocaat geen opmerkingen.\n\nDe advocaat verzoekt om de benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V. niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.\n\n7.4.. \n\nOordeel van de rechtbank\n\nVordering benadeelde partij [benadeelde]\n\nDe rechtbank kan de vordering van de benadeelde partij niet beoordelen in deze strafzaak. Het gaat om een complexe vordering, die een uitgebreide (schriftelijke) behandeling vereist. Daarvoor is in de strafprocedure geen plaats, omdat dit leidt tot een te grote belasting van deze strafprocedure. De rechtbank overweegt daarbij als volgt. Niet alleen betreft dit een complexe vordering, maar er zijn ook een aantal vragen die onbeantwoord zijn gebleven met betrekking tot de btw en de aanschaf van (zoveel) bokszakken en matten. In de vordering is ook geen onderbouwing ten aanzien van het geestelijke letsel opgenomen en slechts in algemene termen iets opgemerkt over de gevolgen voor het slachtoffer, terwijl de jurisprudentie een meer substantiële onderbouwing vraagt. Ten aanzien van de proceskosten is onduidelijk of de juridische bijstand is verleend in onderhavige zaak of een andere zaak. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering. De benadeelde partij kan de vordering aan de burgerlijke rechter voorleggen.\n\nVordering benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekering N.V.\n\nAlleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit, komt voor vergoeding in aanmerking. In dit geval is geen sprake van rechtstreekste schade. De rechtbank volgt hierbij het oordeel van de Hoge Raad dat een verzekeraar in beginsel geen rechtstreekse schade lijdt door het misdrijf. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.8. Toegepaste wetsartikelen\n\nDe opgelegde straf en beslissing op het beslag zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:\n\nArtikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47, 55, 57, 63 en 157 van het Wetboek van Strafrecht;\n\nartikel 26 van de Wet wapens en munitie;\n\nartikelen 2 en 10 van de Opiumwet;\n\nartikel 38 van de Geneesmiddelenwet.9. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nbewezenverklaring\n\nverklaart bewezen dat de verdachte de feiten onder 16\u002F164779-25 1, 2, 3, 4 en 5 en het feit onder 09\u002F203218-25 heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;\n\nverklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feit\n\n- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 30 (dertig) maanden;\n\n- bepaalt dat van de gevangenisstraf een gedeelte van 12 (twaalf) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat verdachte de hierna te melden algemene en bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;\n\n- stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jarenvast;\n\n- als voorwaarde geldt dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte gedurende de proeftijd:\n\no meldplicht\n\nzich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. De reclassering zal contact met de verdachte opnemen voor de eerste afspraak.\n\no ambulante behandeling\n\nzich laat behandelen door de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De behandeling start zodra er plek is. De zorgverlener bepaalt de wijze van de behandeling. De behandeling is gericht op cognitieve en sociale vaardigheden.\n\no dagbesteding\n\nZich inspant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en\u002Fof vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.\n\no aflossing schulden\n\nmeewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering\n\nNatuurlijke Personen. Verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.\n\no contactverbod\n\nop geen enkele wijze – direct of indirect – contact op zal nemen, zal zoeken of hebben met de volgende personen:\n\n [A] (geboren [1981] );\n\n [B] (geboren [2003] );\n\n [C] (geboren [2007] )\n\n- waarbij de reclassering opdracht wordt gegeven als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;\n\n- bepaalt dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;\n\nbeslag\n\n- verklaart de volgende voorwerpen verbeurd:\n\n1 STK telefoontoestel (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555787, Zwart,\n\nmerk: Apple);\n\n1 STK Simkaart van zaktelefoon (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555755,\n\nvodafone);\n\n1 STK koffer (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555725);\n\n1 STK rugzak (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555732));\n\n- verklaart de volgende voorwerpen onttrokken aan het verkeer:\n\n4 STK LSD (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555718);\n\n1 STK wapen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555721);\n\n50 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555724, S&B);\n\n1 STK poeder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555729, Wit);\n\n880 STK pillen (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555740, Roze);\n\n2 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555742);\n\n1 STK munitie (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555825, FN);\n\n1 STK patroonhouder (omschrijving: PL0900-2025015788-G3555737);\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [benadeelde]\n\n- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nvordering tot schadevergoeding van benadeelde partij Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V.\n\n- verklaart Univé Dichtbij brandverzekeraar N.V. niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J.A. Koorevaar, voorzitter, mr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.D. Brenker als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\nMr. V.A. Groeneveld en mr. A.J. Reitsma zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.\n\nBijlage I: De tenlastelegging\n\nAan de verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:\n\nin de zaak met parketnummer 16\u002F164779-25\n\nFeit 1hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,opzettelijkeen ontploffing teweeg heeft gebracht en\u002Fof brand heeft gesticht bij\u002Fin een bedrijfspand (sportschool [benadeelde] ), gelegen aan de [adres] , door- met een steen een ruit van het pand in te gooien en\u002Fof- (vervolgens) een explosief\u002Fvuurwerkbom, althans brandbaar en\u002Fof explosief voorwerp\u002Fmateriaal aan te steken en\u002Fof tot ontbranding te brengen, in elk geval met open vuur in aanraking te brengen,ten gevolge waarvan dat pand geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand en\u002Fof een ontploffing is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor- dat pand en\u002Fof de inboedel\u002Fhuisraad van dat pand en\u002Fof- (een) nabijgelegen bedrijfspand(en) en\u002Fof inboedel\u002Fhuisraad van die\u002Fdat nabijgelegen bedrijfspand(en),in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;\n\nFeit 2hij op of omstreeks 16 januari 2025 te Almere,tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,een wapen van categorie II, onder 7 van de Wet wapens en munitie,te weten een geïmproviseerde explosieve constructie (improvised explosive device (IED)), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing,voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 3hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,- een wapen van categorie II, onder 4 van de Wet wapens en munitie, te weten een schietpen van kaliber 6.35Br, zijnde een vuurwapen dat uiterlijk geleek op een ander voorwerp dan een wapen en\u002Fof- een onderdeel van een pistool van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een patroonhouder van het merk FN, kaliber 40 S&W en\u002Fof- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten• 50 scherpe patronen 44REM MAG (S&B en\u002Fof• 2 scherpe patronen 9x19mm (Norma) en\u002Fof• 1 scherp patroon 6.35Br (Geco),voorhanden heeft gehad;\n\nFeit 4hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijkaanwezig heeft gehad- ongeveer 880,5 pillen \u002F 332,6 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en\u002Fof- ongeveer 4 vellen \u002F 2.000 zegels, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende LSD,zijnde MDMA en\u002Fof LSD (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;\n\nFeit 5hij op of omstreeks 8 juli 2025 te Amsterdam,opzettelijk zonder registratie een werkzame stof, te weten (ongeveer) 465,4 gram Ketamine in voorraad heeft gehad;\n\nin de zaak met parketnummer 09\u002F203218-25\n\nFeit 1\n\nhij, op of omstreeks 1 februari 2025 te Stolwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en\u002Fof zijn mededaders voorgenomen misdrijf om, met het oogmerk om zich en\u002Fof een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en\u002Fof van een valse hoedanigheid en\u002Fof door listige kunstgrepen en\u002Fof door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer] , althans een ander, te bewegen tot de afgifte van enig goed, te weten een tas met (waardevolle) spullen, - naar de vaste telefoonlijn van die [slachtoffer] heeft gebeld en\u002Fof zich telefonisch (tegenover [valse naam 1] ) heeft voorgedaan als politiemedewerker en\u002Fof- telefonisch heeft verteld dat er sprake is van een verdachte situatie in de omgeving van de woning van die [slachtoffer] en\u002Fof dat die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] zijn\u002Fhaar\u002Fhun waardevolle spullen en\u002Fof sieraden en\u002Fof geld en\u002Fof creditcard en\u002Fof pinpassen in een tas moest\u002Fmoesten doen en\u002Fof dat politiemedewerker [valse naam 2] ,althans een persoon, die tas vervolgens zou komen ophalen en\u002Fof- die [slachtoffer] en\u002Fof [valse naam 1] een zogenaamde code heeft gegeven ter verificatie van de persoon die voornoemde goederen op zou komen halen en\u002Fof- (vervolgens) zich naar de woning van die [slachtoffer] heeft begeven en\u002Fof- zich aldaar als politiemedewerker [valse naam 2] , althans als een ander, heeftvoorgedaan en\u002Fof voornoemde code met die [slachtoffer] heeft geverifieerd en\u002Fof heeftgezegd dat hij voor de tas kwam en\u002Fof- heeft geprobeerd een tas van die [slachtoffer] aan te pakken,terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nBijlage II: Bewijsmiddelen\n\n16\u002F164779-25\n\nFeit 1 en 2\n\nde bekennende verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2026;\n\nhet in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal forensisch onderzoek bedrijf, inclusief bijlagen, van verbalisant [verbalisant 1] van 4 februari 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\n- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingenvan verbalisant [verbalisant 2] van 13 juni 2025, opgemaakt door de politie Eenheid Midden-Nederland;\n\nFeit 3, 4 en 5\n\nDe verklaring van de verdachte ter terechtzittingvan 24 juni 2026, zakelijk weergegeven:\n\nIk had de basic fit tas in bewaring voor een vriend van een vriend en het lag er ongeveer twee weken.\n\nVerbalisant [verbalisant 2] heeft in een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagnamevan 8 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nTijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:1x basic fit rugtas, gevonden op de slaapkamer van verdachte naast het bed;1x patroon houder, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte2x losse patroon, scherp, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x doos met 50 STKs scherpe patronen .44 REMMINGTON, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte koffer, handformaat, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x plastic houder voor patronen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte1x simkaart van Vodafone, aangetroffen in de zwarte koffer op de slaapkamer van de verdachte1x zwarte iPhone, aangetroffen op de slaapkamer van de verdachte, op het bureau\n\nIn de woning, in de slaapkamer van verdachte [verdachte] , werden tevens ook vermoedelijk drugs aangetroffen. Dit betrof:880,5 roze pillen, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte4 vellen, grijs van kleur, met daar in 2000 zegels, vermoedelijk een bepaald soort drug wat op deze vellen wordt gemaakt, gevonden in de basic fit tas op de slaapkamer van de verdachte.\n\nVerbalisant [verbalisant 3] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 31 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nDeze schietpen is een voorwerp bestemd om projectielen of stoffen door een loop af te schieten. De werking van deze schietpen berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing. Dit vuurwapen gelijkt qua uiterlijk op een ander voorwerp dan een wapen, namelijk een pen. Derhalve is dit wapen een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 gelet op artikel 2 lid 1 categorie II onder 4 van de Wet wapens en munitie.\n\nBovenvermeld voorwerp is een patroonmagazijn, merk FN, kaliber .40 S&W - .357 SIG, zijnde een wezenlijk en specifiek onderdeel van een wapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie worden onderdelen van en hulpSTKken voor wapens beschouwd als complete wapens in die zin dat daarop dezelfde regels van toepassing zijn. Dit voorkomt onder andere dat de wettelijke verboden kunnen worden ontdoken door wapens te demonteren, (toelichting Wet wapens en munitie) . Derhalve is een patroonmagazijn een vuurwapen als bedoeld in artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de wet wapens en munitie, mede gelet op het gestelde in artikel 1 onder 3e en artikel 3 lid 1 van de Wet wapens en munitie. Gelet op bovenstaande worden onderdelen, een patroonmagazijn, in de Wet wapens en munitie, gelijk gesteld met een vuurwapen. Het voorhanden hebben is strafbaar gesteldin artikel 26 lid 1 en 55 lid 3 onder a van het Wet wapens en munitie. Dit patroonmagazijn behoort tot een vuurwapen, pistool, merk FN, model FNP, beschikbaar in zowel kaliber .40 S&W als .357 SIG.\n\n(a) 50 scherpe kogelpatronen , kaliber .44 magnum (foto's 7 t\u002Fm 10)Bovengenoemde 50 scherpe kogelpatronen kaliber .44 magnum, merk Sellier & Bellot, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber .44 magnum af te schieten.(b) 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm (foto's 11 & 12)Bovengenoemde 2 scherpe kogelpatronen, kaliber 9xl9mm, merk norma, zijn munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van een scherpschietend vuurwapen kaliber 9xl9mm af te schieten.(c) 1 scherp kogelpatroon , kaliber 6.35mm Br (foto's 13 & 14)Bovengenoemd scherp kogelpatroon, kaliber 6.35Br, merk Geco, is munitie bestemd of geschikt om een projectiel door middel van het onder 1 genoemde vuurwapen en elk ander scherpschietend vuurwapen kaliber 6.35Br af te schieten.Derhalve zijn deze patronen munitie in de zin van artikel 1 aanhef onder 4, gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie.\n\nVerbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben in een proces-verbaal van bevindingenvan 10 juli 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nOnderzoek aan '4x blottervellen met elk 500 zegels' (AARM3363NL)\n\nNettogewicht: 32,6 gram,Uniek voorwerp nummer: AASU7098NL\n\nResultaat: indicatie LSD\n\nOnderzoek aan 'sealbag met roze tabletten \"Punisher\"' (AARM3362NL)\n\nNetto gewicht 332,6 gramUniek voorwerp nummer: AASU7097NLResultaat: identificatie MDMA\n\nOnderzoek aan 'lx plastic zak (gevacuumeerd) met wit kristalachtig poeder (AARM3364NL)Nettogewicht: 2,34 gram,\n\nUniek voorwerp nummer: AASU7099NL\n\nResultaat: indicatie Ketamine\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555718\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Verdovende mid (LSD)\n\nAantal : 4 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 4 x een vel met daarop 500 kleine lsd zegels, dus 2000\n\nzegeltjes in totaal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555721\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Loop)\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Losse loop, mogelijk een zelfstandig wapen\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555724\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 50 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 50x .44 patronen in doos.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555729\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Poeders\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : Zak met wit poeder \u002F kristal.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555740\n\nCategorie omschrijving : Medicamenten\u002Fhulpmiddelen\n\nObject : Pillen\n\nAantal : 880 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 880 roze, driehoekige pillen.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PLO0900-2025015788-3555742\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Munitie (Kogelpatroon)\n\nAantal : 2 STKs\n\nInhoud\u002Fsepcificaties : 2 x los patroon.\n\nDe kennisgeving van inbeslagneming, datum registratie 8 juli 2025:\n\nInbeslagneming\n\nPlaats : [adres] , [woonplaats]\n\nDatum en tijd : 8 juli 2025\n\nOmstandigheden : Aangetroffen in een rugzak, in de slaapkamer van de verdachte\n\nBeslagene\n\nAchternaam : [verdachte]\n\nVoornamen : [voornamen]\n\nVolgnummer 1\n\nGoednummer : PL0900-2025015788-3555825\n\nCategorie omschrijving : Wapens\u002Fmunitie\u002Fspringstof\n\nObject : Vuurwapen (Patroonhouder)\n\nSealbagnummer : 72308791\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 10 juli 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AARM3362NL\n\nOmschrijving FO: tablet, roze, uit 332,6 gram; aantal bemonsteringen in onderzoek: een\n\nConclusie: bevat MDMA\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 7 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7099NL\n\nOmschrijving: monster witte kristallen\n\nConclusie: vrijwel zuivere ketamine HCI\n\nUit een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5 Wetboek van Strafvordering, te weten een rapport van het NFiDENT van 5 augustus 2025, volgt onder meer het volgende, zakelijk weergegeven:\n\n Kenmerk: AASU7098NL\n\nOmschrijving: monster, een STKje meerkleurig papier, door middel van perforatie te verdelen in 24 eenheden\n\nConclusie: bevat LSD\n\n09\u002F203218-25\n\nUit het proces-verbaal van aangiftevan 1 februari 2025 blijkt dat [slachtoffer] onder meer het volgende, zakelijk weergegeven, heeft verklaard:\n\nIk moest waardevolle spullen en sieraden in een tas doen. Er zou een donkere jongen aan de deur komen om de tas op te halen. Ik moest aan de deur een code geven.\n\nDe man aan de telefoon zei dat er nu iemand aan de deur stond. Ik liep naar de deur en zag een jongen staan. Het was 20.15 uur. De jongen had een getinte huidskleur.\n\nHij zei ik kom voor de tas. Ik verifieerde de code met de jongen en strekte mijn hand met de tas uit.Ik zag dat de jongen de tas wilde pakken. Op dat moment kwam de politieagent uit de woning en heeft de jongen aangehouden.\n\nVerbalisant [verbalisant 6] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 1 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nIk hoorde een jongens- mannenstem aan de telefoon. Ik hoorde dat deze vloeiend ABN sprak. Ik hoorde dat hij zich voorstelde als medewerker van de recherche uit Gouda.\n\n(…)\n\nIk hoorde dat de man aan de telefoon zei dat er inbrekers actief waren en dat de kans groot was dat deze ook aan de [adres] zouden langskomen. Hierom moest melder waardevolle spullen in een tas stoppen en dichtknopen. Dit moest vooral geld en sieraden zijn.\n\n (…)\n\n Ik hoorde vervolgens dat de \"nep rechercheur\" aan de telefoon de lijn zou overgeven\n\naan iemand van het \"internetoplichtingteam\". Hierbij werden de namen [valse naam 2] en [valse naam 3] genoemd als de collega's die straks de sieraden zouden komen afhalen. Hierbij moest melder de volgende code aan de deur verifiëren: [code] .\n\n(…)\n\nIk hoorde dat melder de code op het briefje oplas. Ik hoorde de jongen voor de deur zeggen dat hij voor de tas kwam. Ik zag dat melder de tas pakte en uitstrekte naar de jongen. Ik zag dat de jongen zijn arm uitstak om de tas te pakken.\n\n(…)\n\nDe verdachte bleek later te zijn: [verdachte] geboren [2006] te [geboorteplaats] .\n\nVerbalisant [verbalisant 7] heeft in een proces-verbaal van bevindingenvan 15 februari 2025 – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:\n\nVerdachte [verdachte] verklaarde de gebruiker te zijn van zijn iPhone 16. In de Iphone is de accountnaam van Snapchat van de gebruiker ' [Snapchat accountnaam verdachte] '. Ten tijde van de oplichting van slachtoffer [slachtoffer] had ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ contact met ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ en met ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOp 1 februari 2025:\n\nOm 19.07 uur was er een inkomende oproep van ' [Snapchat accountnaam 1] '.\n\nDaarna nog een aantal uitgaande oproepen naar ' [Snapchat accountnaam 1] ', tot en met 19.10 uur.\n\nOm 19.12 uur waren er een aantal uitgaande berichten aan ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’: \"Kom snel”, “Snle”, “Snel”.\n\nOm 19.13 uur was er daarna een uitgaande oproep naar ‘ [Snapchat accountnaam 2] ’.\n\nOm 19.13 uur stuurde ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’ een bericht: “ […] ”, waarop ‘ [Snapchat accountnaam verdachte] ’ reageerde met: “Kom nu”, en reactie van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Oke”\n\nOm 19.15 uur was er een uitgaande oproep naar ' [Snapchat accountnaam 1] ’ van 14 seconden.\n\nOm 20.07 uur kwam een bericht binnen van ' [Snapchat accountnaam 1] ’ met de tekst:\n\n“ [valse naam 2] [code] ”\n\nOm 20.18 uur komt een bericht binnen van ‘ [Snapchat accountnaam 1] ’: “Yo kan je het vinden”\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met onderzoeksnaam Beagle, doorgenummerd pagina 1 tot en met 442. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\nPagina 65.\n\nPagina 143.\n\nPagina 187.\n\n Pagina 187.\n\n Pagina 188.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 305.\n\n Pagina 307.\n\n Pagina 193.\n\n Pagina 194.\n\n Pagina 195.\n\n Pagina 196.\n\n Pagina 427.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 428.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 429.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 432.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 437.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 438.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 442.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 197.\n\n Pagina 232.\n\n Pagina 233.\n\n Pagina 234.\n\n Pagina 235.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Den Haag met proces-verbaal nummer DH7R025007, doorgenummerd pagina 1 tot en met 131. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal. Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid onder 5 van het Wetboek van Strafvordering worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.\n\n Pagina 34.\n\n Pagina 34.\n\nPagina 35.\n\n Pagina 40.\n\nPagina 40.\n\nPagina 41.\n\n Pagina 58.\n\nPagina 59.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2026:4048","ecli-nl-rbmne-2026-4048",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,31,42,51,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":25,"language":12,"source":13,"sourceUrl":26,"summary":6,"slug":27,"metadata":28},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":29,"legalDomain":30,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":32,"ecli":33,"caseNumber":34,"courtId":35,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":36,"language":37,"source":38,"sourceUrl":6,"summary":39,"slug":40,"metadata":41},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":43,"ecli":44,"caseNumber":6,"courtId":45,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":46,"language":12,"source":13,"sourceUrl":47,"summary":6,"slug":48,"metadata":49},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":50,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":52,"ecli":53,"caseNumber":6,"courtId":54,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":55,"language":12,"source":13,"sourceUrl":56,"summary":6,"slug":57,"metadata":58},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":59,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":10,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]