[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-1590":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-1590":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1811","ECLI:NL:RBNHO:2026:1590","",73,"Alkmaar","alkmaar","2026-02-19T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-HOLLAND\n\nFamilie en Jeugd\n\nlocatie Alkmaar\n\nzaaknummer \u002F rekestnummer: C\u002F15\u002F345962 \u002F FA RK 23-5442 en C\u002F15\u002F364479 \u002F FA RK 25-2045\n\nBeschikking d.d. 19 februari 2026 betreffende de echtscheiding\n\nin de zaak van:\n\n [de vrouw] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de vrouw,\n\nadvocaat mr. P. Dorhout, gevestigd te Egmond aan den Hoef,\n\ntegen\n\n [de man] ,\n\nwonende te [plaats] ,\n\nhierna te noemen de man,\n\nadvocaat mr. S. Kuijs, gevestigd te Heiloo.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 18 oktober 2023;\n\n- het aanvullend verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 30 november 2023;\n\n- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de man, ingekomen op 25 januari 2024;\n\n- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek van de vrouw, ingekomen op 6 maart 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de man, ingekomen op 30 juli 2024;\n\n- het verweerschrift van de vrouw, ingekomen op 9 oktober 2024;\n\n- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 19 februari 2025;\n\n- het verweerschrift van de man, ingekomen op 16 april 2025;\n\n- nadere stukken van de man, ingekomen op 12 januari 2026, 13 januari 2026 en 15 januari 2026;\n\n- het aanvullend verzoek van de vrouw, ingekomen op 13 januari 2026.\n\n1.2.. Tijdens de mondelinge behandeling is medegedeeld dat de door de vrouw overgelegde productie 35 buiten beschouwing zal worden gelaten.\n\n1.3.. \n\nDe mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 januari 2026.\n\nBij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten.\n\n2. De beoordeling\n\n2.1.. Partijen zijn, onder het opmaken van huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , thans gemeente [gemeente] . Partijen hebben de Nederlandse nationaliteit.\n\n2.2.. \n\nUit het huwelijk van partijen is geboren de inmiddels jongmeerderjarige:\n\n- [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [geboortedatum] .\n\n2.3.. De rechtbank heeft bij beschikking van 22 februari 2024 voorlopige voorzieningen getroffen. Daarbij is [de jongmeerderjarige] toevertrouwd aan de vrouw, is een voorlopige zorgregeling vastgesteld en is bepaald dat de vrouw bij uitsluiting zal zijn gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning. Daarnaast is een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage bepaald van € 575,- per maand en een partnerbijdrage van € 571,- per maand.\n\n2.4.. Scheiding\n\n2.4.1.. Partijen hebben verzocht de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.\n\n2.4.2.. Het verzoek tot echtscheiding zal, als op de wet gegrond, worden toegewezen.\n\n2.5.. Hoofdverblijfplaats en zorgregeling\n\n2.5.1.. Partijen hebben hun verzoeken over de hoofdverblijfplaats en zorgregeling ingetrokken, omdat [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is. Dit betekent dat de rechtbank hierover geen beslissing meer hoeft te nemen.\n\n2.6.. Onderhoudsbijdragen\n\nKinderbijdrage\n\n2.6.1.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de jongmeerderjarige] (hierna ook: kinderbijdrage) vast te stellen van € 563,- per maand, met ingang van de datum van indiening van het zelfstandig verzoek (30 november 2023).\n\n2.6.2.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Nu [de jongmeerderjarige] inmiddels meerderjarig is, de vrouw niet is gemachtigd om [de jongmeerderjarige] te vertegenwoordigen voor wat betreft de onderhoudsbijdrage die aan hem moet worden betaald en de bijdrage die de man sinds de voorlopige voorzieningen betaalt, hoger is dan de door de vrouw verzochte bijdrage, zal het verzoek van de vrouw worden afgewezen. De man heeft ter zitting toegezegd dat hij de onderhoudsbijdrage van 575,- per maand, zoals die in de voorlopige voorzieningenprocedure is vastgesteld, zal blijven voldoen aan [de jongmeerderjarige] . De rechtbank gaat ervan uit dat hij zich hieraan zal houden.\n\nPartnerbijdrage\n\n2.6.3.. De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) vast te stellen van € 5.000,- per maand.\n\n2.6.4.. De man heeft daartegen verweer gevoerd. Hij betwist de door de vrouw gestelde huwelijksgerelateerde behoefte. Ook stelt de man dat de vrouw vanwege haar verdiencapaciteit geen aanvullende behoefte heeft en dat hij onvoldoende draagkracht heeft om de door de vrouw verzochte bijdrage te voldoen.\n\n2.8.3.. De rechtbank zal het verzoek beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het Tremarapport. De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen. Met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten overweegt de rechtbank als volgt.\n\nIngangsdatum\n\n2.6.5.. Uit de wet volgt dat de rechtbank de partnerbijdrage niet kan laten ingaan op een datum gelegen voor de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding. De rechtbank zal de ingangsdatum dan ook bepalen op laatstgenoemde datum.\n\nBehoefte\n\n2.6.6.. De vrouw heeft haar huwelijksgerelateerde behoefte berekend aan de hand van de zogenoemde Hofnorm, waarbij zij is uitgegaan van de inkomens van partijen over het jaar 2022, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan van partijen. Voor zover de man zich op het standpunt heeft gesteld dat de Hofnorm niet kan worden toegepast en de vrouw haar behoefte moet onderbouwen aan de hand van haar daadwerkelijke inkomsten en uitgaven (behoeftelijst), volgt de rechtbank hem daarin niet. De Hofnorm is een in de praktijk ontwikkelde vuistregel om de huwelijksgerelateerde behoefte te bepalen. Deze norm sluit aan bij het netto besteedbaar gezinsinkomen van de echtgenoten gedurende de laatste jaren van het huwelijk en gaat uit van een daaraan gerelateerd uitgavenpatroon. De Hofnorm biedt een heldere en in de praktijk eenvoudig te hanteren maatstaf die leidt tot een reële schatting van de behoefte van de onderhoudsgerechtigde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man zijn stelling dat niet van de Hofnorm kan worden uitgegaan, onvoldoende onderbouwd, zodat dit geen aanleiding vormt om hiervan af te wijken.\n\n2.6.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw tijdens het huwelijk een netto besteedbaar inkomen had van € 1.633,- per maand, zodat hiervan zal worden uitgegaan.\n\n2.6.8.. Verder is tussen partijen niet in geschil dat bij de berekening van het netto besteedbaar inkomen van de man tijdens het huwelijk, moet worden uitgegaan van het salaris dat de man ontving als DGA van [BV] ter hoogte van € 48.075,- bruto per jaar in 2022 en met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen van in totaal € 14.561,- per jaar (opbrengst € 17.092,- minus kosten € 545,- en vrijstelling € 1.986,-). De vrouw stelt dat daarnaast rekening moet worden gehouden met een dividenduitkering die is gedaan of had kunnen worden gedaan aan de man vanuit [onderneming] (hierna: [onderneming] ) ter hoogte van gemiddeld € 183.826,-. Zij heeft daartoe gesteld dat [onderneming] een grote onderneming met meerdere vestigingen is in Peru en dat er hoge winst wordt behaald. De man heeft verklaard dat hij de afgelopen jaren geen dividenduitkering heeft ontvangen, omdat de resultaten mede vanwege de corona epidemie wisselend waren. De afgelopen jaren zijn de resultaten goed geweest, zodat dit jaar zal worden bekeken of een dividenduitkering weer tot de mogelijkheden behoort, aldus de man.\n\n2.6.9.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man onvoldoende onderbouwd weersproken dat hij jaarlijks inkomsten heeft vanuit [onderneming] . De rechtbank overweegt daartoe als volgt. De man heeft geen stukken overgelegd van [onderneming] waaruit blijkt wat het resultaat is geweest en of en zo ja, tot welk bedrag er sprake is geweest van een dividenduitkering. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de man de afgelopen jaren niets heeft ontvangen vanuit [onderneming] . Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de man heeft gesteld dat hij de door hem ontvangen dividenduitkeringen heeft gebruikt om de jaarlijkse aflossingen op de hypotheekschuld van partijen te voldoen. Vast staat verder dat de man in staat is geweest het pand aan [adres] te kopen zonder hiervoor financiering te hoeven afsluiten en de man heeft niet weersproken dat hij een zeer luxe levensstijl heeft, waarbij hij grote uitgaven heeft gedaan voor onder andere een auto (BMW) en horloge (Rolex). Gelet op de hoogte van het inkomen dat de man in Nederland heeft, concludeert de rechtbank dat sprake moet zijn van dividenduitkeringen vanuit [onderneming] om de aankopen van de man te bekostigen. Dat dergelijke dividenduitkeringen niet steeds zichtbaar zijn in de aangifte Inkomstenbelasting van de man, doet hieraan niet af, omdat de gelden ook op een buitenlandse bankrekening kunnen zijn gestort.\n\n2.6.10.. Uit de overgelegde aangiften Inkomstenbelasting van de man blijkt dat hij in 2015 een dividenduitkering vanuit [onderneming] heeft ontvangen van € 93.457,- en in 2021 van € 56.800,-. De rechtbank zal in redelijkheid rekening houden met een dividenduitkering gelijk aan het gemiddelde hiervan, te weten € 75.129,- per jaar.\n\n2.6.11.. Op basis van bovenstaande inkomsten van de man, berekent de rechtbank zijn netto besteedbaar inkomen in 2022 op € 6.907,- per maand.\n\n2.6.12.. Partijen hadden een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 8.540,- per maand, waarop de kosten van [de jongmeerderjarige] in mindering moeten worden gebracht. Deze kosten bedroegen in 2022, gemaximeerd bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van meer dan € 6.000,- per maand, € 800,- per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw kan dan worden vastgesteld op 60% van het resterende gezinsinkomen, zijnde € 4.644,- netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de vrouw € 5.681,- netto per maand.\n\nAanvullende behoefte\n\n2.6.13.. De rechtbank zal vervolgens beoordelen in hoeverre de vrouw in staat is zelf in haar behoefte te voorzien. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw geen behoefte heeft aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud. Zij kan in staat worden geacht 28 tot 32 uur per week te werken, aldus de man. Ter zitting heeft de vrouw gesteld dat zij haar arbeidsduur heeft uitgebreid naar 20 uur per week. Haar nettoloon bedraagt € 1.480,- per maand. Daarnaast geeft zij bijles gedurende twee uur per week, waarmee zij € 27,- per uur verdient. De vrouw heeft verklaard dat zij voornemens is dit uit te breiden naar vier uur per week.\n\n2.6.14.. De rechtbank stelt vast dat de vrouw heeft nagelaten inzage te geven in haar huidige inkomsten, zodat de rechtbank niet kan vaststellen wat haar precieze inkomsten zijn. Gelet op de leeftijd en werkervaring van de vrouw, is de rechtbank evenwel van oordeel dat niet van haar kan worden verwacht volledig in haar huwelijksgerelateerde behoefte te voorzien. Nu de vrouw haar werkzaamheden sinds het uiteengaan van partijen heeft uitgebreid en voornemens hierin nog een volgende stap te zetten, zal de rechtbank in redelijkheid uitgaan van een inkomen dan wel verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,- netto per maand. Dit betekent dat zij een aanvullende behoefte heeft van € 3.681,- netto per maand.\n\nDraagkracht man\n\n2.6.15.. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van zijn DGA-salaris uit [BV] over 2025 van € 51.882,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de cumulatieven vermeld op zijn salarisspecificatie over december 2025. Daarnaast houdt de rechtbank bij gebrek aan meer recente gegevens rekening met inkomsten van de man uit ter beschikking gesteld vermogen zoals blijkt uit zijn aangifte Inkomstenbelasting 2024 van in totaal € 21.014,- per jaar (opbrengst € 24.600,- minus kosten € 720,- en vrijstelling € 2.866,- ). Verder houdt de rechtbank rekening met een dividenduitkering uit [onderneming] van gemiddeld € 75.129,-, zoals hierboven bij de behoefte is overwogen.\n\n2.6.16.. Op basis van deze gegevens heeft de man een netto besteedbaar inkomen van € 7.051,- per maand. Rekening houdend met de onderhoudsbijdrage die de man aan [de jongmeerderjarige] betaalt van € 575,- per maand, heeft de man een resterende draagkracht van € 2.471,- bruto per maand.\n\nConclusie\n\n2.6.17.. De rechtbank zal de door de man aan de vrouw te betalen partnerbijdrage vaststellen op € 2.471,- per maand, te voldoen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Deze bijdrage overschrijdt de aanvullende behoefte van de vrouw niet.\n\n2.7.. Woning en gebruiksvergoeding\n\n2.7.1.. De vrouw heeft het voortgezet gebruik van de woning verzocht voor de duur van zes maanden. De vrouw wenst in de woning te blijven wonen met de zoon van partijen. Zij heeft geen andere beschikbare woonruimte, terwijl de man een andere woning heeft waar hij verblijft.\n\n2.7.2.. Nu de man niet zelf om het voortgezet gebruik van de woning heeft verzocht en hij voorts geen of onvoldoende zwaarwegende argumenten heeft aangevoerd die tot afwijzing van het verzoek van de vrouw dienen te leiden, zal de rechtbank het voortgezet gebruik van de woning aan de vrouw toewijzen.\n\n2.7.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een gebruiksvergoeding aan hem moet betalen van 3% over de helft van de overwaarde van de echtelijke woning, vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding (18 oktober 2023), subsidiair de datum van het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man (25 januari 2024), tot de dag dat de woning wordt geleverd aan de vrouw, dan wel de man of derden, en te bepalen dat de vrouw deze vergoeding aan de man dient te betalen, dan wel dat dit wordt verrekend met overige vorderingen.\n\n2.7.4.. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen. Uitgangspunt is dat beide partijen de helft van de eigenaarslasten van de echtelijke woning dragen, nu dit hun gezamenlijk eigendom is. De man heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw onvoldoende onderbouwd dat hij structureel bijdraagt in de lasten van de echtelijke woning. Nu de vrouw deze lasten (nagenoeg) volledig voor haar rekening neemt, ziet de rechtbank geen aanleiding om een gebruiksvergoeding vast te stellen. De vrouw voldoet immers ook het aandeel van de man in de eigenaarslasten, wat kan worden verrekend met een eventuele gebruiksvergoeding die zij aan de man zou moeten betalen.\n\n2.8.. Verdeling\n\n2.8.1.. Partijen zijn onder uitsluiting van iedere gemeenschap met elkaar gehuwd. Zij hebben verzocht te bepalen dat de tussen hen bestaande eenvoudige gemeenschappen worden verdeeld op de door ieder van hen voorgestelde wijze.\n\nBestanddelen\n\n2.8.2.. De rechtbank zal de door partijen naar voren gebrachte bestanddelen die volgens hen of één van hen in de verdeling dienen te worden betrokken, hierna afzonderlijk bespreken.\n\n2.8.3.. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 3:185 BW de rechter de wijze van verdeling gelast of de verdeling vaststelt, enkel indien en voor zover partijen over een verdeling niet tot overeenstemming komen. Voor zover partijen overeenstemming hebben bereikt, is er geen rol voor de rechter weggelegd.\n\n1. De echtelijke woning aan [adres]\n\n2.8.4.. Vast staat dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de echtelijke woning aan [adres] . Op de woning rust een hypothecaire geldlening bij de Rabobank. Partijen hebben verder een spaarpolis bij de ASR met nummer [nummer] en een beleggingsrekening bij de ASR met nummer [nummer] .\n\n2.8.5.. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van de vrouw bepalen dat de woning aan de vrouw wordt toebedeeld tegen de waarde waarvoor de woning conform het hierna bepaalde wordt getaxeerd. Dit onder de voorwaarde dat zij ervoor dient zorg te dragen dat de man uiterlijk drie maanden na de datum van deze beschikking wordt ontslagen uit zijn hoofdelijke aansprakelijkheid voor de op de woning rustende hypothecaire geldlening en met de bepaling dat aan hem de helft van de overwaarde van de woning wordt uitgekeerd, dan wel dat de onderwaarde door partijen ieder voor de helft zal worden gedragen.\n\n2.8.6.. Teneinde de waarde van de woning vast te stellen, zal de vrouw binnen een week na deze beschikking drie makelaar taxateurs voorstellen aan de man, waarna de man binnen een week één van deze drie makelaars zal kiezen. Partijen dienen vervolgens gezamenlijk binnen twee weken opdracht te geven de woning te taxeren, uitgaande van de vrije verkoopwaarde. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven. De kosten van deze taxatie dienen door partijen bij helfte te worden gedeeld, nu het om gezamenlijk eigendom gaat. De rechtbank gaat ervan uit dat de taxatie bindend zal plaatsvinden voor partijen.\n\n2.8.7.. Indien het de vrouw lukt de woning aan haar te laten toedelen, dan zal de aan de hypothecaire lening gekoppelde polis en beleggingsrekening bij de ASR worden overgenomen door de vrouw, waarbij de waarde op het moment van verdeling bij helfte tussen partijen wordt verdeeld.\n\n2.8.8.. Indien de vrouw niet aan de hiervoor genoemde voorwaarden voldoet, zal de woning dienen te worden verkocht en geleverd aan een derde. Partijen hebben verzoeken gedaan teneinde de verkoop van de woning te bewerkstelligen. De rechtbank zal een zogenaamd spoorboekje vaststellen die de rechtbank geraden voorkomt, zoals hierna vermeld.\n\n2.8.9.. In geval van verkoop van de woning, dienen partijen binnen twee weken nadat duidelijk is dat de woning moet worden verkocht, gezamenlijk een opdracht tot verkoop te geven aan de makelaar die zij hebben gekozen voor de taxatie. Indien partijen niet binnen voormelde termijn gezamenlijk opdracht hebben gegeven tot verkoop, is ieder van partijen afzonderlijk bevoegd de opdracht tot verkoop te geven.\n\n2.8.10.. Partijen zullen in onderling overleg met de makelaar de vraagprijs, die dient te zijn gebaseerd op de onroerend goed markt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, bepalen. Indien partijen er niet binnen twee weken na de opdrachtverlening in slagen om gezamenlijk de vraagprijs te bepalen, zal de makelaar de woning te koop aanbieden tegen een marktconforme vraagprijs.\n\n2.8.11.. Voorts zullen partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen de best mogelijke prijs is. In het geval partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar dit naar beste weten kunnen bepalen.\n\n2.8.12.. Beide partijen zijn gehouden – indien en voor zover de vrouw de woning niet binnen de daarvoor gestelde termijn kan overnemen – aan de verkoop en de daaropvolgende overdracht mee te werken en de aanwijzingen van de makelaar op te volgen.\n\n2.8.13.. Voorts is ieder der partijen gehouden de helft van de kosten van de makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen.\n\n2.8.14.. Na verkoop en overdracht van de woning zal de aan de woning verbonden hypothecaire lening worden afgelost, waarna de resterende overwaarde gelijkelijk tussen partijen zal worden verdeeld, dan wel zal ieder van partijen de helft van de restschuld als eigen schuld dienen te dragen en voldoen.\n\n2.8.15.. In dit kader zal de aan de hypothecaire lening verbonden polis en beleggingsrekening bij de ASR worden afgekocht. De afkoopwaarde zal bij helfte tussen partijen worden verdeeld, dan wel in mindering worden gebracht op de restschuld.\n\n2. Bankrekening\n\n2.8.16.. Partijen hebben een gezamenlijke bankrekening bij de Rabobank met rekeningnummer [nummer] . Partijen zijn het erover eens dat deze bankrekening zal worden opgeheven nadat de echtelijke woning is geleverd aan de vrouw of een derde, waarbij het dan resterende saldo bij helfte zal worden verdeeld tussen partijen. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.\n\n3. Inboedel\n\n2.8.17.. Partijen hebben ter zitting afgesproken dat de man de kano zal ophalen uit de tuin van de echtelijke woning, alsmede zijn kleding en dozen met foto’s en brieven. De overige inboedel wordt aan de vrouw toebedeeld, zonder verrekening van waarde. Gelet op de overeenstemming tussen partijen, hoeft de rechtbank hierover geen beslissing meer te nemen.\n\n4. Camper\n\n2.8.18.. Tussen partijen staat vast dat de camper, type Fiat [type Fiat] , zal worden verkocht en dat de vrouw in het kader van de verdeling reeds een bedrag van € 12.500,- heeft ontvangen, zodat hierover geen beslissing meer hoeft te worden genomen.\n\n2.9.. Afwikkeling huwelijkse voorwaarden\n\n2.9.1.. Partijen hebben verzocht een voorziening te treffen ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen.\n\n2.9.2.. In de huwelijkse voorwaarden van partijen is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:\n\n“Algehele uitsluiting\n\nArtikel 1\n\nDe echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.\n\n(…)\n\nVergoedingen\n\nArtikel 3\n\nDe echtgenoten zijn, voor zover niet anders bepaald, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, ten bedrage van of naar de waarde ten dage van de onttrekking.\n\nDeze vergoedingen zijn terstond opeisbaar, tenzij de redelijkheid en billijkheid zich hiertegen verzetten.\n\n(…)\n\nKosten huishouding\n\nArtikel 7\n\nDe kosten van de gemeenschappelijke huishouding (…), worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, huurpenningen voor de echtelijke woning en renten van geldleningen voor de financiering van de echtelijke woning, de inboedel en de gezinsauto.\n\nDe echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het teveel bijgedragen terug te vorderen van de ander echtgenoot.\n\nHet recht het aldus teveel bijgedragen terug te vorderen vervalt, indien betaling of verrekening daarvan niet binnen vijf jaar na het einde van het betreffende kalenderjaar heeft plaatsgevonden of schriftelijk is gevorderd.\n\n(…)”\n\nVergoedingsrechten\n\n2.9.3.. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 14.832,- aan hem dient te voldoen. Hij heeft daartoe gesteld dat hij een bedrag van € 29.664,- meer dan de vrouw heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en dat zij de helft hiervan aan hem moet vergoeden.\n\n2.9.4.. De vrouw heeft op haar beurt gesteld dat zij vanuit privévermogen een bedrag van € 126.454,- heeft afgelost op de hypothecaire lening van partijen en daarnaast een bedrag van € 33.940,- heeft betaald aan verbouwingen van de woning. De rechtbank begrijpt hieruit dat zij stelt op die grond een vergoedingsrecht te hebben en vult de rechtsgrond in zoverre aan.\n\n2.9.5.. De rechtbank overweegt als volgt. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden een regeling getroffen over de vergoedingsrechten. Hieruit volgt dat een vergoedingsrecht nominaal is.\n\n2.9.6.. Het verzoek van de vrouw tot vergoeding van de verbouwingskosten zal worden afgewezen. Zij heeft niet met stukken onderbouwd dat de verbouwingen zijn gefinancierd vanuit haar privévermogen.\n\n2.9.7.. Voor wat betreft de aflossingen op de hypothecaire lening overweegt de rechtbank als volgt. Uit de overgelegde aangiftes Inkomstenbelasting van partijen over de jaren 2012 tot en met 2022 blijkt de hypotheekstand per 31 december van het betreffende jaar, waaruit kan worden afgeleid wat in welk jaar is afgelost door partijen. De door de vrouw gestelde aflossingen bedragen circa de helft (of minder) van de totale aflossingen in een jaar, zodat dit de stelling van de man ondersteunt dat partijen altijd voor gelijke delen hebben afgelost. In zoverre heeft geen van partijen recht op vergoeding van deze aflossingen, omdat de aflossingen van partijen tegen elkaar kunnen worden weggestreept. De rechtbank moet dan enkel nog vaststellen of de man in 2019 en 2020 meer heeft afgelost dan de vrouw, zoals door hem is gesteld.\n\n2.9.8.. \n\nUit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de totale aflossing in 2019 € 34.900,- bedroeg. De man heeft bankafschriften overgelegd waaruit blijkt dat hij op 17 januari 2019 € 24.532,- heeft afgelost. De vrouw heeft gesteld dat zij in 2019 € 10.404,- én € 10.000,- heeft afgelost, maar zij heeft hiervan geen betaalbewijzen overgelegd. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat zij in 2019 een bedrag van € 10.368,- heeft afgelost, te weten het verschil tussen de totale aflossingen in 2019 volgens de aangifte Inkomstenbelasting over dat jaar en het bedrag dat de man heeft voldaan. Dit betekent dat de man in 2019 € 14.164,- meer heeft afgelost dan de vrouw.\n\nIn 2020 bedroeg de totale aflossing € 36.500,-. Beide partijen hebben gesteld dat de vrouw in dat jaar een bedrag van € 10.500,- heeft afgelost. De man heeft met stukken onderbouwd dat hij in 2020 een bedrag van € 26.000,- heeft afgelost. Dit betekent dat de man in dat jaar € 15.500,- meer heeft afgelost dan de vrouw.\n\n2.9.9.. In totaal heeft de man dus € 29.664,- meer afgelost dan de vrouw. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag vanuit de gemeenschap aan de man moet worden vergoed.\n\n2.9.10.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw aanvullend gesteld dat zij privévermogen, afkomstig van een pand dat eerder aan haar in privé toebehoorde, heeft geïnvesteerd in de echtelijke woning. Dit betreft de waarde van de aan de woning verbonden polis ter hoogte van € 10.000,-, die is overgegaan naar de echtelijke woning, en de overwaarde van haar eerdere woning van € 16.000,-, wat is gestort in een bouwdepot voor de echtelijke woning. De man heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank zal bepalen dat een bedrag van € 26.000,- vanuit de gemeenschap aan de vrouw moet worden vergoed.\n\n2.9.11.. De vergoedingsrechten van partijen kunnen met elkaar worden verrekend, wat betekent dat de man nog een vergoedingsrecht heeft op de eenvoudige gemeenschap betreffende de echtelijke woning ter hoogte van € 3.664,-. Dit betekent dat de vrouw de helft van dit bedrag, te weten € 1.832,- aan de man moet voldoen.\n\nKosten huishouding\n\n2.9.12.. De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man uit hoofde van verrekening van de kosten van de huishouding aan haar een bedrag van € 362.496,- dient te betalen, binnen vijf dagen na de dag van de beschikking, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie bepaalt, dan wel een zodanige afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vast te stellen als de rechtbank redelijk acht. Daarbij heeft zij verzocht te bepalen dat de man de wettelijke rente is verschuldigd over voornoemd bedrag vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding.\n\n2.9.13.. De man heeft zich verweerd tegen dit verzoek van de vrouw. Hij heeft daartoe gesteld dat de vrouw haar vordering niet inzichtelijk heeft gemaakt. Bovendien zijn partijen in de huwelijkse voorwaarden een vervalbeding overeengekomen, zodat een vordering over de kosten van de huishouding van vóór 2020, is vervallen.\n\n2.9.14.. De rechtbank stelt vast dat het verzoek van de vrouw betrekking heeft op artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn daarin overeengekomen dat de kosten van de huishouding door de echtgenoten worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan, en voor zover deze inkomsten ontoereikend zijn, uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. De vrouw heeft gesteld dat zij haar vermogen heeft aangewend om de kosten van de huishouding te voldoen, terwijl de man niet naar evenredigheid heeft bijgedragen in deze kosten. Dit blijkt volgens de vrouw uit het feit dat haar vermogen gedurende het huwelijk is afgenomen, terwijl het vermogen van de man is gestegen.\n\n2.9.15.. Het is de rechtbank niet gebleken dat één van beide partijen meer heeft bijgedragen dan waartoe hij of zij op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was. De vrouw heeft geen gespecificeerd overzicht overgelegd waaruit blijkt wat de kosten van de huishouding waren per jaar en wat de inkomsten\u002Fvermogen van ieder van partijen was, in welke verhouding is bijgedragen in de kosten van de huishouding en in welke verhouding partijen hierin hadden moeten bijdragen. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor de vordering zoals door de vrouw geformuleerd, zodat dit verzoek van de vrouw zal worden afgewezen en de overige hiermee samenhangende stellingen en verzoeken geen bespreking meer behoeven.\n\n3. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\n3.1.. spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , thans gemeente [gemeente] op [huwelijksdatum] ;\n\n3.2.. bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de woning aan het adres [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;\n\n3.3.. bepaalt dat de man € 2.471,- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;\n\n3.4.. gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning van partijen, de daaraan verbonden hypothecaire lening, spaarpolis en beleggingsrekening overeenkomstig het hierboven in rechtsoverweging 2.8.5 tot en met 2.8.15 bepaalde;\n\n3.5.. bepaalt dat de man een vordering heeft op de eenvoudige gemeenschap van € 3.664,- (drieduizend zeshonderd vierenzestig euro), of een vordering op de vrouw van € 1.832,- (duizend achthonderd tweeëndertig euro);\n\n3.6.. verklaart de beslissing met betrekking tot het voortgezet gebruik van de woning, de partnerbijdrage, de verdeling en de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden uitvoerbaar bij voorraad;\n\n3.7.. wijst het meer of anders verzochte af.\n\nDeze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier T. Jelierse op 19 februari 2026.\n\nTegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:1590","ecli-nl-rbnho-2026-1590",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Personen- en familierecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]