[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnho-2026-3802":3,"decision-more-ecli-nl-rbnho-2026-3802":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"929","ECLI:NL:RBNHO:2026:3802","",67,"Haarlem","haarlem","2026-04-08T00:00:00.000Z","RECHTBANKNOORD-HOLLAND\n\nHandel, Kanton en Insolventie\n\nlocatie Haarlem\n\nZaaknummer: 11752791 \\ CV EXPL 25-3932\n\nVonnis van de kantonrechter van 8 april 2026\n\nin de zaak van\n\n [eiser],\n\nwonende te [plaats],\n\neiser,\n\nhierna te noemen: [eiser],\n\ngemachtigde: mr. G.P. Geelkerken,\n\ntegen\n\n1. CASINO SEVENS AALSMEER B.V.,\n\ngevestigd te Aalsmeer,\n\n2. AMUSEMENT CENTRE BEVERWIJK B.V.,\n\ngevestigd te Beverwijk,\n\ngedaagden,\n\nhierna samen te noemen: Casino Sevens c.s.,\n\ngemachtigde: mr. S.H. van der Veldt.\n\nDe zaak in het kort\n\n [eiser] stond 18 oktober 2024 tot en met 20 april 2025 ingeschreven in het Centrale Register Uitsluiting Kansspelen (hierna: Cruks). Hij stelt dat hij gedurende deze periode toch is toegelaten tot de speelautomatenhallen van Casino Sevens c.s. en dat hij daarbij ten minste € 14.290,00 heeft verloren. [eiser] vordert dit bedrag van Casino Sevens c.s. als schadevergoeding, dan wel op grond van onverschuldigde betaling na vernietiging van de onderliggende kansspelovereenkomsten. De kantonrechter wijst de vorderingen af. Er is geen sprake van onrechtmatig handelen van Casino Sevens c.s. en de overeenkomsten blijven in stand.\n\n1. De procedure\n\n1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:\n\n- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6; - de conclusie van antwoord met schriftelijke producties 1 tot en met 4 en 2 videoproducties;\n\n- het tussenvonnis van 6 augustus 2025, waarin een mondelinge behandeling is bepaald;\n\n- de akte van [eiser] met producties 7 tot en met 9, waarbij ook incidentele vorderingen worden ingesteld;\n\n- de conclusie van antwoord in incident, met productie 5;\n\n- de mondelinge behandeling van 5 december 2025, waarbij door beide gemachtigden gebruik is gemaakt van spreekaantekeningen en waarvan voor het overige door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.1.2.. Ten slotte is bepaald dat er een vonnis komt.\n\n2. De feiten\n\n2.1.. Casino Sevens Aalsmeer B.V. en Amusement Centre Beverwijk B.V. behoren tot dezelfde groep. Zij zijn uitbaters van speelautomatenhallen.\n\n2.2.. \n [eiser] heeft tussen 2 oktober 2023 en 18 september 2024 ten minste vier keer de speelautomaten hal van Casino Sevens Aalsmeer B.V. bezocht.\n\n2.3.. \n [eiser] heeft zichzelf op 18 oktober 2024 op vrijwillige basis ingeschreven in het Cruks met het doel niet meer toegelaten te worden tot speelhallen en casino’s. [eiser] heeft zichzelf voor een periode van zes maanden, tot 20 april 2025, ingeschreven.\n\n2.4.. Op 16 april 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] een brief gestuurd aan Casino Sevens. Daarin schrijft hij dat [eiser] ondanks zijn inschrijving in Cruks (veelvuldig) toegang heeft gekregen tot de casino’s van Casino Sevens in Aalsmeer en Beverwijk en daar grote bedragen kon verliezen. In de brief wordt Casino Sevens gewezen op de regels in de Wet op de kansspelen (hierna: WOK) en het Besluit werving, reclame en verslavingspreventie kansspelen (hierna: het Bwrvk) die bedoeld zijn om gokverslaafden te beschermen en wordt Casino Sevens aansprakelijk gesteld voor de door [eiser] geleden verliezen, welke worden gesteld op ten minste € 14.990,00 plus juridische kosten.\n\n2.5.. Bij brief van 18 april 2025 heeft de gemachtigde van Casino Sevens c.s. aansprakelijkheid van de hand gewezen, onder meer omdat uit onderzoek van Casino Sevens c.s. naar voren is gekomen dat [eiser] op de door zijn gemachtigde genoemde data niet aanwezig is geweest in de speelautomatenhallen van Casino Sevens c.s..\n\n2.6.. Daarop heeft de gemachtigde van [eiser] Casino Sevens c.s. gesommeerd alle beelden van de beveiligingscamera’s in de periode januari 2025 tot en met 18 april 2025 veilig te stellen.\n\n2.7.. Op 18 april 2025 heeft [eiser] zichzelf via de ‘fastlane’ de toegang verschaft tot de speelautomatenhal van Casino Sevens Aalsmeer B.V. Hij heeft de pas\u002Ftoken voor de fastlane eerder verkregen met gebruik van het rijbewijs van de heer [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]).\n\n2.8.. Tijdens dat bezoek is een confrontatie ontstaan tussen [eiser] en een medewerker van Casino Sevens c.s.. [eiser] heeft daarvan een geluidsopname gemaakt, waarop onder meer te horen is dat [eiser] zegt “ik ben gewoon met een ID binnengekomen van een vriend” en zegt dat hij nooit met zijn legitimatie maar met de vingerscan binnenkomt.\n\n2.9.. Op 20 april 2025 hebben Casino Sevens c.s. een incidentmelding gedaan bij de Kansspelautoriteit van deze confrontatie en vanwege vermoedens van identiteitsfraude.\n\n2.10.. Op 22 april 2025 heeft de gemachtigde van Casino Sevens c.s. aan de gemachtigde van [eiser] meegedeeld dat het onmogelijk is om alle beelden van de beveiligingscamera’s over de periode van januari 2025 tot en met 18 april 2025 over te leggen, omdat dit om extreme hoeveelheden aan data gaat. Ook heeft Casino Sevens Aalsmeer B.V. opnieuw alle aansprakelijkheid van de hand gewezen, onder meer omdat – als [eiser] al zou zijn toegelaten – uit de geluidsopnamen naar voren komt dat hij zich willens en wetens heeft bediend van identiteitsfraude en heimelijke kunstgrepen om toegang te verkrijgen.\n\n3. Het geschil\n\n3.1.. \n\n [eiser] vordert samengevat, na eisvermindering ter zitting, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:\n\nI. voor recht te verklaren dat de (kansspel)overeenkomsten met Casino Sevens c.s. nietig zijn, dan wel de vernietiging daarvan uit te spreken;\n\nII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 14.290,00, te vermeerderen met wettelijke rente;\n\nIII. gedaagden hoofdelijk te veroordelen de buitengerechtelijke incassokosten van € 924,90 aan eiser te betalen;\n\nIV. gedaagden hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.\n\n3.2.. Bij incidentele vordering heeft [eiser] gevorderd Casino Sevens c.s. te bevelen de volgende bescheiden over te leggen:\n\nAlle ongeredigeerde en volledige videobeelden van de pinautomaten en de speelvloer van beide vestigingen voor alle dagen waarop pintransacties van de bankrekening van [eiser] hebben plaatsgevonden,\n\nDe volledige logboeken en registraties van het speelgedrag van het account dat is aangemaakt met het identiteitsbewijs van [betrokkene 1] voor de periode van januari 2025 tot en met april 2025,\n\nDe interne protocollen, handboeken en trainingsmaterialen van gedaagden die van kracht waren in de betreffende periode en die betrekking hebben op (i) de procedure voor identiteitsvaststelling en toegangscontrole en (ii) de interventieprocedure bij het signaleren van onmatig of risicovol speelgedrag.\n\n3.3.. \n [eiser] voert samengevat het volgende aan. Hij heeft een gokprobleem. Hij is in het Cruks kenbaar als probleemgokker. Toch heeft hij vanaf januari 2025 veelvuldig toegang verkregen tot de speelautomatenhallen van Casino Sevens c.s. in Aalsmeer en Beverwijk. Daardoor heeft hij via pinopnames in totaal € 14.290,00 kunnen vergokken. Casino Sevens c.s. hebben niet aan hun zorgplicht voldaan. [eiser] had niet mogen worden toegelaten. Door [eiser] ondanks zijn Cruks-inschrijving toegang te verschaffen, hebben Casino Sevens c.s. in strijd gehandeld met hun eigen controlebeleid, de controleverplichtingen uit artikel 30u lid 1, aanhef en onder b WOK en artikel 11 lid 1 onder b van het Bwrvk en haar algemene zorgplicht op grond van de WOK. Hierdoor hebben Casino Sevens c.s. onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] en zijn zij aansprakelijk voor de door [eiser] geleden schade. Daarnaast vindt [eiser] dat Casino Sevens c.s. hem zijn verliezen moeten betalen omdat bij hem de wil ontbrak om de speelhallen te betreden en te gokken: hij werd gedreven door zijn verslaving. Ook doet [eiser] een beroep op vernietiging van de met Casino Sevens c.s. gesloten kansspelovereenkomsten, omdat Casino Sevens c.s. misbruik van omstandigheden hebben gemaakt door hem, ondanks zijn kenbare gokverslaving, steeds toe te laten.\n\n3.4.. \n\nCasino Sevens c.s. voeren verweer. Zij betwisten dat er sprake is van een wilsgebrek, dat de gesloten kansspelovereenkomsten nietig of vernietigbaar zouden zijn, dat Casino Sevens c.s. hun zorgplicht hebben geschonden en dat Casino Sevens c.s. onrechtmatig hebben gehandeld tegen [eiser]. Zij vinden dat zij daarom ook niet gehouden zijn om door [eiser] vergokte bedragen terug te betalen en dat zij niet schadeplichtig zijn. Daarbij voeren zij verder (samengevat) het volgende aan. Bij gebrek aan gebrek aan enig bewijs betwisten zij dat sprake is van een kansspelverslaving. Dat [eiser] zijn Cruks-inschrijving na de eerste periode niet heeft verlengd wijst erop dat hij niet (langer) verslaafd is. Van een wilsgebrek vanwege een verstoorde geestestoestand kan dus geen sprake zijn. Ook betwisten zij dat [eiser] in de periode van inschrijving in het Cruks meermaals is toegelaten tot hun vestigingen. Voor zover dat wel het geval zou zijn, heeft [eiser] (vermoedelijk) met opzet en herhaaldelijk zichzelf via de fastlane toegang verschaft door middel van identiteitsfraude. Hij heeft zich geïdentificeerd met het rijbewijs van [betrokkene 1] om zijn identiteit en zijn Cruks-inschrijving te verhullen. Bij zo’n vooropgezet plan kan van impulsieve wilsgebrekkige handelingen geen sprake zijn. Voor zover daar wel sprake van zou zijn, mochten Casino Sevens c.s. gerechtvaardigd vertrouwen op de wil toegelaten te worden. [eiser] heeft zich immers gemeld aan de poort en gelegitimeerd als niet ingeschreven in Cruks. Om dezelfde reden is geen sprake van misbruik van omstandigheden: Casino Sevens c.s. betwisten dat [eiser] zich in een geestelijke dwangpositie bevond en als die er wel was, was zij door de identiteitsfraude van [eiser] voor niet kenbaar voor Casino Sevens c.s.\n\nVerder is de toegangsmogelijkheid via de fastlane conform de kansspelwetgeving ingericht. Van enige schending van de daarin opgenomen controleverplichtingen of zorgplicht is dan ook geen sprake. Van een onrechtmatige daad evenmin. Tot slot betwisten Casino Sevens c.s. de gevorderde schade (de door [eiser] geleden verliezen) en het causaal verband tussen de verliezen en het verlenen van toegang. Casino Sevens c.s. concluderen tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.\n\n3.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.\n\n4. De beoordeling\n\n4.1.. De kantonrechter zal hierna eerst de incidentele vorderingen van [eiser] beoordelen. Daarbij zal zij tot het oordeel komen dat deze niet voor toewijzing in aanmerking komen. Daarna zullen de vorderingen van [eiser] in de hoofdzaak worden beoordeeld.\n\nDe incidentele vorderingen worden afgewezen\n\n4.2.. \n [eiser] baseert zijn incidentele vorderingen op het inmiddels vervallen artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). De kantonrechter zal het verzoek beoordelen als gedaan op grond van artikel 195 lid 1 Rv. Dat artikel bepaalt dat de rechter de wederpartij kan bevelen tot het verstrekken van inzage, afschrift of uittreksel van bepaalde gegevens waarover de wederpartij beschikt. Op grond van artikel 194 lid 1 Rv heeft een partij bij een rechtsbetrekking tegenover degene die beschikt over bepaalde gegevens over die rechtsbetrekking recht op inzage, afschrift of uittreksel van die gegevens als hij daarbij voldoende belang heeft.\n\n4.3.. \n [eiser] voert aan dat de videobeelden noodzakelijk zijn om het verweer van Casino Sevens c.s. te weerleggen dat anderen dan eisers hebben gepind en dat eiser niet zou hebben gespeeld. De logboeken en protocollen zijn essentieel om te toetsen of gedaagden hebben voldaan aan hun wettelijke zorgplicht.\n\n4.4.. De kantonrechter zal de vorderingen om Casino Sevens c.s. te veroordelen deze gegevens te overleggen afwijzen. Hierna licht zij per gevorderd onderdeel toe waarom de vordering niet kan worden toegewezen.\n\nVideobeelden\n\n4.5.. Een partij kan recht hebben op inzage, afschrift of uittreksel van gegevens tegenover degene die over de gegevens beschikt.Daarbij is het aan de partij die een beroep doet op dit recht om aan te voeren waarom er een redelijke grond bestaat om aan te nemen dat die andere persoon over die gegevens beschikt of gemakkelijk kan verkrijgen. De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] dit onvoldoende heeft gedaan. Casino Sevens c.s. hebben aangegeven dat zij niet meer camerabeelden heeft dan zij al heeft overgelegd. Bij de mondelinge behandeling hebben zij aangegeven dat zij vanwege de grootte van de (beeld)bestanden slechts een beperkte bewaartermijnen (kunnen) hanteren en dat dit in lijn is met andere exploitanten van speelautomatenhallen. De omvang van dergelijke bestanden is ook gebleken. De ingebrachte videoproducties van anderhalve minuut zijn al bijna 100 MB groot. De kantonrechter acht het daarmee aannemelijk dat Casino Sevens c.s. slechts beelden hebben bewaard waarvan zij heeft ingeschat dat die relevant waren voor haar fraudeonderzoek. [eiser] heeft niet aangevoerd waarom hij reden heeft te veronderstellen dat Casino Sevens c.s. meer beelden voorhanden hebben.\n\n4.6.. De kantonrechter is bij deze stand van zaken van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de verlangde beelden gegevens betreffen waarover Casino Sevens c.s. beschikken, zoals artikel 194 Rv vereist. Toewijzing van het verzoek zou het reële risico meebrengen dat van Casino Sevens c.s. het onmogelijke wordt verlangd. Het verzoek om de beelden te verstrekken wordt dan ook afgewezen.\n\nLogboeken en registraties van het account op naam van [betrokkene 1]\n\n4.7.. Hetzelfde geldt voor de logboeken en de registraties van het speelgedrag van het account op naam van [betrokkene 1]. Casino Sevens c.s. hebben als productie 4 bij de conclusie van antwoord al een logboek met gegevens en spelersinformatie op de naam van [betrokkene 1] overgelegd. Ter zitting heeft mr. Geelkerken gezegd dat hij niet aannemelijk acht dat er meer logs en registraties zijn dan daarmee zijn overgelegd. Het verzoek om meer of andere logs en registraties te overleggen dan overgelegd als productie 4 wordt dan ook afgewezen.\n\nInterne protocollen, handboeken en trainingsmaterialen\n\n4.8.. Tot slot heeft [eiser] aangevoerd dat hij belang heeft bij inzage in de interne protocollen, handboeken en trainingsmaterialen over de identiteitsvaststelling en toegangscontrole en de interventieprocedure bij het signaleren van afwijkend speelgedrag. Inzage hierin is volgens [eiser] essentieel voor de beoordeling of Casino Sevens c.s. hebben voldaan aan hun zorgplicht. Zoals in het navolgende zal worden toegelicht is bij de handelwijze van [eiser] geen sprake van overtreding van een zorgplicht door Casino Sevens c.s. Daarmee heeft [eiser] onvoldoende belang bij de door hem gevorderde inzage. Het verzoek om deze gegevens te overleggen, zal worden afgewezen.\n\n4.9.. \n [eiser] is in het incident in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van Casino Sevens c.s. in het incident betalen. Die worden begroot op € 406,00 aan salaris gemachtigde.\n\nToelaten geen onrechtmatig handelen of tekortkoming van Casino Sevens c.s.\n\n4.10.. In de akte overlegging aanvullende productie en vordering ex artikel 843a Rv en toelichting heeft [eiser] zijn vorderingen (verder) toegelicht. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij vernietiging van de (kansspel)overeenkomsten vordert als “de vordering tot schadevergoeding niet kan worden toegewezen, zonder een expliciete vernietiging van de kansspelovereenkomsten”. Bij die toelichting zal de kantonrechter eerst beoordelen of Casino Sevens c.s. – als door [eiser] gesteld – onrechtmatig hebben gehandeld of wanprestatie heeft gepleegd.\n\n4.11.. \n [eiser] voert aan dat Casino Sevens c.s. onrechtmatig tegenover hem hebben gehandeld, dan wel wanprestatie tegen hem hebben gepleegd, doordat zij hem – ondanks dat kenbaar was dat hij een probleemgokker was – toegang hebben verleend tot hun automatenhallen. Door hem toe te laten hebben zij in strijd gehandeld met artikel 30u lid 1 sub b WOK in combinatie met artikel 11 lid 1 sub b van het Bwrvk. Ook hebben zij in strijd gehandeld met hun interne beleid en spelvoorwaarden.\n\n4.12.. In artikel 30u lid 1 aanhef en onder b WOK staat (kort gezegd) dat een uitbater van een speelhal waarin kansspelautomaten staan, geen toegang mag verlenen aan personen die zich hebben ingeschreven in het Cruks. Dit brengt met zich dat Casino Sevens c.s. – als uitbaters van dergelijke speelhallen – een zorgplicht hebben om bij mensen die naar binnen willen de identiteit vast te stellen om het Cruks te kunnen raadplegen. In artikel 11 lid 1 aanhef en onder b van het Bwrvk is (kort gezegd) bepaald dat de uitbater, voordat zij een persoon toegang verleent, onderzoekt of deze persoon is ingeschreven in het Cruks. In het derde lid van dit artikel is bepaald dat dit onderzoek plaatsvindt aan de hand van de naam, de voornamen, de geboortedatum en de geboorteplaats van de betrokken persoon en, voor zover die persoon daarover beschikt, diens burgerservicenummer, zoals die zijn opgenomen op het identiteitsdocument van die persoon.\n\n4.13.. \n\nCasino Sevens c.s. kunnen alleen in strijd met deze bepalingen hebben gehandeld als voldoende vaststaat dat zij [eiser] in de periode van inschrijving in het Cruks (van 18 oktober 2024 tot 18 april 2025) daadwerkelijk toegang hebben gegeven tot hun speelhallen.\n\nCasino Sevens c.s. betwisten dat [eiser] in die periode hun speelhallen heeft bezocht. Zij voeren met name aan dat [eiser] heeft nagelaten overtuigend bewijs te leveren dat hij is toegelaten. Die betwisting is niet voldoende tegenover de gemotiveerde stellingen van [eiser]. [eiser] heeft erop gewezen dat in de periode van inschrijving in het Cruks de pinpas van [eiser] is gebruikt om geldopnames te doen in de speelhallen van Casino Sevens c.s. Daarbij komt dat [eiser] bij de mondelinge behandeling zichzelf tweemaal heeft aangewezen op de door Casino Sevens c.s. ingediende videoproducties. Casino Sevens c.s. hebben (enkel) in algemene bewoordingen betwist dat [eiser] op de video’s te zien is. Waar de uiterlijke kenmerken van de aangewezen persoon met een grijze outfit in hoge mate overeenkomen met die van [eiser] is dat niet voldoende. Ook heeft [eiser] in detail zijn manier van spelen toegelicht en heeft hij een en ander onderbouwd met schriftelijke verklaringen van de heren [betrokkene 2] en [betrokkene 3]. Tot slot is niet in geschil dat [eiser] op 18 april 2025 toegang heeft verkregen tot de speelhal in Aalsmeer en dat hij daarbij gebruik heeft gemaakt van een sleutel\u002Fchip die eerder is verkregen met de identiteitsgegevens van [betrokkene 1]. De kantonrechter oordeelt dan ook dat [eiser] voldoende heeft onderbouwd dat Casino Sevens c.s. [eiser] gedurende zijn Cruks-inschrijving meerdere keren hebben toegelaten tot hun speelhallen.\n\n4.14.. Maar dat betekent nog niet dat Casino Sevens c.s. artikel 30u lid 1 WOK hebben overtreden. Dat volgt niet uit het enkele feit dat [eiser] ondanks zijn Cruks-inschrijving tot de vestigingen van Casino Sevens is toegelaten. Het verbod van artikel 30u lid 1 aanhef onder b Wok brengt – in verbinding met artikel 11 Bwvrk een controleverplichting aan de hand van een identiteitsbewijs met zich.\n\n4.15.. Het staat vast dat een controle heeft plaatsgevonden. Ter zitting heeft [eiser] het volgende gezegd. Hij heeft zich voor toegang moeten legitimeren bij een medewerker van Casino Sevens c.s. om een klantprofiel (voor toegang via de fastlane) aan te maken. Hij heeft zich toen gelegitimeerd met het rijbewijs van [betrokkene 1]. Dat was in Aalsmeer. Na deze eerste legitimatie heeft [eiser] een chip gekregen, waarmee hij in het vervolg gebruik kon maken van de fastlane. Casino Sevens c.s. hebben toegelicht dat er bij het verstrekken van de chip een foto wordt gemaakt van degene die zich identificeert. Vervolgens wordt het gezicht van de klant gescand bij elke toegangspoging met de chip, waarna het systeem automatisch al dan niet toegang verleent. De chip geldt als een unieke identificator voor het verlenen van toegang tot speelhallen van Casino Sevens c.s. [eiser] ontkent niet dat hij steeds op deze manier is gecontroleerd.\n\n4.16.. \n [eiser] voert aan dat Casino Sevens c.s. hun zorgplicht hebben geschonden, omdat hij zich met het rijbewijs van [betrokkene 1] heeft kunnen identificeren (waarna er geen afdoende identiteitscontroles meer hebben plaatsgevonden). Daarbij komt dat medewerkers van Casino Sevens c.s. hem vanwege zijn frequente bezoeken van gezicht kenden en ook zijn naam kenden. Toch heeft hij herhaaldelijk toegang heeft verkregen onder de naam van [betrokkene 1]. [eiser] benoemt daarbij specifiek medewerker [betrokkene 4]. Dit is echter niet voldoende om te oordelen dat Casino Sevens c.s. hun zorgplicht hebben geschonden en onrechtmatig hebben gehandeld of tekort zijn geschoten in hun verplichtingen tegenover [eiser].\n\n4.17.. Ook in de stellingen van [eiser] heeft een medewerker van Casino Sevens c.s. bij de eerste identificatie [eiser] als [betrokkene 1] geïdentificeerd. Er heeft een controle plaatsgevonden aan de hand van een identiteitsbewijs. Weliswaar kan de zorgplicht van Casino Sevens c.s. met zich brengen dat zij er bij de identificatie rekening mee moeten houden dat gokverslaafden – ondanks een eventuele inschrijving in het Cruks – zullen proberen om op oneigenlijke wijze toegang te verkrijgen tot een speelhal of casino, maar dat maakt in dit geval niet dat Casino Sevens c.s. hun controleverplichtingen hebben verzaakt.\n\n4.18.. Voor dat oordeel is doorslaggevend dat [eiser] bij de mondelinge behandeling heeft gezegd dat hij bij de identificatie het rijbewijs van [betrokkene 1] heeft overgelegd, omdat 1) [eiser] zelf in het Cruks stond geregistreerd en 2) [betrokkene 1] van zijn vrienden het meest op hem lijkt. Ter zitting heeft de kantonrechter ook vastgesteld dat [eiser], in ieder geval zoals hij er bij de mondelinge behandeling uitzag, een bovengemiddeld grote gelijkenis vertoont met de foto op het rijbewijs van [betrokkene 1]. In de woorden van [eiser] heeft hierover ter zitting gezegd: “Ik heb hem ([betrokkene 1]) uitgezocht op het feit dat hij een beetje op mij kon lijken.” [eiser] lijkt nu zelfs meer op de foto op het rijbewijs van [betrokkene 1] dan op de vijf jaar oude foto op zijn eigen rijbewijs. [eiser] heeft nu – anders dan op die foto – een baard en een wat voller gezicht. Dit zijn gezichtskenmerken die [betrokkene 1] op zijn rijbewijsfoto ook heeft.\n\n4.19.. Bij de vaststelling van de gelijkenissen en de verklaring van [eiser] dat hij bewust een identiteitsbewijs heeft gebruikt van iemand die gelijkenissen met hem vertoont, kan [eiser] – die op deze wijze bedoeld heeft zijn Cruks-inschrijving te “omzeilen”- niet aan Casino Sevens c.s. tegenwerpen dat zij hun zorgplicht hebben geschonden. Deze handelwijze komt voor zijn risico.\n\n4.20.. Daarbij staat vast dat [eiser] bij de identificatie niet is gecontroleerd door een medewerker die hem al kende, althans door iemand die wist dat hij zich voordeed als iemand anders. De eventuele omstandigheid dat een (andere) medewerker op enig later moment [eiser] bij naam kende, maakt nog niet dat Casino Sevens c.s. niet hebben voldaan aan de controleverplichting. Na de eerste identificatie werken Casino Sevens c.s. met een fastlanesysteem met een unieke identificator. Deze werkwijze is toegestaan op grond van artikel 12 van het Bwrvk, mits Casino Sevens c.s. passende technische en organisatorische maatregelen treft om misbruik van de unieke identificator te voorkomen.\n\n4.21.. Casino Sevens c.s. hebben uitgelegd dat ook in de fastlane bij elke keer dat iemand toegang vraagt een automatische digitale controle plaatsvindt bij het Cruks. Dat Casino Sevens c.s. vervolgens nog een verplichting hebben proactief in de speelhal te onderzoeken of de aanwezigen een Cruks-inschrijving hebben volgt niet uit de wet en ook niet uit hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.\n\n4.22.. Met dit alles is niet komen vast te staan dat Casino Sevens c.s. onvoldoende onderzoek hebben gedaan naar de identiteit van [eiser], in de zin van artikel 11 lid 1 onder b Bwrvk.\n\n4.23.. Ook heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat Casino Sevens c.s. ter zake van de toegangscontrole hebben gehandeld in strijd met hun algemene zorgplicht op grond van de WOK die inhoudt dat vergunninghouders geen toegang mogen verlenen aan personen bij wie de vergunninghouder redelijkerwijs kan vermoeden dat de speler door onmatige deelname aan kansspelen of door kansspelverslaving schade kan berokkenen aan zichzelf of aan naasten. Daarbij overweegt de kantonrechter dat [eiser] zich op vergaande wijze ervoor heeft ingezet dit risico voor Casino Sevens c.s. te verhullen. Of Casino Sevens c.s. door het speelgedrag redelijkerwijs konden vermoeden dat [eiser] schade kon berokkenen aan zichzelf of naasten komt hierna aan de orde.\n\n4.24.. Bij dit alles komt dat de norm van artikel 30u WOK ertoe strekt om kansspelverslaving tegen te gaan en niet tot bescherming tegen de schade, namelijk verlies uit kansspelovereenkomsten, waarvan [eiser] in dit geding de vergoeding vordert. Zelfs als dat wel zo was staan de verliezen in een te ver verwijderd verband om enkel aan een verlening van toegang te kunnen worden toegerekend, in aanmerking nemende dat om te kunnen verliezen eerst nog een wilsbesluit van de speler is vereist tot het aangaan van een spelovereenkomst. Dit laatste zal bij het beroep van [eiser] op vernietiging van de spelovereenkomsten nog aan de orde komen.\n\n4.25.. Onder deze omstandigheden hebben Casino Sevens c.s. niet onrechtmatig tegenover [eiser] gehandeld, althans zijn zij niet tekortgeschoten in de nakoming van de zorgverplichting uit kansspelovereenkomsten, door [eiser] ondanks zijn Cruks-inschrijving toe te laten tot hun speelhallen.\n\nGeen onrechtmatig handelen door het nalaten in te grijpen op afwijkend speelgedrag\n\n4.26.. \n [eiser] verwijt Casino Sevens c.s. ook dat zij onrechtmatig hebben gehandeld en hun zorgplicht hebben verzaakt door na te laten passende maatregelen te nemen bij zijn problematische speelgedrag. Hij voert daarbij het volgende aan. Casino Sevens c.s. zijn verplicht maatregelen en voorzieningen te treffen die nodig zijn om verslaving aan de door haar geëxploiteerde spelautomaten zo veel mogelijk te voorkomen. [eiser] heeft in een periode van vier maanden € 14.990,00 kunnen vergokken bij Casino Sevens c.s., terwijl daarop niet is ingegrepen. Daarbij is relevant dat hij steeds kort na elkaar meerdere bedragen heeft opgenomen en dat hij herhaaldelijk aan meerdere tafels tegelijk heeft gegokt, terwijl hij daar slechts enkele keren over is gewaarschuwd door het personeel van Casino Sevens c.s. Casino Sevens c.s. betwisten dat sprake is van een zorgplichtschending, omdat haar personeel bij [eiser] geen signalen heeft waargenomen op basis waarvan het een interventie in het speelgedrag nodig achtte, terwijl het personeel is gecertificeerd en getraind signalen van kansspelproblematiek te herkennen en te beoordelen.\n\n4.27.. Naar oordeel van de kantonrechter heeft [eiser] het nodige gesteld over zijn compulsieve speelgedrag, maar heeft hij onvoldoende onderbouwd dat Casino Sevens c.s. hun zorgplicht hebben geschonden door hierop niet in te grijpen.\n\n4.28.. \n [eiser] heeft gezegd dat hij in de periode van januari 2025 tot en met april 2025 meerdere keren per week en soms zelfs bijna iedere dag in een van de hallen van Casino Sevens c.s. aanwezig was. Dit was kenbaar voor Casino Sevens c.s. Zij administreerden de keren dat toegang werd verkregen op naam van [betrokkene 1] en de pintransacties bij de pinautomaten in hun hallen. Ook was [eiser] soms zeer lang en vaak laat in de speelhallen aanwezig. Dat is een aanwijzing voor het bestaan van verslavingsproblematiek.\n\n4.29.. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Uit stukken in het dossier en hetgeen [eiser] bij de mondelinge behandeling heeft gezegd, komt naar voren dat [eiser] zijn speelgedrag probeerde te verhullen. [eiser] liet vrienden met zijn pinpas (voor hem) pinnen. Daardoor was voor de medewerkers van Casino Sevens c.s. niet duidelijk dat [eiser] steeds geld opnam. Daarbij waren diezelfde vrienden volgens [eiser] vaak bij de speelautomaten aanwezig waar (enkel) [eiser] aan het spelen was. Hierdoor was het moeilijk zichtbaar voor medewerkers van Casino Sevens c.s. dat (alleen) [eiser] bezig was en dat hij op meerdere automaten geldbedragen inzette. De keer dat het hen wel kenbaar was, is [eiser] hierop aangesproken en is een aantekening gemaakt in de spelregistratie op naam van [betrokkene 1]. Bij die stand van zaken is onvoldoende onderbouwd dat Casino Sevens c.s. onvoldoende toezicht hebben gehouden en onvoldoende heeft gedaan om in te grijpen op zijn speelgedrag. Daarbij komt dat uit de toelichting van [eiser] bij de mondelinge behandeling naar voren kwam dat hij er ook voor heeft willen zorgen om zijn gokgedrag buiten het zicht van het personeel te houden, onder meer door de vrienden – die (meestal) niet gokten – bij hem bij de automaten te houden, waarmee de suggestie werd gewekt dat die vrienden ook aan het spelen waren. Gelet hierop is niet komen vast te staan dat Casino Sevens c.s. op dit punt hun zorgplicht hebben geschonden. Voor een schadevergoeding op grond van een schending van de zorgplicht of onrechtmatige daad is dan ook geen grond.\n\nOok geen grond voor nietigverklaring of vernietiging van de kansspelovereenkomsten\n\n4.30.. Daarmee kan de gevorderde vergoeding niet worden toegewezen zonder een expliciete vernietiging van de kansspelovereenkomsten en moet het beroep van [eiser] op de nietigheid, dan wel vernietigbaarheid van de kansspelovereenkomsten worden beoordeeld. [eiser] voert het volgende aan. Hij heeft nooit willen gokken bij Casino Sevens c.s.. Zijn gokverslaving heeft hem daartoe aangezet. Hij beroept zich daarom op het ontbreken van een wilsverklaring. Hij wilde niet gokken en dat had Casino Sevens c.s. duidelijk moeten zijn. Zijn eventuele wilsverklaringen zijn gedaan onder invloed van een geestelijke stoornis. Ook is sprake (geweest) van misbruik van omstandigheden. Casino Sevens c.s. wisten dat [eiser] door bijzondere omstandigheden (gokverslaving) bewogen werd tot het aangaan van de kansspelovereenkomsten en hebben het aangaan daarvan bevorderd waar Casino Sevens c.s. [eiser] daarvan hadden moeten weerhouden.\n\n4.31.. De kantonrechter stelt het volgende voorop. Als [eiser] zich op het standpunt stelt dat de spelovereenkomsten nietig of vernietigbaar omdat artikel 30u WOK is geschonden door hem toe te laten, geldt het volgende. Het verlenen van toegang in strijd met dit artikel, leidt op zichzelf niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van kansspelovereenkomsten. Er wordt daarmee namelijk slechts toegang verleend tot een of meer spelautomaten waardoor vervolgens een kansspelovereenkomst kan worden aangegaan, die met een beroep op een wilsgebrek mogelijk nietig dan wel vernietigbaar zou kunnen zijn, maar niet wegens overtreding van artikel 30u WOK.\n\n4.32.. Ook heeft [eiser] zijn beroep op misbruik van omstandigheden onvoldoende onderbouwd. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals afhankelijkheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.Hiervoor is al uiteengezet dat [eiser] zich toegang heeft verschaft met een identiteitsbewijs van een (op hem lijkende) vriend en dat het afwijkende speelgedrag van [eiser] door toedoen van [eiser] voor Casino Sevens c.s. onvoldoende kenbaar was. Daarmee hoefden Casino Sevens c.s. niet te begrijpen dat [eiser] door bijzondere omstandigheden werd gedreven tot het aangaan van de kansspelovereenkomsten. Het beroep van [eiser] op misbruik van omstandigheden slaagt daarom niet.\n\n4.33.. Over het door [eiser] gestelde ontbreken van een wilsverklaring overweegt de kantonrechter het volgende. [eiser] voert aan dat een op rechtsgevolgen gerichte wil bij hem ontbroken heeft toen hij de kansspelovereenkomsten aanging, omdat zijn geestvermogens in die tijd waren gestoord en hij onder invloed van zijn gokverslaving de overeenkomsten is aangegaan. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv is het aan [eiser] om te stellen en zo nodig te bewijzen dat ten tijde van het gokken zijn wil om de overeenkomst(en) aan te gaan ontbrak. In de regel kan aan deze stelplicht worden voldaan door een voldoende onderbouwde medische verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt. Het is immers niet aan de kantonrechter om een psychologische diagnose te stellen. [eiser] heeft geen verklaring ingebracht. Ter zitting heeft [eiser] gezegd dat hij sinds juni 2025 onder behandeling is bij een psycholoog voor onder andere zijn gokverslaving, maar dat heeft hij niet onderbouwd. Casino Sevens c.s. betwisten dit ook. In beginsel heeft [eiser] daarmee niet voldaan aan zijn stelplicht en zal hij niet tot nader bewijs van die stelling worden toegelaten.\n\n4.34.. Dat [eiser] wel stellingen heeft aangedragen die erop kunnen wijzen dat hij kampt met een gokverslaving, maakt in dit geval nog niet dat zijn wil ontbrak om met Casino Sevens c.s. kansspelovereenkomsten aan te gaan. Daarbij komt dat - zelfs als de kantonrechter ervan uit zou gaan dat de wil ontbrak - Casino Sevens c.s. er terecht een beroep op hebben gedaan dat zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de wil en de verklaringen van [eiser] overeenstemden. De kansspelovereenkomsten zijn tot stand gekomen nadat [eiser] zijn Cruks-inschrijving heeft omzeild door zich te identificeren als [betrokkene 1]. Daarmee mochten Casino Sevens c.s. er redelijkerwijs van uitgaan dat de persoon die gokte niet was ingeschreven in het Cruks. Voor het overige heeft [eiser] onvoldoende gesteld over hoe Casino Sevens c.s. in dit geval hadden moeten weten dat zijn wil ontbrak, anders dan stellingen over zijn speelgedrag die al zijn behandeld.\n\n4.35.. De conclusie is dat ook de vorderingen van [eiser] om voor recht te verklaren dat de (kansspel)overeenkomsten nietig zijn, dan wel deze te vernietigen, zullen worden afgewezen.\n\nTussenconclusie\n\n4.36.. De vorderingen van [eiser] onder I en II zullen dan ook worden afgewezen. Omdat deze vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking komen, kan hij ook geen aanspraak maken op vergoeding van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.\n\n [eiser] moet de proceskosten betalen\n\n4.37.. \n [eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Casino Sevens c.s. worden begroot op:\n\n- salaris gemachtigde\n\n€\n\n864,00\n\n(2 punten × € 432,00)\n\n- nakosten\n\n€\n\n144,00\n\n(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)\n\nTotaal\n\n€\n\n1.008,00\n\n4.38.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.\n\n5. De beslissing\n\nDe kantonrechter\n\nin het incident\n\n5.1.. wijst de vorderingen af,\n\n5.2.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 432,00,\n\nin de hoofdzaak\n\n5.3.. wijst de vorderingen af,\n\n5.4.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.008,00, te betalen aan Casino Sevens c.s. binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,\n\n5.5.. veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,\n\n5.6.. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. M.A. Hoogkamer en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.\n\n1949\n\n Artikel 194 lid 1 Rv\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:534, r.o. 4.4.\n\n Artikel 30u lid 1 onder c WOK.\n\n Artikel 6:163 BW.\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:534, r.o. 4.8.\n\n Artikel 4a lid 1 WOK.\n\nArtikel 3:33 van het Burgerlijk Wetboek (BW).\n\n Artikel 3:34 BW.\n\n Gerechtshof Amsterdam 18 februari 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:534, r.o. 4.6.\n\n Artikel 3:44 lid 4 BW\n\n HR 9 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2047 (https:\u002F\u002Fwww.inview.nl\u002Fdocument\u002Fid43130e31070e4791b1ff2132c062384b), r.o. 3.6.\n\n Artikel 3:35 BW.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2026:3802","ecli-nl-rbnho-2026-3802",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Civiel recht; Verbintenissenrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,63],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":56,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":57,"language":12,"source":13,"sourceUrl":58,"summary":6,"slug":59,"metadata":60},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":61,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":64,"ecli":65,"caseNumber":6,"courtId":66,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":67,"language":12,"source":13,"sourceUrl":68,"summary":6,"slug":69,"metadata":70},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":71,"legalDomain":62,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]