Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:4154

Instanță

Haarlem

Data

1 April 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Haarlem

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11829306 \ CV EXPL 25-5145

Vonnis van 1 april 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap DHB BOUW B.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Zandvoort,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

hierna te noemen: DHB,

gemachtigde: mr. K.R. Stephan (Tanger Advocaten),

tegen

de vereniging van eigenaren [gedaagde],

gevestigd te [plaats 1] , kantoorhoudende te [plaats 2] ,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

hierna te noemen: de VvE,

gemachtigde: mr. M.H.M. Muyrers (Stichting Achmea Rechtsbijstand).

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties;

  • de conclusie van antwoord met producties;

  • de e-mail van DHB met aanvullende producties;

  • de mondelinge behandeling van 10 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de zittingsaantekeningen van DHB.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. Feiten

2.1.. In de periode 2023-2024 heeft een grootschalige renovatie van het appartementencomplex ‘ [naam 1] ’ plaatsgevonden (‘project Kolommenherstel’).

2.2..
[bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), vertegenwoordigd door [betrokkene] , was ten tijde van de renovatie (tot 22 maart 2024) de (zelfstandig bevoegde) bestuurder van de VvE.

2.3.. De VvE heeft op 6 december 2023 met DHB een overeenkomst van aanneming van werk gesloten tot het uitvoeren van een deel van het werk. Partijen zijn een aanneemsom van € 38.192,93 inclusief btw overeengekomen. De overeenkomst is namens de VvE ondertekend door [bedrijf 1] . Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van DHB van toepassing.

2.4.. Op 29 april 2024 heeft DHB het werk opgeleverd.

2.5.. De VvE heeft de factuur van 15 april 2024 met kenmerk 2024041009 van € 3.089,03 inclusief btw (grotendeels) onbetaald gelaten.

2.6.. Op 28 maart 2025 heeft [bedrijf 1] per e-mail verklaard:

“Voor alle door DHB Bouw B.V, uitgevoerde werkzaamheden van het project Kolommenherstel en specifiek in en aan het appartement [naam 1] te [plaats 1] , geldt dat wij ([bedrijf 2] en [bedrijf 1] B.V.) aan DHB Bouw BV opdracht hebben verstrekt tot het uitvoeren van de geoffreerde werkzaamheden en het meerwerk en dat er ook overeenstemming was over het minderwerk en de verrekend daarvan.”

2.7.. Op 8 mei 2025 heeft de VvE een deelbetaling van € 990,70 gedaan.

3. Het geschil

in conventie

3.1.. DHB vordert - samengevat - veroordeling van de VvE tot betaling van € 2.492,24, vermeerderd met wettelijke (handels)rente en kosten.

3.2.. DHB legt aan haar vordering ten grondslag dat de VvE met de tijdige en volledige betaling van het op 15 april 2024 in rekening gebrachte bedrag van € 3.089,03 in verzuim is gebleven. De deelbetaling van 8 mei 2025 komt eerst in mindering op de kosten, zodat na aftrek daarvan een vordering van € 2.492,24 resteert.

in reconventie

3.3.. De VvE vordert - samengevat - veroordeling van DHB tot betaling van primair € 990,70, subsidiair € 143,37 en zowel primair als subsidiair € 242,10 en € 1.635,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.3.4..

De VvE legt primair aan haar vordering ten grondslag dat de meerwerkovereenkomst waarop de factuur van 15 april 2024 is gebaseerd op grond van het consumentenrecht vernietigbaar is. Dat betekent dat de deelbetaling van 8 mei 2025 onverschuldigd is gedaan. Subsidiair stelt de VvE dat DHB ten onrechte dubbele (meerwerk)posten in rekening heeft gebracht. Daarnaast stelt de VvE (primair en subsidiair) dat DHB op verschillende facturen een te hoog bedrag aan btw in rekening heeft gebracht. Ook heeft DHB kosten in rekening gebracht voor schilderwerk dat helemaal niet is uitgevoerd.

4. De beoordeling

in conventie en in reconventie

4.1.. De vorderingen in conventie en in reconventie lenen zich vanwege de samenhang voor gezamenlijke behandeling.

4.2.. De kantonrechter stelt voorop dat partijen in beginsel een vaste prijs voor het werk zijn overeengekomen. Een nadere urenspecificatie en een overzicht van de gebruikte materialen is daarom niet nodig en doet niet ter zake. De factuur waarvan door DHB betaling wordt gevorderd heeft in de kern betrekking op 10% van deze aanneemsom. Aangezien het werk is opgeleverd, moet de VvE deze (slot)termijn in beginsel betalen. Op de factuur is daarnaast een btw-correctie toegepast en meer- en minderwerk verrekend.

Reflexwerking consumentenrecht?

4.3.. De VvE stelt dat zij in de onderhavige kwestie als consument moet worden beschouwd. Volgens de VvE heeft DHB nagelaten om de VvE (volledig) te informeren over de extra kosten die voor het meerwerk in rekening zouden worden gebracht. Dit maakt de meerwerkovereenkomst vernietigbaar, aldus de VvE.

4.4.. De kantonrechter volgt het standpunt van de VvE niet. De VvE is een rechtspersoon die voor zichzelf procedeert. Door deze rechtspersoonlijkheid kan de VvE geen consumentenbescherming onder de richtlijn oneerlijke handelspraktijken en afdeling 6.5.2b van het Burgerlijk Wetboek genieten omdat die bescherming is voorbehouden aan natuurlijke personen. Dit sluit echter niet uit dat een rechtspersoon, als deze een met consumenten vergelijkbare positie inneemt, mogelijk een beroep kan doen op de ‘reflexwerking’ van het consumentenrecht. De VvE heeft haar standpunt dat zij kan worden gelijkgesteld met een consument niet, althans onvoldoende, onderbouwd. Het enkele feit dat het in feite de appartementseigenaren zijn die DHB betalen, is onvoldoende om aan te nemen dat de VvE de overeenkomsten als consument heeft gesloten en/of de overeenkomsten nauwelijks zijn te onderscheiden van een consumententransactie. In tegendeel, het gaat in deze zaak om een grote VvE met een professionele beheersmaatschappij als bestuurder. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding voor toepassing van de reflexwerking van bedoelde artikelen.

Goedkeuring meer- en minderwerk

4.5..

DHB heeft een ondubbelzinnige verklaring van [bedrijf 1] overgelegd waaruit blijkt dat tussen partijen overeenstemming bestond over het meerwerk, het minderwerk en de verrekening daarvan. Deze goedkeuring van de (destijds) zelfstandig bevoegde bestuurder van de VvE maakt dat de gehele factuur, inclusief de verrekening van het meer- en minderwerk, toewijsbaar is. Dat [bedrijf 1] geen bestuurder meer was op het moment dat de factuur werd uitgebracht, doet daar niet aan af. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om in te gaan om de stelling van de VvE dat DHB bepaalde meerwerkposten ten onrechte dubbel in rekening heeft gebracht. Voor zover de VvE van mening is dat [bedrijf 1] (een deel van) de kosten ten onrechte heeft geaccordeerd, ligt het op de weg van de VvE om haar oud-bestuurder in rechte te betrekken. Dat verandert echter niets aan haar betalingsverplichting jegens DHB.

Schilderwerk

4.6.. De VvE stelt verder dat DHB het geoffreerde schilderwerk (onderdeel van de initiële opdracht) niet naar behoren heeft uitgevoerd. Ook hier geldt echter dat het werkzaamheden betreft waarvoor [bedrijf 1] de opdracht heeft verstrekt, waarop hij als beheerder en bestuurder toezicht heeft gehouden bij de uitvoering en waarvoor hij betaling heeft geaccordeerd. Voor zover de VvE van mening is dat de betaling van deze werkzaamheden ten onrechte heeft plaatsgevonden, dient zij zich tot [bedrijf 1] te wenden.

Btw-correctie

4.7.. Tussen partijen is niet in geschil dat op stucwerk het verlaagde btw-tarief van 9% van toepassing is. DHB heeft op 16 september 2024 een creditnota (2024090023) uitgebracht ten bedrage van € 242,10. Deze creditnota heeft betrekking op de btw-correctie van 21% naar 9% met betrekking tot het (extra) stucwerk zoals vermeld op factuur 2024010012 d.d. 26 januari 2024. In de e-mailcorrespondentie van september 2024 heeft DHB aangegeven dat dit bedrag door de VvE in mindering kan worden gebracht op het nog aan DHB te betalen bedrag.

4.8.. De creditnota en de e-mailcorrespondentie daarover dateren van ná 15 april 2024, zijnde de datum van de factuur waarvan in conventie betaling wordt gevorderd. Het ligt daarom niet voor de hand dat deze latere creditering reeds in die factuur of in de daarop toegepaste btw-correctie is verwerkt. Gesteld noch gebleken is dat de VvE de creditering inmiddels op een andere factuur in mindering heeft gebracht. Dat betekent dat de VvE het bedrag van € 242,10 nog afzonderlijk in mindering mag brengen op het door DHB gevorderde bedrag.

Conclusie

4.9.. De conclusie is dat de VvE de factuur van € 3.089,03 aan DHB moet betalen. DHB moet op haar beurt een bedrag van € 242,10 aan de VvE (terug)betalen. Na verrekening resteert een bedrag van € 2.846,93 dat de VvE aan DHB moet betalen.

4.10.. De buitengerechtelijke kosten zijn toewijsbaar over deze hoofdsom, tot een bedrag van € 409,69.

4.11.. De wettelijke (handels)rente zal worden toegewezen over de toewijsbare hoofdsom vanaf 30 april 2024, zijnde de vervaldatum van de factuur waarvan betaling wordt gevorderd.

4.12.. De VvE heeft een deelbetaling van € 990,70 gedaan. Deze deelbetaling strekt, gelet op het bepaalde in artikel 6:44 BW en wat hiervoor is overwogen, eerst in mindering op de buitengerechtelijke kosten. Dat maakt dat die kosten kunnen worden geacht volledig te zijn voldaan. Na aftrek van de buitengerechtelijke incassokosten resteert van de deelbetaling nog € 584,01. Dit bedrag wordt in mindering gebracht op de hoofdsom, zodat van de hoofdsom nog € 2.262,92 resteert. Dit bedrag wordt toegewezen.

4.13.. De VvE is zowel in conventie als in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gezien de samenhang tussen de vorderingen zullen de proceskosten in reconventie worden begroot op nihil. De proceskosten van DHB in conventie worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

122,35

  • griffierecht

514,00

  • salaris gemachtigde

434,00

(2 punten × € 217,00)

  • nakosten

108,50

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.178,85

4.14.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie en in reconventie

5.1.. veroordeelt de VvE om aan DHB te betalen een bedrag van € 2.262,92, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 30 april 2024, tot de dag van volledige betaling,

5.2.. veroordeelt de VvE in de proceskosten, die aan de kant van DHB in conventie worden begroot op van € 1.178,85, en in reconventie worden begroot op nihil, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als de VvE niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.3.. veroordeelt de VvE tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

5.4.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.. wijst het meer of anders gevorderde af,

Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2026.

De griffier De kantonrechter

Mai Multe Decizii