ECLI:NL:RBNHO:2026:5134
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Belastingrecht
Uitspraak
Haarlem
Rechtbank noord-holland
Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 24/7638 en HAA 25/2299
uitspraak van de meervoudige kamer van 21 april 2026 in de zaken tussen
mr. [belanghebbende] , wonende te [woonplaats] , belanghebbende
(gemachtigde: mr. L.C.A. Wijsman),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
HAA 24/7638
Met dagtekening 8 maart 2024 heeft verweerder aan belanghebbende een aanslag schenkbelasting opgelegd, berekend naar een belaste schenking van € 10.997.792 (hierna: de aanslag schenkbelasting).
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 7 oktober 2024 heeft verweerder de aanslag schenkbelasting vernietigd.
HAA 25/2299
Met dagtekening 14 december 2023 heeft verweerder aan belanghebbende een aanslag erfbelasting opgelegd, berekend naar een belaste verkrijging van € 11.126.984 (hierna: de aanslag erfbelasting).
Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 27 maart 2025 heeft verweerder de aanslag erfbelasting verminderd naar een belaste verkrijging van € 126.984.
Beide zaken
Belanghebbende heeft beroepen ingesteld.
Verweerder heeft verweerschriften ingediend.
Belanghebbende heeft nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2026 te Haarlem.
Belanghebbende is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, mr. [naam 1] en [naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 3] MSc en mr. [naam 4] .
Overwegingen
Feiten
Algemeen
1. Belanghebbende is op 13 september 1985 gehuwd met mevrouw [naam 5] (hierna: erflaatster) buiten elke gemeenschap van goederen.
2. Belanghebbende en erflaatster hebben op 8 september 2010 hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. In de voorwaarden is opgenomen dat, indien het huwelijk eindigt door overlijden, wordt afgerekend tussen hen alsof een algehele gemeenschap van goederen heeft bestaan (hierna: het finaal wederkerig verrekenbeding).
3. Op 30 juni 2020 hebben belanghebbende en erflaatster hun huwelijkse voorwaarden gewijzigd. Het finaal wederkerig verrekenbeding bij overlijden is ingetrokken.
4. Erflaatster is op 22 juli 2020 overleden. Erfgenamen van erflaatster zijn belanghebbende en hun drie kinderen.
De aanslag erfbelasting
5. Belanghebbende vraagt bij schrijven met dagtekening 25 maart 2021 uitstel voor het indienen van een aangifte erfbelasting tot 22 augustus 2021.
6. Tot de gedingstukken behoort een brief van verweerder met dagtekening 20 april 2021, gericht aan belanghebbende. In deze brief is het volgende vermeld:
‘(…)
Op 31 maart 2021 hebt u uitstel aangevraagd voor het doen van uw aangifte erfbelasting van de erfenis van de overledene [rechtbank: erflaatster] (…).
Ik verleen u hiervoor uitstel tot 22 augustus 2021.
(…)’
7. Tot de gedingstukken behoort een door verweerder overgelegd document genaamd ‘Rapport Datum Verzending’ ten aanzien van de hiervoor onder 6 genoemde brief. In dit stuk is onder meer vermeld dat de brief ‘(…) met dagtekening 20 april 2021 (…) t.n.v. [belanghebbende] is gearchiveerd en verzonden is aan het adres [adres] ’, dat de brief ‘is opgenomen in een samengestelde partij documenten’, dat is ‘waargenomen dat de partij documenten (…) is aangeboden aan POSTNL, ter verzending’ en dat ‘de partij documenten (…) tijdig en zonder problemen is aangeboden ter verzending’.
8. Op 7 september 2021 doet belanghebbende aangifte erfbelasting.
9. Met dagtekening 27 september 2021 stuurt verweerder aan belanghebbende een herinnering tot het doen van aangifte erfbelasting. In die herinnering is onder meer het volgende vermeld:
‘U hebt uitstel gekregen om deze aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren.’
10. Tussen partijen heeft in de periode juni tot en met december 2023 divers overleg plaatsgevonden over de nalatenschap van erflaatster.
11. Zo heeft verweerder bij e-mailbericht van 23 oktober 2023 het volgende aan belanghebbende gevraagd:
‘(…)
Wijziging huwelijkse voorwaarden
[Erflaatster] was met [belanghebbende] gehuwd onder huwelijkse voorwaarden. In de huwelijksvoorwaarden was sprake van koude uitsluiting met finale verrekening bij einde huwelijk door overlijden. Drie weken voor overlijden, op 30 juni 2020, zijn de huwelijksvoorwaarden gewijzigd en is het finale verrekenbeding bij overlijden geschrapt. Dit kan een belastbaar feit voor de schenkbelasting inhouden. Ik ontvang graag nadere informatie hieromtrent.
Ik verneem graag van u wat de reden/aanleiding is geweest voor de wijziging van de huwelijksvoorwaarden en wie de initiatiefnemer tot de wijziging is geweest?
(…)’
12. In een e-mailbericht van 14 november 2023 van verweerder aan de notaris van belanghebbende schrijft verweerder:
‘(…)
Ik ben voornemens de aanslagen erfbelasting vast te stellen. U dient er rekening mee te houden dat ter behoud van rechten afgeweken wordt van de gedane aangifte.
Denkbaar is een bijtelling op basis van art. 12 Sw in verband met een schenking binnen 180 dagen, danwel, onder verwijzing naar de conclusie van de AG in de cassatiezaak, bekend onder nummer: ECLI:NL:PHR:2023:188, dat het standpunt van fraus legis wordt ingenomen.
(…)’
13. In een e-mailbericht van 4 december 2023 van verweerder aan belanghebbende is het volgende vermeld:
‘(…)
Ik heb u zojuist gebeld inzake de aanslagen erfbelasting (…)
Ik deel u hierbij mede dat ik van de aangifte ben afgeweken.
In dit bericht zal ik toelichten waarom ik van de aangifte ben afgeweken.
Fictieve verkrijging ex art. 12 SW
In de mail van 23 oktober 2023 en 14 november 2023 aan notaris (…) heb ik om informatie gevraagd verband houdend met de wijziging van de huwelijkse voorwaarden (het schrappen van het finale verrekenbeding).
Naar onze mening wordt door deze wijziging afstand gedaan van het recht tot verrekening, zijnde een belastbaar feit voor de schenkbelasting. (…)
Omdat de schenking binnen 180 dagen voor het overlijden heeft plaatsgevonden is art. 12 Successiewet toepasselijk. Er vindt derhalve ook een belastbaar feit voor de erfbelasting plaats.
De waarde van de fictieve verkrijging is ambtshalve vastgesteld op € 11 miljoen.
Telefonisch contact
Ik heb u zojuist geprobeerd te bellen. Indien u dit nog telefonisch wil bespreken, dan is dat mogelijk op onderstaand telefoonnummer.
(…)’
14. Met dagtekening 14 december 2023 legt verweerder aan belanghebbende de aanslag erfbelasting op. De aanslag erfbelasting wijkt – conform hetgeen opgenomen onder 13 – af van de door belanghebbende ingediende aangifte.
15. Op 22 januari 2024 maakt belanghebbende (pro forma) bezwaar tegen de aanslag erfbelasting. Bij schrijven met dagtekening 8 maart 2024 wordt het bezwaar gemotiveerd.
16. Met dagtekening 24 juli 2024 stuurt belanghebbende aan verweerder een nader stuk aangaande de aanslag erfbelasting (en de aanslag schenkbelasting).
17. Vervolgens vindt tussen partijen telefonisch contact en (e-mail)correspondentie plaats, onder meer over de verzending van de brief genoemd onder 6, de voortgang van de bezwaarbehandeling en het plannen van een hoorgesprek.
18. In een (vooraankondigings)brief met dagtekening 7 november 2024 van verweerder aan belanghebbende is het volgende vermeld:
‘(…) Vooraankondiging uitspraak op bezwaar
(…)
2. Fictieve bijtelling artikel 12
Wat uw bezwaar onderdeel 2 bent u inmiddels op de hoogte gesteld dat de aanslag schenkbelasting ten aanzien van [belanghebbende] is herzien tot nihil per verminderingsaanslag dagtekening 17 oktober 2024. Hierdoor is toepassing van artikel 12 Successiewet voor een bedrag van € 11.000.000 niet meer mogelijk. Ik zal uw bezwaar wat dat betreft toe wijzen.
(…)
Kostenvergoeding
Ik ben voornemens u een kostenvergoeding toe te kennen in verband met het herzien van de aanslag erfbelasting in verband met het laten vallen van de fictieve verkrijging ex artikel 12 Successiewet 1956. Ik ontvang graag van u de naam en rekeningnummer waarop de kostenvergoeding ad € 624 kan worden gestort.
(…)
Verzoek kostenvergoeding
Ik wijs u een kostenvergoeding toe.
(…)’
19. Bij schrijven met dagtekening 4 december 2024 reageert belanghebbende op de vooraankondiging. Belanghebbende vermeldt in zijn bericht onder meer:
‘(…)
In uw voornemen schrijft u dat u voornemens bent een kostenvergoeding toe te kennen van EUR 624, d.w.z. forfaitair. De werkelijke gemaakte kosten zijn vele malen groter (ook voor de schenkbelasting). Gelet op het vorenstaande wil ik daarover ook met u het gesprek aangaan. (…)
De kosten die o.g.v. facturen van mij en de [naam 2] (financieel adviseur) alsook notaris [notaris] zijn toe te rekenen aan de bestreden aanslagen schenk- en erfbelasting bedragen bij benadering in totaal circa EUR 135.000 (incl. BTW).
(…)’
20. Op 16 december 2024 vindt een hoorgesprek plaats. Op 14 januari 2025 reageert belanghebbende op het hoorverslag.
21. Bij uitspraak op bezwaar van 27 maart 2025 vermindert verweerder de aanslag erfbelasting met de (fictieve) verkrijging van € 11.000.000.
De aanslag schenkbelasting
22. Tussen partijen heeft in de periode juni tot en met december 2023 divers overleg plaatsgevonden over de nalatenschap van erflaatster (waarbij zij verwezen naar hetgeen hiervoor opgenomen onder 11, 12 en 13).
23. Met dagtekening 8 maart 2024 legt verweerder de aanslag schenkbelasting op, uitgaande van een schenking van erflaatster aan belanghebbende ten bedrage van € 11.000.000.
24. Met dagtekening 12 april 2024 maakt belanghebbende bezwaar tegen de aanslag schenkbelasting waarbij hij het bezwaar gelijktijdig motiveert.
25. Met dagtekening 24 juli 2024 stuurt eiser aan verweerder een nader stuk aangaande (de aanslag erfbelasting en) de aanslag schenkbelasting.
26. Vervolgens vindt tussen partijen telefonisch contact en (e-mail)correspondentie plaats, onder meer over de voortgang van de bezwaarbehandeling en het plannen van een hoorgesprek.
27. Bij e-mailbericht van 1 oktober 2024 stuurt verweerder naar belanghebbende het volgende:
‘(…)
In navolging van ons telefonisch onderhoud kreeg ik zoals verwacht een positieve terugkoppeling van de vaktechnische deskundige na het intern overleg. Het ging in deze zaak om de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een schenking vanwege het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden. Het standpunt dat ten aanzien van deze vraag is ingenomen luidt dan ook als volgt:
Het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden in het zicht van overlijden wordt op dit moment niet gezien als een schenking.
Derhalve, zal ik uw bezwaar gericht tegen de aanslag schenkbelasting volledig toewijzen en de aanslag schenkbelasting conform uw bezwaar verminderen naar nihil. U ontvangt van mij binnenkort een definitieve uitspraak op uw bezwaar gericht tegen de aanslag schenkbelasting met de toekenning van de kostenvergoeding.
(…)’
28. Bij uitspraak op bezwaar van 7 oktober 2024 vernietigt verweerder de aanslag schenkbelasting. Daarbij kent hij een kostenvergoeding toe van € 624 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 624).
Geschil 29. In geschil is of de aanslag erfbelasting terecht is opgelegd. Meer specifiek is in geschil of de aanslag erfbelasting binnen de wettelijke aanslagtermijn is opgelegd.
30. Verder is voor beide zaken in geschil of belanghebbende recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten in verband met de behandeling van de bezwaren.
Beoordeling van het geschil
Tijdigheid aanslag erfbelasting
31. Belanghebbende betoogt dat de aanslag erfbelasting buiten de aanslagtermijn is opgelegd en zodoende dient te worden vernietigd. Volgens belanghebbende heeft hij weliswaar verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte, maar de toekenning van dit verzoek heeft hem nooit bereikt. De termijn om de aanslag op te leggen is daarom niet verlengd met de termijn van het verzochte uitstel.
32. Volgens verweerder is (op verzoek van belanghebbende) vijf maanden uitstel voor het doen van aangifte erfbelasting verleend, zodat de termijn voor het opleggen van de aanslag verloopt op 22 december 2023. Verweerder weerspreekt dat de brief van 20 april 2021 niet (juist) zou zijn verzonden en heeft daartoe verzendadministratie overgelegd (zie hetgeen is opgenomen onder 7).
33. De rechtbank stelt vast dat de (reguliere) wettelijke termijn voor het opleggen van de aanslag erfbelasting (als bedoeld in artikel 11, derde lid, eerste volzin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in samenhang met artikel 66, eerste lid, aanhef en onder 1, van de Successiewet 1956) eindigde op 22 juli 2023. Verder staat vast dat belanghebbende bij schrijven met dagtekening 25 maart 2021 heeft verzocht om uitstel voor het indienen van de aangifte erfbelasting tot 22 augustus 2021 (zie 5) en dat belanghebbende het schrijven met dagtekening 27 september 2021 (zie 9) heeft ontvangen. De aanslag erfbelasting is met dagtekening 14 december 2023 opgelegd.
34. De rechtbank stelt voorop dat voor verlenging van de aanslagtermijn met de duur van het uitstel (als bedoeld in artikel 11, derde lid, tweede volzin, van de AWR) nodig is dat door of namens de belastingplichtige is verzocht om uitstel en dat dit uitstel hem duidelijk kenbaar is verleend (zie HR 18 maart 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2484). De bekendmaking van het verleende uitstel moet plaatsvinden voor het verstrijken van de reguliere driejaarstermijn (zie HR 13 juli 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9336).
35. Nu ervan kan worden uitgegaan dat belanghebbende om uitstel voor het indienen van de aangifte heeft verzocht en verweerder bij brief van 27 september 2021 belanghebbende heeft medegedeeld dat ‘[U] (…) uitstel [hebt] gekregen om deze aangifte vóór 22 augustus 2021 in te leveren’, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bekendmaking (als bedoeld in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht) van het besluit tot het verlenen van het gevraagde uitstel. Nu voorts die mededeling bij brief van 27 september 2021 is gedaan voor het verstrijken van de termijn van drie jaar als bedoeld in artikel 11, derde lid, eerste volzin, van de AWR, is de termijn voor het vaststellen van de aanslag verlengd met de duur van het (door belanghebbende verzochte) uitstel. Dit betekent dat de aanslag erfbelasting binnen de wettelijke termijn is opgelegd en dat het betoog van belanghebbende niet slaagt.
36. De rechtbank komt derhalve niet toe aan een oordeel of verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat de brief van 20 april 2021 is verzonden.
Integrale vergoeding van kosten voor de bezwaarfase?
37. Belanghebbende betoogt dat hij recht heeft op een integrale vergoeding van de kosten van de bezwaarfase omdat beide aanslagen zonder (wettelijke) grondslag zijn opgelegd en verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld. Wat betreft het betoogde ontbreken van een wettelijke grondslag verwijst belanghebbende onder meer naar een arrest van de Hoge Raad van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239). Wat betreft het betoogde onzorgvuldig handelen van verweerder voert belanghebbende (onder meer) aan dat (i) hij door verweerder onbehoorlijk is bejegend in de aanslagfase en de bezwaarfase – waarbij belanghebbende onder meer verwijst naar een e-mailbericht van 1 oktober 2024 en een e-mailbericht van 7 november 2024, (ii) Bureau Vaktechniek van de Belastingdienst heeft aangespoord de onderhavige aanslagen op te leggen zodat een en ander (rechterlijk) getoetst kon worden en (iii) in de aanslagen is uitgegaan van een veel te groot vermogen, terwijl dit verweerder bekend moet zijn geweest.
38. Belanghebbende heeft de kosten beraamd op € 118.197,29, waarbij belanghebbende 60% (€ 70.918,37) toerekent aan de aanslag erfbelasting en 40% (€ 47.278,92) toerekent aan de aanslag schenkbelasting. Deze kosten hebben betrekking op werkzaamheden van de gemachtigde, de financieel adviseur en de notaris.
39. Volgens verweerder volstaat een forfaitaire vergoeding van de kosten in de bezwaarfase (als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit)).
40. Vooraf merkt de rechtbank op dat, alhoewel in de uitspraak op bezwaar aangaande de aanslag schenkbelasting geen kostenvergoeding is vastgesteld, de rechtbank van de situatie uitgaat – en zoals door partijen bevestigd ter zitting – dat (ook) bij de uitspraak op bezwaar inzake de aanslag schenkbelasting een forfaitaire kostenvergoeding (als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit) is toegekend.
41. De rechtbank overweegt dat in beginsel het beloop van een vergoeding van de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt bepaald met toepassing van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit en het in de daarbij behorende bijlage opgenomen puntensysteem. In artikel 2, derde lid, van het Besluit is echter bepaald dat in bijzondere omstandigheden kan worden afgeweken van de op grond van in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit, op forfaitaire wijze, berekende bedragen. Voor een dergelijke afwijking is grond indien het bestuursorgaan een verwijt treft dat het een beschikking geeft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (zie HR 13 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA2802 en HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975). Ook is grond voor een afwijkende vergoeding als verweerder bij het opleggen van de aanslag in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld (zie HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2975).
42. De rechtbank vat het betoog van belanghebbende (zoals opgenomen onder 37) aldus op dat belanghebbende zich op het standpunt stelt dat (i) verweerder de aanslagen heeft vastgesteld terwijl hij op dat moment wist dat de aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden (tegen beter weten in) en (ii) verweerder bij het opleggen van de aanslagen in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld.
43. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat verweerder tegen beter weten in de aanslagen heeft opgelegd. De rechtbank acht hierbij relevant dat verweerder de aanslagen heeft opgelegd omdat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen van mening was dat bij het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving plaatsvindt en daarom een schenking. Dat de aanslag schenkbelasting na het arrest van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239) is vastgesteld, is volgens verweerder niet relevant omdat de onderhavige situatie (opheffen van een finaal verrekenbeding) anders is dan de situatie in het laatstgenoemde arrest (aangaan van huwelijkse voorwaarden). Nergens uit de stukken valt op te maken dat verweerder de aanslagen heeft vastgesteld en dat het hem op dat moment duidelijk was dat de aanslagen in een daartegen ingestelde procedure geen stand zouden houden.
44. Ook het feit dat de aanslagen in de desbetreffende uitspraken op bezwaar zijn verminderd/vernietigd, leidt op zichzelf bezien evenmin tot het oordeel dat verweerder tegen beter weten in de aanslagen heeft vastgesteld. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat, ondanks dat de onderhavige situatie verschilt van de situatie in het voornoemde arrest van de Hoge Raad, hij zijn standpunt destijds heeft herzien omdat hij op enig moment na het opleggen van de aanslagen heeft gesignaleerd dat de notariële praktijk zich niet bewust was van het feit dat het opheffen van een finaal verrekenbeding een voltooide vermogensverschuiving en derhalve een schenking kan inhouden. Dit zou betekenen dat veel mensen zouden worden geconfronteerd met een aanslag schenkbelasting, zonder dat zij zich van een schenking bewust waren en het tegenovergestelde destijds aan hen was geadviseerd. Dit was onwenselijk en de reden waarom de uitspraak op bezwaar vermeldt dat het feit ‘op dit moment’ niet als een schenking wordt gezien, aldus nog steeds verweerder. Dat verweerder vanwege beleidsmatige redenen zijn beslissing(en) heeft herzien, betekent niet dat hij reeds daarom tegen beter weten in heeft gehandeld.
45. Ter aanvulling heeft verweerder betoogd dat hij ten tijde van het opleggen van de aanslagen het vermoeden had dat sprake kon zijn van wetsontduiking (fraus legis). Dit vermoeden volgt, anders dan belanghebbende stelt, uit de gedingstukken (zie onder meer onder 12).
46. Wat betreft de vraag of verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld oordeelt de rechtbank als volgt. Uit de door belanghebbende aangehaalde e-mailberichten van 7 november 2024 (zie onder 18) en 1 oktober 2024 (zie onder 27) maakt de rechtbank niet op dat sprake is van in vergaande mate onzorgvuldig handelen van verweerder. Anders dan belanghebbende stelt, bevestigt verweerder in zijn e-mailbericht van 1 oktober 2024 niet dat hij de aanslag(en) heeft opgelegd zonder wettelijke grondslag. In het laatstgenoemde bericht is enkel vermeld dat het schrappen van een wederkerig finaal verrekenbeding alleen werkend bij overlijden in het zicht van overlijden op dit moment door verweerder niet wordt gezien als een schenking. De daaraan ten grondslag liggende reden is niet in het e-mailbericht vermeld.
47. Ook anderszins zijn in het procesdossier geen aanknopingspunten te vinden waaruit volgt dat verweerder in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Het door belanghebbende gestelde ‘zwalkende gedrag’ en ontwijkende gedrag van verweerder volgt niet uit het procesdossier.
48. Dat Bureau Vaktechniek van de Belastingdienst verweerder heeft aangespoord de onderhavige situatie te laten toetsen (door een rechter), wat daar verder ook van zij, is niet onwettig. De rechtbank ziet daarin eveneens geen bijzondere omstandigheid die aanleiding geeft voor een integrale kostenvergoeding.
49. Dat de aanslag schenkbelasting is opgelegd na publicatie van het arrest van 16 februari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:239) is op zichzelf bezien evenmin dermate onzorgvuldig dat dit een bijzondere omstandigheid vormt. De rechtbank verwijst daarbij ook naar hetgeen is overwogen onder 43.
50. De rechtbank is voorts van oordeel dat het enkele feit dat verweerder in de uitspraken op bezwaar niet meer uitgaat van een (fictieve) verkrijging ter hoogte van € 11.000.000, niet maakt dat reeds daarom sprake is van een bijzondere omstandigheid. De rechtbank verwijst daarbij ook naar hetgeen is overwogen onder 44.
51. Belanghebbende heeft zijn stelling dat verweerder bij het vaststellen van de aanslagen is uitgegaan van een (veel) te groot vermogen en dat dit kenbaar moet zijn geweest, tegenover de betwisting van verweerder onvoldoende gemotiveerd. Belanghebbende heeft niet nader onderbouwd waarom verweerder in dezen in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld, mede gelet op het feit dat verweerder de aanslagen heeft gebaseerd op onder meer WOZ-gegevens en gegevens uit de aangifte inkomstenbelasting van belanghebbende.
52. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, anders dan belanghebbende betoogt, de situatie dat de aanslagen hoge bedragen betreffen en drie adviseurs (een advocaat, een notaris en een financieel adviseur) hoge kosten hebben gemaakt, niet zonder meer meebrengt dat sprake is van dermate onzorgvuldig handelen door verweerder (vgl. HR 7 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU3929).
53. Gelet op hetgeen hierboven vermeld en overwogen bestaat geen aanleiding voor een hogere vergoeding van kosten dan de reeds toegekende forfaitaire vergoedingen voor de bezwaarfase(s). Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank niet toekomt aan een beoordeling van de door belanghebbende (gestelde) gemaakte kosten in bezwaar.
Slotsom
54. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.
Proceskosten
55. Omdat de beroepen ongegrond worden verklaard, bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling voor de beroepsfase. De rechtbank komt daarom niet toe aan een behandeling van de door belanghebbende gewenste integrale proceskostenvergoeding voor de beroepsfase.Beslissing
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. Huisman, voorzitter, en mr. M.C. van As en
mr. J.C. Brouwer, leden, in aanwezigheid van mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 april 2026.
griffier voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer).
U kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).