Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:6977

Instanță

Alkmaar

Data

25 March 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Alkmaar

Procedure: UitspraakDomain: Civiel rechtType: uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht

Zittingsplaats Alkmaar

Zaaknummer: C/15/349529 / HA ZA 24-109

Vonnis van 25 maart 2026

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AVANTI SYSTEEMBOUW B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: Avanti,

advocaat: mr. R. van der Hooft,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

RINGERS BEHEERMAATSCHAPPIJ B.V.,

gevestigd te Alkmaar,

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna te noemen: Ringers,

advocaat: mr. B.J.H. Kesnich.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • het tussenvonnis van 26 februari 2025 - het getuigenverhoor van 11 april 2025 - het getuigenverhoor van 27 juni 2025

  • de conclusie na getuigenverhoor van Avanti

  • de antwoordconclusie van Ringers.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie

Stand van zaken

2.1.. In het tussenvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank Avanti opgedragen te bewijzen:

dat is overeengekomen de werkzaamheden die zien op het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers uit te voeren tegen de voorwaarden en prijzen die worden genoemd in de offerte van 29 juni 2022, en

dat zij de werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van de wanden en plafonds heeft uitgevoerd in de omvang zoals deze in de eindafrekening van 15 mei 2023 zijn vermeld en dat en hoeveel materialen zij voor die werkzaamheden heeft geleverd.

2.2..

In het kader van de bewijslevering heeft er op 11 april 2025 een getuigenverhoor plaatsgevonden en op 27 juni 2025 een tegenverhoor.

Tijdens het getuigenverhoor zijn de volgende getuigen gehoord:

de heer [getuige 1] (hierna: [getuige 1] );

de heer [getuige 2] (hierna: [getuige 2] );

de heer [getuige 3] (hierna: [getuige 3] );

de heer [getuige 4] (hierna: [getuige 4] ).

Tijdens het tegenverhoor zijn de volgende getuigen gehoord:

de heer [getuige 5] (hierna: [getuige 5] );

de heer [getuige 6] (hierna: [getuige 6] ).

2.3.. Vervolgens hebben zowel Avanti als Ringers een conclusie overgelegd. Avanti concludeert daarin dat zij het opgedragen bewijs heeft geleverd en volgens Ringers is Avanti daarin niet geslaagd.

Partijgetuigen en betrouwbaarheid verklaringen

2.4.. Volgens artikel 164 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (oud) kan de getuigenverklaring van een partij geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Deze bepaling is met de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht vervallen. Gelet op artikel XIIa van deze wet blijft de bepaling in deze zaak gelden, omdat de procedure al aanhangig was toen de wet op 1 januari 2025 in werking trad.

2.5..

In haar conclusie voert Ringers aan dat twee van de door Avanti gehoorde getuigen – [getuige 1] en [getuige 2] – partijgetuigen zijn met een dubbele belangenverstrengeling.

[getuige 2] is directeur-grootaandeelhouder (DGA) van Avanti en heeft daarom ook een direct financieel belang bij de uitkomst van het onderhavige geschil. In zijn verklaring heeft [getuige 2] daarnaast toegegeven dat hij vooraf met [getuige 3] en [getuige 4] , die inkomensafhankelijk zijn van hun werkgever Avanti, heeft gesproken: “We hebben onderling besproken wat we hier gaan verklaren”.

Hoewel [getuige 1] destijds optrad als opdrachtnemer en vertegenwoordiger van Ringers, is de relatie tussen beide inmiddels sterk verslechterd. [getuige 1] heeft inmiddels een eigen omvangrijke vordering tegen Ringers ingesteld. Daarnaast heeft [getuige 1] een goede en zakelijke en vriendschappelijke relatie met [getuige 2] . Dit maakt [getuige 1] partijdig, aldus Ringers.

2.6.. De rechtbank overweegt dat [getuige 2] als (indirect) bestuurder van Avanti een partijgetuige is in de zin van artikel 164 lid 2 Rv (oud). Dit betekent dat er nader bewijs nodig is om gewicht toe te kennen aan zijn verklaring. Het standpunt dat ook [getuige 1] een partijgetuige is, volgt de rechtbank niet. Hij is immers niet verbonden aan een van de partijen. De verklaring van [getuige 1] behoeft dus geen steunbewijs.

2.7.. Dat er kennelijk een geschil bestaat tussen [getuige 1] en Ringers, maakt zijn verklaring op zich niet onbetrouwbaar. Dat [getuige 1] er financieel belang bij zou hebben dat de vordering van Avanti op Ringers wordt toegewezen, is in het geheel niet onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat de verklaring van [getuige 1] bij de beoordeling kan worden betrokken en ziet geen reden deze als onbetrouwbaar terzijde te stellen.

2.8.. Ook de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] vindt de rechtbank niet onbetrouwbaar. Zij hebben weliswaar voorafgaand aan de getuigenverhoren met elkaar gesproken, maar uit de inhoud van de verklaringen blijkt niet dat deze op elkaar afgestemd zijn. Bovendien maakt het enkele feit dat deze getuigen allen werkzaam zijn voor Avanti, niet dat hun verklaring onbetrouwbaar is.

De offerte van 29 juni 2022

2.9.. De rechtbank is van oordeel dat Avanti het bewijs heeft geleverd dat is overeengekomen de werkzaamheden die zien op het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers uit te voeren tegen de voorwaarden en prijzen die worden genoemd in de offerte van 29 juni 2022. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

2.10.. In het tussenvonnis van 6 november 2024 is al vastgesteld dat Avanti op 29 juni 2022 een offerte had uitgebracht voor het aanbrengen van wanden en plafonds in de panden van Ringers, en dat dit destijds niet tot een overeenkomst had geleid. Ringers had voor deze werkzaamheden een overeenkomst gesloten met [naam 1] . Op 10 maart 2023 heeft [de holding] - als vertegenwoordiger van Ringers - de samenwerking met [naam 1] beëindigd, waarna Avanti is benaderd om werkzaamheden in de panden uit te voeren.

2.11..
[getuige 2] heeft als getuige verklaard dat hij vervolgens met [getuige 1] (van [de holding] ) ter plaatse heeft gekeken naar het werk en dat zij hebben besproken dat de werkzaamheden zouden worden uitgevoerd volgens de offerte die Avanti eerder had uitgebracht. [getuige 2] heeft gezegd dat hij de offerte van juni 2022 aanhield en [getuige 1] vond dat prima. Deze verklaring wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 1] . Hij heeft verklaard dat tijdens een schouw van het werk de laatste offerte van Avanti erbij is gepakt en dat de eenheidsprijzen uit de laatste offerte van Avanti zijn afgesproken. Getuige [getuige 3] , projectmanager bij Avanti, heeft verklaard dat hij erbij aanwezig was dat [getuige 2] en [getuige 1] afspraken de offerte die eerder was gemaakt te hanteren.

2.12.. Ringers voert aan dat een schriftelijke bevestiging ontbreekt, wat haar ernstig doet twijfelen aan de gestelde prijsafspraak. Hierin volgt de rechtbank Ringers niet. Dat de daarover gemaakte afspraken niet schriftelijk zijn vastgelegd, wat overigens in de bouwwereld niet ongebruikelijk is, betekent niet dat de gestelde afspraak niet is gemaakt. Bovendien stond de offerte al op papier. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [getuige 2] daarover verklaard dat haast geboden was omdat [naam 1] al was vertrokken, wat de rechtbank niet onaannemelijk voorkomt.

2.13.. Ook het verweer dat de offerte geen definitieve overeenkomst was, maar slechts een basis, kan Avanti niet baten. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 1] volgt dat de eenheidsprijzen zoals opgenomen in de offerte van 29 juni 2022 waren overeengekomen. Omdat [naam 1] al werkzaamheden had verricht, was verder afgesproken dat zou worden gekeken wat Avanti precies moest maken en wat in mindering moest worden gebracht op de eenheidsprijzen gelet op de materialen die er nog waren en die Avanti kon gebruiken. Die omstandigheden brengen niet mee dat geen definitieve afspraak tussen partijen was gemaakt. De afspraak houdt juist in dat de prijzen en voorwaarden uit de offerte van 29 juni 2022 gelden, met dien verstande dat alleen betaald moet worden voor het werk dat Avanti daadwerkelijk verricht, onder aftrek van kosten voor de nog aanwezige materialen die Avanti zou gebruiken (en die Avanti dus niet hoefde te leveren).

2.14.. Tot slot betoogt Ringers dat het hanteren van een vaste vierkante meter prijs bedrijfseconomisch gezien zo onlogisch en irrationeel is in de onderhavige situatie, dat de gestelde prijsafspraak ongeloofwaardig is. Afrekenen op regiebasis is in een situatie waarin een deel van het werk al is verricht en aanwezige materialen kunnen worden gebruikt veel realistischer. Ook gelet op de hoge inflatie van destijds is het onrealistisch dat zou zijn afgesproken om te werken volgens een offerte die op dat moment al negen maanden oud was, aldus Ringers. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 1] en [getuige 3] volgt dat is afgesproken te werken volgens de offerte van 29 juni 2022. Dat dit bedrijfseconomisch voor Avanti wellicht niet de meest verstandige keuze is geweest en regiebasis in de ogen van Ringers meer voor de hand lag, maakt dit niet anders.

De omvang van de werkzaamheden van Avanti

2.15.. De rechtbank heeft Avanti verder opgedragen te bewijzen dat zij de werkzaamheden met betrekking tot het aanbrengen van wanden en plafonds heeft uitgevoerd in de omvang zoals deze in de eindafrekening van 15 mei 2023 is vermeld en dat en hoeveel materialen zij voor die werkzaamheden heeft geleverd. Op deze eindafrekening wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende uitvoeringen. In dit vonnis gaat het nog om Uitvoering A, Uitvoering C, Uitvoering E en Uitvoering H, alsmede het leveren van een aantal materialen. De rechtbank zal deze posten hierna bespreken.

Uitvoering A: Gipsplafonds

2.16.. Uitvoering A ziet op gipsplafonds. Uit de stellingen van partijen en de verklaringen van de getuigen begrijpt de rechtbank dat tussen partijen niet in geschil is dat Avanti werkzaamheden heeft verricht aan de plafonds van een aantal units. Over de omvang van de werkzaamheden door Avanti zijn partijen het niet eens.2.17..

Op de eindafrekening staat dat er door Avanti 625 m² aan gipsplafonds is geplaatst.

Avanti heeft bij haar Akte uitlating bewijslevering bouwtekeningen overgelegd waarin staat aangegeven welke werkzaamheden er in een bepaalde ruimte zijn verricht. De rechtbank begrijpt uit de bouwtekeningen het volgende:

In gebouw B is er op de begane grond 91.00 m² + 365.39 m² aan gipsplafonds aangebracht;

In gebouw C is er op de begane grond 83.94 m² aan gipsplafonds aangebracht;

In gebouw D is er op de begane grond 84.54 m² aan gipsplafonds aangebracht.

In totaal is er volgens de tekeningen 624,87 m² - afgerond 625 m² - aan gipsplafonds aangebracht. Dit komt overeen met de oppervlakte die door Avanti is opgenomen in de eindafrekening.

2.18.. Ringers voert aan dat de genoemde tekeningen achteraf voor deze procedure zijn opgesteld. Dat is ook erkend door de getuigen [getuige 2] en [getuige 3] . Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of de genoteerde oppervlaktes gebaseerd zijn op een inmeting die volgens Avanti op 8 mei 2023 heeft plaatsgevonden. Avanti heeft de resultaten van die inmeting (ten aanzien van het aanbrengen van plafonds) in ieder geval niet in het geding gebracht. De overgelegde bouwtekeningen zijn dus op zichzelf onvoldoende om het bewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is er echter aanvullend bewijs dat Avanti 625 m² aan gipsplafonds heeft aangebracht in de panden van Ringers. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.

2.19.. In de offerte van 29 juni 2022 staat dat het onder Uitvoering A voor het totale werk om 2.700 m² aan gipsplafond ging. Tussen partijen is niet in geschil dat [naam 1] een deel van dat werk al had gedaan toen Avanti de werkzaamheden overnam, en dat Avanti een deel van het werk van [naam 1] opnieuw moest doen. In rechtsoverweging 4.18 van het tussenvonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank overwogen dat Avanti onweersproken heeft aangevoerd dat zij alleen op de begane grond van de panden plafonds heeft aangebracht. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat Avanti de plafonds op de begane grond had gemaakt. Getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij bij de oplevering in september 2023 heeft gezien dat de plafonds erin zaten. De rechtbank gaat er daarom van uit dat Avanti de gipsplafonds op de begane grond van de panden van Ringers heeft gemaakt. Ringers betwist niet dat het totale oppervlak van de plafonds op de begane grond van de verschillende panden in totaal 625 m² is, zoals op de overgelegde bouwtekeningen is vermeld. Dat het inderdaad om 625 m² ging wordt overigens ook bevestigd door een bij dagvaarding overgelegde schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] , die als zelfstandige in opdracht van Avanti aan de gipsplafonds heeft gewerkt.

2.20.. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat Avanti heeft bewezen dat zij 625 m² aan gipsplafonds heeft geplaatst.

2.21.. In de eindafrekening hanteert Avanti een tarief van € 46,50 per m², overeenkomstig de offerte van 29 juni 2022. De rechtbank begrijpt dat in dat tarief is verdisconteerd de kosten voor montage, de levering van platen en de levering van een 60/27 systeem. Uit de door partijen gemaakte afspraken volgt dat van dit tarief moet worden afgetrokken de kosten voor de nog aanwezige materialen die Avanti heeft gebruikt (en die Avanti dus niet hoefde te leveren). Uit de eindafrekening blijkt dat door Avanti voor Uitvoering A geen platen zijn geleverd, zodat € 2,62 per m² in mindering moet worden gebracht op het afgesproken tarief. In de eindafrekening is ten aanzien van “geen montage platen” voor 365 m² € 8,00 per m² in mindering gebracht. Avanti is er echter niet in geslaagd te bewijzen dat voor de overige 260 m² wel sprake is geweest montage van platen. De getuigen hebben daarover niet (specifiek) verklaard en ook anderszins is daarvan geen bewijs geleverd. Dit betekent dat de rechtbank voor de volledige 650 m² € 8,00 per m² aan kosten zal aftrekken van het overeengekomen tarief. Het voorgaande betekent dat de rechtbank in totaal € 10,62 per m² in mindering brengt op het tarief uit de offerte, zodat Ringers een bedrag van € 35,88 per m² verschuldigd is. De rechtbank ziet geen reden voor een verdere aftrek van kosten. Uit de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] blijkt namelijk dat Avanti een 60/27 systeem heeft geleverd, terwijl ook [getuige 5] als getuige heeft verklaard dat hij zich kan voorstellen dat er materiaal voor het plafond is geleverd door Avanti.

2.22.. De rechtbank is van oordeel dat Ringers voor de werkzaamheden aan de plafonds een bedrag van (625 m² x € 35,88 =) € 22.425,- (exclusief btw) aan Avanti verschuldigd is.

Uitvoering C: Metalstud wanden

2.23.. Uitvoering C ziet op werkzaamheden met betrekking tot het plaatsen van metalstud wanden. Op de eindafrekening staat dat Avanti 689 m² aan wanden heeft geplaatst.

2.24.. Partijen zijn het erover eens dat de wanden nog niet af waren toen Avanti het werk van [naam 1] overnam en dat Avanti daaraan gewerkt heeft. Partijen zijn het echter niet eens over de omvang van de werkzaamheden die door Avanti zijn verricht.

2.25.. Avanti verwijst wederom naar de later voor deze procedure ingetekende bouwtekeningen. De rechtbank begrijpt uit de bouwtekeningen het volgende:

In gebouw B is er op de begane grond 486,81 m² aan eenzijdige (wand)beplating aangebracht;

In gebouw C is er op de begane grond 105,45 m² aan eenzijdige beplating aangebracht;

In gebouw D is er op de begane grond 63,60 m² aan eenzijdige beplating geplaatst en is er 33.67 m² aan gehele wanden geplaatst.

In totaal is er volgens de tekeningen 689,53 m² – afgerond 689 m² - aan wanden geplaatst. Dit komt overeen met de oppervlakte die door Avanti is opgenomen in de eindafrekening.

2.26.. Gelijk aan wat de rechtbank hierover in 2.18 heeft overwogen, is de bouwtekening onvoldoende om het bewijs te leveren. Daarvoor is aanvullend bewijs nodig en daarover overweegt de rechtbank het volgende.

2.27.. Uit de getuigenverklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] blijkt dat Avanti wanden in de panden van Ringers heeft geplaatst, maar niet hoeveel. Zij verklaren weliswaar over een inmeting op 8 mei 2023, maar bij gebrek aan overlegging van de meetresultaten kan niet worden vastgesteld tot welke uitkomst dit heeft geleid. Uit de getuigenverklaring van [getuige 1] volgt ook dat Avanti wanden in de panden van Ringers heeft geplaatst. Volgens een inschatting van [getuige 1] gaat het om 22 eenheden van ongeveer 30 à 35 m² per eenheid. Dit komt dan neer op 660 à 770 m², wat aansluit bij de 689 m² die Avanti stelt te hebben geplaatst. Dit komt overeen met hetgeen uit de door Avanti overgelegde bouwtekeningen blijkt. Dat er 689 m² aan wanden is geplaatst wordt verder nog bevestigd door de schriftelijke verklaring van de heer [naam 2] , die als zelfstandige in opdracht van Avanti aan de metalstud wanden heeft gewerkt. Uit de offerte van 29 juni 2022 volgt bovendien dat er in totaal 2.375 m² aan metalstud wanden geplaatst moest worden, zodat de rechtbank het ook aannemelijk vindt dat Avanti nog 689 m² aan metalstud wanden heeft geplaatst.

2.28.. Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat Avanti heeft bewezen dat zij 689 m² aan metalstud wanden heeft geplaatst.

2.29.. In de eindafrekening hanteert Avanti voor deze werkzaamheden het tarief van € 66,00 per m², wat overeenkomt met het tarief dat wordt genoemd in de offerte van 29 juni 2022. Omdat in dit tarief kosten voor materiaal verdisconteerd zijn, heeft Avanti in de eindafrekening in mindering gebracht (voor het aantal uitgevoerde m²) een bedrag van € 11.754,34 voor niet geleverde platen, € 1.481,35 voor niet geleverde isolatie en € 702,78 voor niet geleverde metalstud. De rechtbank zal hier ook rekening mee houden. Daarnaast heeft Avanti bedragen afgetrokken voor 654 m² “geen platen montage” en 626 m² “geen isolatie montage. Avanti heeft niet toegelicht waarom voor deze onderdelen niet de volledige 689 m² in mindering is gebracht. Uit het bewijs blijkt ook niet dat voor de overige vierkante meters wel sprake is geweest van de montage van platen en/of isolatie. Dit betekent dat de rechtbank in aftrek zal brengen voor “geen platen montage” een bedrag van € 4.134,00 (689 m² x € 6,00 per m²) en voor “geen isolatie montage” € 689,00 (689 m² x € 1,00 per m²).

2.30..

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening:

Aanbrengen wanden: € 45.474,00 (689 m² x € 66,00 per m²)

In mindering: € 18.761,47


€ 26.712,53 (exclusief btw).

Dit bedrag is Ringers aan Avanti verschuldigd voor de werkzaamheden aan de metalstud wanden.

Uitvoering E en Uitvoering H

2.31..

Uitvoering E betreft het bekleden van de binnenzijde van de houten buitengevels

en Uitvoering H het stellen van 67 deurkozijnen. Daarover hebben de getuigen niet (specifiek) verklaard. Ook anderszins heeft Avanti geen bewijs bijgebracht dat deze werkzaamheden zijn verricht. De enkele overlegging van de bouwtekening, waarop uitvoering E zou zijn vermeld, is daartoe onvoldoende. De op de eindafrekening vermelde bedragen van € 3.233,00 (exclusief btw) voor uitvoering E en € 3.517,50 (exclusief btw) voor uitvoering H zullen dan ook worden afgewezen.

Geleverde materialen

2.32.. Tot slot maakt Avanti aanspraak op verschillende materialen die zij stelt te hebben geleverd. Avanti heeft toegelicht dat deze materialen zijn gebruikt ten behoeve van de trappenhuizen. Op de eindafrekening staan genoteerd:

2.33.. De getuigen [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] hebben verklaard dat Avanti dit soort materialen heeft geleverd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat de plafonds in de trapopgangen ook waren opgebracht en hij denkt dat het gaat om vijf of zes trappenhuizen. Daarmee heeft Avanti voldoende bewijs geleverd om als vaststaand aan te nemen dat de plafonds in die trappenhuizen zijn aangebracht en dat daarvoor materiaal is geleverd. De hoeveelheid in rekening gebracht materiaal komt de rechtbank gelet op het aantal trappenhuizen waarin werkzaamheden zijn verricht ook aannemelijk voor. De rechtbank zal deze materiaalkosten genoemd op de eindafrekening dan ook toewijzen tot het totaal bedrag van € 4.791,68 (exclusief btw).

Conclusie ten aanzien van het door Ringers aan Avanti verschuldigde bedrag

2.34.. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank beslist dat Ringers voor het afwerken van wanden en plafonds en het aanbrengen van flexcorners een bedrag van € 28.823,00 exclusief btw verschuldigd is aan Avanti. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 34.875,83.

2.35.. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank ook beslist dat Ringers voor diverse werkzaamheden een bedrag van € 1.947,50 exclusief btw verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 2.356,48. De rechtbank heeft in het vonnis ook beslist dat Ringers de twee meerwerkfacturen van € 3.678,40 en € 4.138,20 inclusief btw aan Avanti verschuldigd is.

2.36.. In het voorgaande van dit vonnis heeft de rechtbank beslist dat Ringers voor de werkzaamheden aan de plafonds een bedrag van € 22.425,00 exclusief btw aan Avanti verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 27.134,25.

2.37.. In het voorgaande van dit vonnis heeft de rechtbank ook beslist dat Ringers voor de werkzaamheden aan de metalstud wanden een bedrag van € 26.712,53 exclusief btw verschuldigd is. Inclusief btw gaat het om een bedrag van € 32.322,16.

2.38.. Tot slot heeft de rechtbank in dit vonnis geoordeeld dat Ringers voor enkele andere geleverde materialen een bedrag van € 4.791,68 exclusief btw moet betalen. Inclusief btw is dat € 5.797,93.

2.39.. In totaal gaat het dus om een verschuldigd bedrag van € 110.303,25 (inclusief btw). Ringers heeft echter al een bedrag van in totaal € 68.625,00 aan Avanti betaald. Dit betekent dat Ringers nog een bedrag van € 41.978,25 (inclusief btw) aan Avanti verschuldigd is. Dit bedrag zal als hoofdsom worden toegewezen.

Wettelijke handelsrente

2.40.. De wettelijke handelsrente zal door de rechtbank worden toegewezen, nu – anders dan Ringers heeft aangevoerd – tussen partijen sprake is van een handelsovereenkomst. Op grond van artikel 6:119a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek is Ringers de wettelijke handelsrente verschuldigd vanaf de dag volgend op de overeengekomen datum van uiterste betaling. Eerder in dit vonnis is geoordeeld dat partijen zijn overeengekomen te werken volgens de voorwaarden uit de offerte van 29 juni 2022. Daarin staat dat facturen binnen veertien dagen betaald moeten worden. Ringers voert in de conclusie van antwoord aan dat Avanti de eindafrekening van 15 mei 2023 pas op 12 juni 2023 aan haar heeft toegezonden. Avanti heeft in reactie daarop een e-mail van 16 mei 2023 overgelegd waarin de eindfactuur is gestuurd aan [getuige 5] , die in deze kwestie handelt namens Ringers. Ringers had de hoofdsom daarom uiterlijk binnen 14 dagen na de factuurdatum van 15 mei 2023 moeten betalen, oftewel uiterlijk 29 mei 2023. De wettelijke handelsrente zal dus worden toegewezen vanaf 30 mei 2023.

2.41.. Op 30 mei 2023 was Ringers - die toen al € 36.300,00 had betaald - een bedrag van € 74.303,25 aan Avanti verschuldigd. Op 15 september 2023 heeft Ringers een bedrag van € 32.325,00 betaald. Dit betekent dat Ringers de wettelijke handelsrente moet voldoen over het bedrag van € 74.303,25 vanaf 30 mei 2023 tot 15 september 2023 en over een bedrag van € 41,978,25 vanaf 15 september 2023 tot de dag van volledige betaling.

Buitengerechtelijke incassokosten

2.42.. Avanti vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten tot een bedrag van € 1.625,19. Ringers voert daartegen aan dat niet blijkt dat Avanti buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft verricht. In de dagvaarding stelt Avanti dat zij een ingebrekestelling heeft verstuurd. Dit zijn echter werkzaamheden die zien op de voorbereiding van gedingstukken en de instructie van de zaak, waarvoor de vergoeding wordt geacht te zijn begrepen in de proceskosten. Avanti stelt niet dat en zo ja welke andere buitengerechtelijke incassowerkzaamheden er zijn verricht. Ringers is daarom in beginsel geen vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd. In dit geval is echter sprake van een handelsovereenkomst die na 16 maart 2013 is gesloten, waarbij de contractuele betalingstermijn is verstreken, zodat een bedrag van € 40,00 ingevolge het bepaalde in artikel 6:96 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) toewijsbaar is. De wettelijke rente daarover zal zoals gevorderd worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 19 februari 2024, tot de dag van betaling.

Gevolgen voor de vorderingen in conventie en reconventie

2.43.. De rechtbank zal de vorderingen van Avanti in conventie toewijzen, zoals omschreven onder randnummers 2.39, 2.41 en 2.42.

2.44.. De rechtbank zal de vorderingen van Ringers in (voorwaardelijke) reconventie afwijzen. In het vonnis van 6 november 2024 heeft de rechtbank reeds overwogen dat de eerste reconventionele vordering - die ziet op door Avanti verschuldigd zijn van een schadevergoeding in verband met gestelde gebreken - wordt afgewezen.

2.45.. Ook de tweede reconventionele vordering wordt afgewezen. Deze vordering ziet op een bedrag dat Ringers onverschuldigd aan Avanti zou hebben betaald, zodat Avanti een bedrag van € 40.037,15 aan Ringers zou moeten terugbetalen. De rechtbank heeft in het voorgaande van dit vonnis overwogen dat Ringers in totaal een bedrag van € 110.303,25 aan Avanti verschuldigd is voor de verrichte werkzaamheden, waarvan op dit moment nog een bedrag van € 41.978,25 resteert. Van een onverschuldigde betaling door Ringers aan Avanti is dus geen sprake.

Proceskosten in conventie

2.46.. Ringers is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in conventie betalen. De proceskosten van Avanti worden begroot op:

  • kosten van de dagvaarding

115,22

  • griffierecht

2.889,00

  • kosten getuigen

157,50

  • salaris advocaat

4.856,00

(4 punten × € 1.214,00)

  • nakosten

139,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

8.156,72

2.47.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

Proceskosten in reconventie

2.48.. Ringers is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) in reconventie betalen. De proceskosten van Avanti worden begroot op:

  • salaris advocaat

1.821,00

(1,5 punten × € 1.214,00)

  • nakosten

139,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

1.960,00

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1.. veroordeelt Ringers tot betaling aan Avanti van een bedrag van € 41.978,25 (inclusief btw), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente uit artikel 6:119a BW over het bedrag van € 74.303,25 vanaf 30 mei 2023 tot 15 september 2023 en over een bedrag van € 41.978,25 vanaf 15 september 2023 tot de dag van volledige betaling,

3.2.. veroordeelt Ringers tot betaling aan Avanti van een bedrag van € 40,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, ter vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 19 februari 2024 tot aan de dag van volledige betaling,

3.3.. veroordeelt Ringers in de proceskosten van € 8.156,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ringers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

3.4.. veroordeelt Ringers tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

in (voorwaardelijke) reconventie

3.5.. wijst de vorderingen van Ringers af,

3.6.. veroordeelt Ringers in de proceskosten van € 1.960,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als Ringers niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

in conventie en reconventie

3.7.. verklaart dit vonnis, wat betreft 3.1, 3.2, 3.3, 3.4 en 3.6, uitvoerbaar bij voorraad,

3.8.. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N. Boots, rechter, bijgestaan door de griffier mr. M. Bouwen en in het openbaar uitgesproken op 25 maart 2026.

MB/NB

Mai Multe Decizii