ECLI:NL:RBNHO:2026:7233
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Haarlem
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11210520 \ CV EXPL 24-4951
Uitspraakdatum: 17 juni 2026
Tussenvonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser 1][eiser 2]
[eiser 3]allen wonende te [plaats]
eisers
gemachtigde: mr. R. Bos (ProBe-ASP B.V., handelende onder de naam Aviclaim)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Singapore Airlines Ltd.
gevestigd te Singapore
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. J.J. Croon (Croon Aviation Lawyers)
1. Het verdere procesverloop
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 27 augustus 2025;
de akte uitlating prejudiciële vragen van de vervoerder;
de akte uitlating prejudiciële vragen van eisers.1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.2. Inleiding2.1.. In het tussenvonnis van 27 augustus 2025 heeft de kantonrechter geoordeeld dat er aanleiding bestaat om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof) en dat alle beslissingen in deze procedure worden aangehouden in afwachting van het oordeel van het Hof.
2.2.. In het tussenvonnis zijn partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de formulering van de prejudiciële vragen die de kantonrechter in het tussenvonnis heeft voorgesteld. Eisers en de vervoerder hebben daarop bij akte gereageerd. In dit vonnis zal de kantonrechter de definitieve vragen formuleren en het Hof verzoeken om een prejudiciële beslissing te nemen .3. De feiten3.1.. Eisers hebben een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 11 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport (hierna: de luchthaven), via Singapore, naar Cebu City, Filipijnen, met vluchtcombinatie SQ323 en SQ8556.3.2.. In de periode april 2022 tot eind 2022 had de luchthaven te kampen met een personeelstekort bij de beveiligingsbalies. Hierdoor ontstonden lange wachtrijen op de luchthaven, die tot buiten de terminal reikten.3.3.. De luchthaven heeft daarom vanaf juni 2022 haar capaciteit voor het aantal vertrekkende passagiers beperkt. Van deze capaciteitsbeperking heeft zij via Airport Coordination Netherlands (hierna: ACNL) mededeling gedaan aan de betrokken luchtvaartmaatschappijen.3.4.. ACNL heeft in opdracht van de luchthaven een maximumaantal vertrekkende passagiers per dag per luchtvaartmaatschappij opgelegd. Ook de vervoerder moest als gevolg hiervan op 11 juli 2022 het aantal vertrekkende passagiers beperken.3.5.. Het aantal boekingen voor vlucht SQ323 van Amsterdam naar Singapore van 11 juli 2022 (hierna: de vlucht) overschreed het maximumaantal passagiers dat door ACNL was opgelegd. De vervoerder heeft aan de reductieverplichting van ACNL voldaan door het aantal boekingen voor de vlucht in kwestie te verminderen. De vlucht is niet geannuleerd.3.6.. Op 30 juni 2022 zijn de bevestigde boekingen van eisers voor de vlucht geannuleerd en zijn zij geïnformeerd dat zij niet mee mochten vliegen met de vlucht.3.7.. Eisers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.3.8.. De vervoerder heeft niet uitbetaald.4. Het geschil
4.1.. Eisers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van: - € 1.800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van de vertraagde aankomst van de vlucht tot aan de dag der algehele voldoening; - € 270,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente; - de nakosten.4.2.. Eisers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof. Eisers stellen dat de vervoerder hen vanwege een instapweigering op de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,- per persoon.4.3.. De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de instapweigering was gebaseerd op redelijke gronden.Hij stelt zich op het standpunt dat de verplichting van de luchthaven om het aantal passagiers op de vlucht te beperken, geldt als een redelijke grond voor de instapweigering.5. De beoordeling
5.1.. De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat hij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.5.2.. Zowel de vordering van eisers als het verweer van de vervoerder zijn direct en uitsluitend gebaseerd op de Verordening. Er zijn geen nationale bepalingen op de zaak van toepassing.5.3.. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een instapweigering die recht geeft op compensatie in de zin van de Verordening, moet in dit geval uitsluitend worden beoordeeld of de vervoerder redelijke gronden had om eisers de instap te weigeren.Deze redelijke gronden kunnen onder meer redenen zijn die te maken hebben met gezondheid, veiligheid of beveiliging of ontoereikende reisdocumenten.Het Hof heeft geoordeeld dat het hierbij gaat om een niet-limitatieve lijst.5.4.. Een relevante nationale uitspraak betreft het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Noord-Holland van 27 november 2024.Daarin oordeelde deze dat een door de luchthaven opgelegde doelstelling om het aantal passagiers te verminderen, een grond voor instapweigering betrof die te maken had met de veiligheid op de luchthaven en daarmee een redelijke grond voor een instapweigering was.5.5.. Eisers stellen dat geen sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Zij voeren aan dat het bij redelijke gronden moet gaan om redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen. In dit geval was het niet aan eisers toerekenbaar dat zij niet in mochten stappen. De vervoerder stelt dat wel sprake was van redelijke gronden voor de instapweigering. Hij voert aan dat de door ACNL doorgevoerde capaciteitsbeperking in het belang van de veiligheid op de luchthaven was en hem niet kan worden verweten.5.6.. De kantonrechter ziet zowel aanknopingspunten voor de conclusie dat de uitleg die eisers voorstaan juist is, als voor de conclusie dat de uitleg die de vervoerder voorstaat juist is. Het Hof heeft over de context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening geoordeeld dat de bedoeling van de Uniewetgever was om het aantal passagiers dat tegen hun wil niet aan boord mocht gaan te verminderen, en dat deze daarom elke verwijzing heeft weggelaten naar de reden waarom een luchtvaartmaatschappij een passagier niet aan boord laat gaan.Tegen die achtergrond heeft het Hof de zienswijze dat enkel de gevallen van overboeking onder het begrip instapweigering vallen afgewezen, omdat die tot gevolg heeft dat passagiers die zich in een niet aan hen toerekenbare situatie zoals overboeking om economische redenen bevinden, elke vorm van bescherming verliezen.5.7.. Eveneens heeft het Hof geoordeeld dat een reorganisatie in vluchten vanwege buitengewone omstandigheden niet vergelijkbaar is met die welke uitdrukkelijk in artikel 2, sub j, van verordening nr. 261/2004 zijn vermeld, aangezien deze niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen.In het licht hiervan heeft het Hof, onder verwijzing naar haar vaste rechtspraak dat uitzonderingen op bepalingen die rechten verlenen aan passagiers strikt moeten worden uitgelegd,geoordeeld dat niet kan worden aanvaard dat een luchtvaartmaatschappij zich kan bevrijden van haar verplichting tot compensatie bij instapweigering op de grond dat deze weigering voortvloeit uit de reorganisatie van haar vluchten wegens buitengewone omstandigheden.Dit pleit er naar het oordeel van de kantonrechter voor om het begrip ‘redelijke gronden’ strikt uit te leggen, in die zin dat daarvan alleen sprake is in het geval van redenen die toerekenbaar zijn aan de passagier die niet mocht instappen.5.8.. De hiervoor weergegeven context en doelstellingen van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening laten echter de mogelijkheid open van een uitleg waarbij een reden die niet toerekenbaar is aan de passagier die niet mocht instappen, maar ook niet verwijtbaar is aan de vervoerder, geldt als een redelijke grond als bedoeld in artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening. Een instapweigering die voortvloeit uit een aan de vervoerder door de leiding van een luchthaven opgelegde verplichting om het aantal passagiers in verband met de veiligheid te beperken, is naar het oordeel van de kantonrechter niet verwijtbaar aan de vervoerder. Van een instapweigering in de zin van voormelde bepaling zou in gevallen als deze alleen sprake zijn indien geoordeeld moet worden dat de instapweigering niettemin aan de vervoerder moet worden toegerekend.5.9.. Gelet op het bovenstaande rijst de vraag hoe de begrippen ‘instapweigering’ en ‘redelijke gronden’ in de zin van artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening moeten worden uitgelegd, meer specifiek of daarvan sprake kan zijn als een luchtvaartmaatschappij een passagier de instap weigert op een vlucht omdat de luchthaven hem in verband met de veiligheid op de luchthaven heeft verplicht om het aantal passagiers op die dag te verminderen.5.10.. Zoals hierboven is toegelicht volgt het antwoord niet uit de bestaande rechtspraak van het Hof en is de juiste uitleg van de Verordening niet evident. De kantonrechter ziet hierin aanleiding om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de uitleg van de artikelen 2 en 4 van de Verordening.
5.11.. In afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen door het Hof wordt iedere verdere beslissing aangehouden.
6. De beslissing De kantonrechter:6.1.. verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie om bij wege van een prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen:
1. Verzet artikel 2 aanhef en onder j, gelezen in samenhang met artikel 4 van de Verordening zich tegen een uitleg waarbij van ‘instapweigering’ die recht geeft op compensatie sprake is in alle gevallen waarin de redenen van instapweigering niet toerekenbaar zijn aan de passagiers die tegen hun wil de toegang tot een vlucht is geweigerd?
Indien het antwoord op vraag 1 bevestigend luidt:
2. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden verwijtbaar zijn aan de luchtvaartmaatschappij?
Indien het antwoord op vraag 2 bevestigend luidt:
3. Verzet artikel 2 aanhef en onder j van de Verordening zich in die gevallen tegen een uitleg waarbij voor het ontbreken van ‘redelijke gronden’ van ‘instapweigering’ in ieder geval is vereist dat die gronden aan de luchtvaartmaatschappij moeten kunnen worden toegerekend?6.2.. houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.W. Koenis, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter
Artikel 2 aanhef en onder j, artikel 4 lid 3 en artikel 7 lid 1 aanhef en onder c van de Verordening.
Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.
HvJEU 26 oktober 2023, C-238/22, ECLI:EU:C:2023:815, punt 39.
Artikel 2, aanhef en onder j van de Verordening.
HvJEU 4 oktober 2012, C-22/11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 30.
Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628.
Rb. Noord-Holland 27 november 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:12628, ro. 4.10.
HvJEU 4 oktober 2012, C-22/11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 20 en 21.
HvJEU 4 oktober 2012, C-22/11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 24.
HvJEU 4 oktober 2012, C-22/11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 33.
HvJEU 22 december 2008, C-549/07, ECLI:EU:C:2008:771, punt 17.
HvJEU 4 oktober 2012, C-22/11, ECLI:EU:C:2012:604, punt 38.