Skip to main content

ECLI:NL:RBNHO:2026:7578

Instanță

Haarlem

Data

17 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Verbintenissenrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Haarlem

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; VerbintenissenrechtType: uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Haarlem

Zaaknummer: 11961316 \ CV EXPL 25-7568

Vonnis van 17 juni 2026

in de zaak van

1. [eiser 1], 2. [eiser 2],

beiden wonende te [plaats 1],

eisende partijen,

hierna samen te noemen: [eisers],

gemachtigde: mr. L.C. Pitters,

tegen

1. [gedaagde 1] H.O.D.N. [bedrijf 1],

wonende en zaakdoende te [plaats 2],

procederend in persoon,

2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3],

beiden wonende te [plaats 1],

gemachtigde: mr. E. Aslan,

gedaagde partijen,

hierna te noemen: [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2].

De zaak in het kort

[eisers] en [gedaagde 2] zijn buren. In 2019 is bij verbouwingswerkzaamheden aan de woning van [gedaagde 2] een schoorsteen verwijderd. Dit is gedaan door [gedaagde 1], die door [gedaagde 2] was ingeschakeld als aannemer. Volgens [eisers] is door het verwijderen van de schoorsteen een ventilatiekanaal van zijn woning afgesloten, waardoor hij ventilatieproblemen ervaart en schade lijdt. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] zijn volgens [eisers] aansprakelijk voor deze schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Zij betogen allebei dat er door het verwijderen van de schoorsteen geen schade kan zijn toegebracht aan een ventilatiekanaal van de woning van [eisers].

De kantonrechter concludeert dat het oorzakelijk verband tussen de gestelde schade en het gestelde schadeveroorzakende feit niet is komen vast te staan en wijst de vordering daarom af.

1. De procedure

1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit: - de dagvaarding van 4 november 2025 met producties 1-34 - het mondeling antwoord van [gedaagde 1] van 12 november 2025 - de conclusie van antwoord van [gedaagde 2] van 7 januari 2026 met producties 1-8 - de akte houdende eisvermeerdering tevens akte houdende overleggen aanvullende productie met productie 35, door de griffie ontvangen op 11 mei 2026

  • het tussenvonnis van 11 februari 2026

  • de mondelinge behandeling van 26 mei 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt - de pleitaantekeningen die namens [eisers] en [gedaagde 2] zijn voorgedragen.

1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1..
[eisers] is sinds 2014 eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats 1]. [gedaagde 2] is sinds 2019 eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats 1]. Deze partijen zijn buren van elkaar.

2.2..
[gedaagde 1] heeft in 2019 in opdracht van [gedaagde 2] de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] verwijderd.

2.3..

In opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 2] op 27 november 2023 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. [betrokkene 1] van [bedrijf 2] heeft in zijn rapport van 30 november 2023 dat aan de hand van dat onderzoek is opgesteld, geconcludeerd dat nader onderzoek geboden was. Verder staat in het rapport van [bedrijf 2] (p. 8-9):

“(…) het is mogelijk (ook nog niet uit te sluiten) dat de verminderde werking van de ventilatie opening in de kelder het gevolg is van de werkzaamheden aan de schoorsteen van de buren.

Ondergetekende heeft het mogelijk verband hiertussen nog niet kunnen vaststellen. Hiervoor dient het dak van de woning veilig te worden betreden.

Op basis van de bouwkundige tekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand. Ondergetekende houdt het nog voor mogelijk dat bij het verwijderen van de schoorsteen op nummer [adres 2] vuil in het kanaal terecht is gekomen. Dit is echter niet vastgesteld door ondergetekende. Uiteraard is ook op andere wijze verstopping of gedeeltelijke afdichting van het kanaal mogelijk, bijvoorbeeld gedierte(…)”.2.4.. Op 19 maart 2024 is een vervolgonderzoek gepland. In het e-mailbericht van [betrokkene 2] van [bedrijf 2] van 15 april 2024 staat: “(…) Op dinsdag 19 maart 2024 heeft er een aanvullend onderzoek plaatsgevonden naar de vochtproblematiek in de woning van familie [eisers] te [plaats 1]. Hierbij het dak aan de achterzijde, voor zover dat mogelijk was, geïnspecteerd met een lange ladder. Daarbij is de woning binnen geïnspecteerd. Ter plaatse van de badkamer op de 2e verdieping, de overloop op de 1e verdieping en de trapkast, allen ter plaatse van de woningscheidende muur, zijn geen vocht gerelateerde problemen waargenomen.Op basis van de gedane waarnemingen kan er worden geconcludeerd dat er geen vocht gerelateerde problemen aanwezig zijn in de woning. Ik zie derhalve niet de noodzaak om een aanvullend onderzoek uit te voeren, waarbij een maatregel, zoals het plaatsen van een steiger, dient te worden getroffen om het dak nader te inspecteren.(…)”.

2.5.. In opdracht van [eisers] heeft [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4]) op 29 augustus 2024 onderzoek uitgevoerd in zijn woning. In het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024, pagina 3, staat: “(…)Vraag 1. Werkt de onluchting/ventilatie in de eensteensmuur in de kelder naar behoren?Antwoord:(…) Uit ons onderzoek naar het bouwdossier van de woning hebben wij vastgesteld dat de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast van partij 1[[eisers], kantonrechter].(…)Als bewijs dienen de volgende bouwtekeningen, zie ook debijlagen 1 tot en met 3:(…)”.

{afbeelding 1}

Ter onderbouwing van het antwoord op vraag 1 zijn in het rapport van [bedrijf 4] de volgende afbeeldingen opgenomen:

Verder staat in het rapport van [bedrijf 4], meer specifiek op pagina 5 in antwoord op vraag 3: “Op basis van de door ons gewonnen informatie uit het bouwdossier en de in de woning van partij 1 geconstateerde routes van de ventilatiekanalen, achten wij een causaal verband aangetoond tussen de ontstane gebrekkige ventilatie en het handelen van partij 2 en/of haar aannemer.”

2.6..
[eisers] heeft [gedaagde 2] (onder meer) op 1 april 2025 per brief aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 2] is gesommeerd deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 2] niet overgegaan.

2.7..
[eisers] heeft [gedaagde 1] op 21 juli 2025 aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade, waarbij [gedaagde 1] is gesommeerd om deze schade aan [eisers] te vergoeden. Hiertoe is [gedaagde 1] niet overgegaan.

Tekst3. Het geschil

3.1..
[eisers] vordert – na vermeerdering van eis - veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 8.083,99, alsook veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 100,00 per maand vanaf oktober 2025, vermeerderd met rente en kosten.

3.2..
[eisers] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [eisers] vordert schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Hij stelt daartoe dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] schade hebben (laten) veroorzaken aan de woning van [eisers]. Door het op onrechtmatige wijze (laten) verwijderen van de schoorsteen van de woning van [gedaagde 2] is het ventilatiekanaal in de woning van [eisers] gedicht en lijdt hij schade. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] danwel [gedaagde 1] moet(en) deze schade aan [eisers] vergoeden. De schade bestaat uit de herstelkosten en immateriële schade bestaande uit gederfd woongenot.

3.3..
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer. Op hun verweren gaat de kantonrechter – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil in.

4. De beoordeling

4.1.. Voor toewijzing van de vordering is vereist dat de gedragingen en/of het nalaten van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt, waarna zij (dan wel een van hen) de schade die [eisers] door die gedraging lijdt en heeft geleden moet(en) vergoeden. Daarbij moet een oorzakelijk verband bestaan tussen de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] en de schade die [eisers] lijdt. Omdat [eisers] zich op de stelling beroept dat sprake is van een onrechtmatige daad waardoor hij schade lijdt en heeft geleden, draagt hij daarvan de stelplicht en bewijslast.

Het oorzakelijk verband ontbreekt4.2..
[eisers] stelt dat [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] onrechtmatig hebben gehandeld door de schoorsteen die (grotendeels) op de woning van [gedaagde 2] stond, te (laten) verwijderen. In de schoorsteen mondden volgens [eisers] twee gescheiden kanalen uit; het rookkanaal van de woning van [gedaagde 2] en het ventilatiekanaal van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen is een ventilatiekanaal van de woning van [eisers] afgedicht. Het ventilatiekanaal diende ter ventilering van de keuken, de w.c., de douche en de kelderkast van de woning van [eisers]. Door het verwijderen van de schoorsteen en het in verband daarmee afdichten van het ventilatiekanaal lijdt [eisers] schade in de vorm van onder meer schimmelvorming in zijn woning. Ter onderbouwing heeft [eisers] onder meer de rapporten van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] overgelegd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het voorgaande gemotiveerd betwist. Volgens [gedaagde 1] en [gedaagde 2] had de schoorsteen geen functie voor enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] en kwam er geen ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uit in de schoorsteen.

4.3.. De kantonrechter is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat door het verwijderen van de schoorsteen enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] is afgedicht. Niet is namelijk komen vast te staan dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Er kan daarom ook geen oorzakelijk verband bestaan tussen verwijdering van de schoorsteen en de (gestelde) problemen met de ventilatie in de woning van [eisers]. De vragen of sprake is van een onrechtmatige gedraging of nalaten, schade en, zo ja, in hoeverre schade aan [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] kan worden toegerekend, behoeven daarom geen beantwoording. De vordering is niet toewijsbaar. De kantonrechter overweegt hiertoe als volgt.

4.4.. Ter onderbouwing van zijn stellingen heeft [eisers] gewezen op het rapport van [bedrijf 4]. Hierin is geconcludeerd dat “de gesloopte schoorsteen diende als ventilatiekanaal voor de keuken, w.c., douche en kelderkast” van de woning van [eisers]. Ter onderbouwing daarvan zijn een aantal afbeeldingen onder die conclusie in het rapport opgenomen, waaruit volgens de deskundige zou blijken dat het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] uitkomt in de schoorsteen. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat de afbeeldingen zoals opgenomen in het rapport van [bedrijf 4] een dergelijke verbinding tussen het ventilatiekanaal en de schoorsteen niet laten zien. [eisers] heeft in reactie daarop toegelicht dat de afbeeldingen in samenhang moeten worden gezien.4.5..

Hoewel afbeelding 1 een ingezoomde afbeelding afkomstig uit afbeelding 2 lijkt, is deze door [eisers] gestelde samenhang zonder nadere toelichting en onderbouwing niet begrijpelijk. Weliswaar zijn op afbeelding 1 mogelijk twee kanalen te zien, maar hiermee staat niet vast dat een van deze twee kanalen een ventilatiekanaal is. In dit verband is van belang dat [gedaagde 2] gemotiveerd en met stukken onderbouwd heeft toegelicht dat op de schoorsteen alleen de rookkanalen voor de haard op de begane grond en de kachel op de eerste verdieping van de woning van [gedaagde 2] waren aangesloten en dat dit een gesloten systeem was. De twee kokers die te zien zijn op afbeelding 1 zijn volgens [gedaagde 2] waarschijnlijk de rookkanalen voor de haard en de kachel van de woning van [gedaagde 2]. Technisch is het volgens [gedaagde 2] bovendien niet mogelijk het ventilatiekanaal van de woning van [eisers] langs het rookkanaal dat was aangesloten op de schoorsteen te laten lopen. Volgens de destijds en nu geldende normen moet er namelijk een veilige afstand (van anderhalve meter) zitten tussen een ventilatiekanaal en een rookkanaal. Het ventilatiekanaal voor de woning van [eisers] komt volgens [gedaagde 2] uit in het dak van de woning van [eisers].

Ook volgens [gedaagde 1] is het technisch niet mogelijk de ventilatie voor de woning van [eisers] via het rookkanaal en de schoorsteen te laten lopen. Dit zou gevaar voor koolomonoxidevergiftiging opleveren.

4.6.. Een en ander strookt met hetgeen het [bedrijf 2] heeft gerapporteerd over de opening in de kelder/trapkast: “De oorspronkelijke functie van de opening is een natuurlijke ventilatie van de kelderruimte. De opening komt uit in een in de woning scheidende wand gemetseld ventilatiekanaal (met ruwe wanden) dat zeer waarschijnlijk uitmond onder de dakpannen van de woning (…)”.

4.7.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [gedaagde 2] aan de hand van een afbeelding waarop beide woningen te zien zijn bovendien nog toegelicht dat boven de badkamer van de woning van [eisers] een ontluchting is geplaatst. [gedaagde 2] concludeert dat die uitgang boven de badkamer dient ter ventilatie. [eisers] heeft tijdens de mondelinge behandeling bevestigd dat dakdekker [bedrijf 3] in 2023 de badkamerventilatie boven op het dak heeft vervangen. Dit was echter geen ventilatie, volgens [eisers] zagen de werkzaamheden op de vervanging van een ontluchtingspijp. Hoewel [eisers] een andere benaming aanhoudt, acht de kantonrechter aannemelijk dat die pijp dient als ventilatie voor de badkamer. De redenering van [eisers] dat de “ontluchtingspijp” niet dient ter ventilatie van de badkamer wordt bij deze stand van zaken daarom verworpen. Dit betekent dat de kantonrechter aanneemt dat het ventilatiekanaal van de badkamer niet uitkwam in de schoorsteen.

4.8.. In het licht van de gemotiveerde betwistingen en het rapport van [bedrijf 2] had het op de weg van [eisers] gelegen nader te onderbouwen dat in de schoorsteen wel een ventilatiekanaal voor zijn woning uitkam, en dat heeft hij niet gedaan. De kantonrechter gaat daarom voorbij aan dit betoog van [eisers].

4.9.. Ook afbeelding 3 van het rapport van [bedrijf 4] ondersteunt de stellingen van [eisers] niet. In die afbeelding staat “ventilatiekanalen voor keuken, w.c., douche en kelderkast opnemen in speciale B2 blokken”. Daaruit kan evenwel niet worden geconcludeerd dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] samenkwam met de rookkanalen in de schoorsteen. Op de vraag van de kantonrechter tijdens de mondelinge behandeling of deze passage mogelijk kan zien op de functie van een apart ventilatiekanaal heeft [eisers] geantwoord dat dit deel van de tekst behoort bij de bouw van de schoorsteen. Dit betoog is door [eisers] echter niet toegelicht of onderbouwd en blijkt ook niet uit de bijlagen bij het rapport van [bedrijf 4], zodat de kantonrechter aan dit betoog voorbij gaat.

4.10.. De kantonrechter heeft [eisers] tijdens de mondelinge behandeling voorgehouden dat zij een deskundigenrapport en de onderbouwing daarvan moet kunnen begrijpen alvorens zij deze kan overnemen. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat de kantonrechter voorbij gaat aan de conclusies in het rapport van [bedrijf 4], zoals opgenomen in antwoord op vraag 1 en vraag 3 van het rapport. [eisers] heeft in dit verband nog gesteld dat het rapport voor de deskundige logisch is opgesteld, omdat hij dit soort werkzaamheden dagelijks uitvoert. Dit standpunt kan hem, gelet op het voorgaande, niet baten. De kantonrechter concludeert dat uit het rapport van [bedrijf 4] niet de conclusie kan worden getrokken dat enig ventilatiekanaal van de woning van [eisers] uitkwam in de schoorsteen. Door het verwijderen van de schoorsteen kan dus ook geen ventilatiekanaal zijn afgedicht, zodat geen oorzakelijk verband bestaat tussen het verwijderen van de schoorsteen en de (gestelde) gebrekkige ventilatie in de woning van [eisers].

4.11.. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [eisers] voorgehouden dat in het rapport van [bedrijf 2] staat: “(…) Op basis van de bouwtekeningen is het sterke vermoeden dat de ventilatiekanalen niet in de schoorsteen van de buren zijn uitgekomen maar dat deze afzonderlijk uitmonden onder de dakpannen ter hoogte van de woningscheidende wand.(…)”. Ook heeft de kantonrechter de inhoud van het e-mailbericht van de inspecteur van [bedrijf 2] van 15 april 2024 aan [eisers] voorgehouden. [eisers] heeft toegelicht dat het rapport van Bureau van Bouwpathologie niet zo uitvoerig is uitgevoerd als [bedrijf 4], zodat de inhoud van het rapport van [bedrijf 4] bij de beoordeling van dit geschil als uitgangspunt moet worden genomen. Aan dit betoog gaat de kantonrechter voorbij gelet op hetgeen zij in rechtsoverwegingen 4.4. tot en met 4.10. over het rapport van [bedrijf 4] heeft overwogen.

[eisers] wordt veroordeeld in de kosten4.12..
[eisers] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.

De proceskosten van [gedaagde 1] worden begroot op:

  • verletkosten

100,00

Totaal

100,00

De proceskosten van [gedaagde 2] worden begroot op:

  • salaris gemachtigde

720,00

(2 punten × € 360,00)

  • nakosten

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

864,00

5. De beslissing

De kantonrechter

5.1.. wijst de vorderingen van [eisers] af,

5.2.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 1] van € 100,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend

5.3.. veroordeelt [eisers] in de proceskosten van [gedaagde 2] c.s. € 864,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisers] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

5.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.

Pagina 3 van het rapport van [bedrijf 4] van 16 oktober 2024.

Op grond artikel 6:162 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 150 van het Wetboek voor Burgerlijke Rechtsvordering.

Mai Multe Decizii