Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2237

Instanță

Groningen

Data

23 April 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Belastingrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BelastingrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 24/1866

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 april 2026 in de zaak tussen
de erven van [erflater] , uit [woonplaats] , eisers,

(gemachtigde: [naam 1] )

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Veendam, de heffingsambtenaar

(gemachtigde: [naam 2] ).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen de uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar van 16 februari 2024.

1.1.. De heffingsambtenaar heeft de waarde van de onroerende zaak [adres] (de onroerende zaak) op 1 januari 2022 (de waardepeildatum) voor het belastingjaar 2023 vastgesteld op € 14.000 (de WOZ-beschikking). Met deze waardevaststelling is aan [erflater] , die op 29 december 2025 is overleden (erflater), ook de aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Veendam voor het jaar 2023 opgelegd (de aanslag OZB).

1.2.. Erflater heeft op 11 maart 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen de vastgestelde WOZ-waarde.

1.3.. Bij brief van 21 december 2023 heeft de heffingsambtenaar de beslistermijn voor het doen van een uitspraak op het bezwaarschrift verdaagd met zes weken tot 12 februari 2024.

1.4.. Erflater heeft op 30 december 2023 een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het onder 1.2. vermelde bezwaarschrift.

1.5.. Eisers hebben ter zitting toegelicht dat erflater op 12 februari 2024 een tweede ingebrekestelling heeft gestuurd naar de heffingsambtenaar.

1.6.. De heffingsambtenaar heeft het bezwaar van erflater bij brief van 16 februari 2024 ongegrond verklaard. De heffingsambtenaar heeft daarbij de waarde van de onroerende zaak gehandhaafd.

1.7.. De heffingsambtenaar heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

1.8.. Eisers hebben na het overlijden van erflater de procedure voortgezet.

1.9.. De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eisers, bijgestaan door zijn zoon, en de gemachtigde van de heffingsambtenaar, bijgestaan door [naam 3] (taxateur).

Feiten

2. Eisers zijn eigenaar van de onroerende zaak. Het betreft een kerkgebouw met een perceel grond.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de juistheid van de WOZ-beschikking en de aanslag OZB. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eisers.

4. De rechtbank is van oordeel dat de heffingsambtenaar de WOZ-beschikking en de aanslag OZB op een te hoog bedrag heeft vastgesteld. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Standpunten van partijen over de waarde

5. Eisers zijn van mening dat de heffingsambtenaar de waarde van de onroerende zaak te hoog heeft vastgesteld. Daartoe voeren zij aan dat de heffingsambtenaar ten onrechte de kerkenvrijstelling van artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (de URUOW) niet heeft toegepast op de volledige waarde van de onroerende zaak. Erflater heeft de onroerende zaak aangekocht met de intentie om het als kerk te behouden en de [naam 4] gemeente Wildervank/Veendamhoudt hier minimaal twee keer per jaar een kerkdienst.

6. De heffingsambtenaar stelt zich op het standpunt dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Volgens de heffingsambtenaar is de kerkenvrijstelling destijds bij de waardevaststelling ten onrechte toegepast op de opstal (het kerkgebouw). De heffingsambtenaar betwist dat de onroerende zaak wordt gebruikt voor het houden van kerkdiensten en bovendien acht hij twee à drie kerkdiensten per jaar, terwijl de onroerende zaak ook wordt gebruikt als trouwlocatie, onvoldoende om voor de kerkenvrijstelling in aanmerking te komen. Volgens de heffingsambtenaar heeft de vastgestelde waarde van € 14.000 uitsluitend betrekking op het perceel grond bij het kerkgebouw, en is deze waarde – gelet op het eigen aankoopcijfer van erflater van € 12.500 in 2019 en de ten onrechte toegepaste kerkenvrijstelling op het kerkgebouw – niet te hoog.

Juridisch kader

7. Artikel 17, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken (de Wet WOZ) luidt:

“De waarde wordt bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.”

8. Artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ luidt:

“Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld ingevolge welke bij de waardebepaling buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van onroerende zaken of onderdelen daarvan, indien die waarde geen onderdeel uitmaakt van de grondslag van de belastingen.”

9. Aan artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ is onder meer uitvoering gegeven in artikel 2, eerste lid, onderdeel g, van de URUOW. Laatstgenoemde bepaling (de kerkenvrijstelling) is inhoudelijk gelijk aan artikel 220d, eerste lid, onderdeel c, van de Gemeentewet en luidt, voor zover hier van belang:

“1. Bij de bepaling van de waarde wordt buiten aanmerking gelaten de waarde van:

(…)

b. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

(…)”

10. De kerkenvrijstelling is eveneens opgenomen in artikel 4, aanhef en onderdeel c, van de Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen 2023 van de gemeente Veendam.

Wetstoepassing

11. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat de onroerende zaak naar aard en inrichting bestemd is voor de openbare eredienst en dat de naastgelegen garagebox ten onrechte is meegenomen in de waardevaststelling. Wat partijen verdeeld houdt, is of de onroerende zaak in 2023 in hoofdzaak wordt gebruikt voor de openbare eredienst. Indien dit het geval is, is niet in geschil dat de kerkenvrijstelling toegepast moet worden op het samenstel van het kerkgebouw en het perceel grond.

12. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 4 december 1991geoordeeld dat een onroerende zaak in hoofdzaak voor de openbare dienst is bestemd indien het voor ten minste 70% daarvoor wordt gebruikt (het 70%-criterium).

13. Gelet op de uitgebreide toelichting van eisers ter zitting over het gebruik van de onroerende zaak door de [naam 4] gemeente Oost-Groningen, de voorbereiding van de kerkdiensten en de kosten die zij hiervoor maken, twijfelt de rechtbank niet aan de verklaring van eisers dat er in 2023 drie kerkdiensten hebben plaatsgevonden in de onroerende zaak. Deze verklaring vindt bovendien steun in de vermelding van de onroerende zaak op de adressenlijst en het overzicht van de kerkdiensten op de websitevan de [naam 4] gemeente Oost-Groningen.

14. De stelling van de heffingsambtenaar dat twee à drie kerkdiensten per jaar te weinig is om te voldoen aan het 70%-criterium, vindt geen steun in wet- en regelgeving. Het gebruik voor de openbare eredienst dient namelijk bekeken te worden in verhouding tot het gebruik voor andere doeleinden.Nu eisers ter zitting onweersproken hebben gesteld dat de onroerende zaak in 2023 niet voor trouwerijen of andere activiteiten is gebruikt, maar uitsluitend voor de openbare eredienst, is de rechtbank van oordeel dat aan het 70%-criterium wordt voldaan. Dat de kerkdiensten zijn aan te merken als openbare erediensten staat niet ter discussie.

Gevolgen voor de WOZ-beschikking en aanslag OZB

15. Gelet op hetgeen in 11. tot en met 14. is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de onroerende zaak in 2023 in hoofdzaak wordt gebruikt voor de openbare eredienst. Dat betekent dat de kerkenvrijstelling van toepassing is. Het gevolg daarvan is dat de waarde van de onroerende zaak buiten aanmerking gelaten dient te worden bij de WOZ-waardering en geen onderdeel vormt voor de heffingsmaatstaf van de OZB. Omdat de kerkenvrijstelling van toepassing is, behoeft hetgeen de heffingsambtenaar naar voren heeft gebracht over de eigen aankoopsom en het ten onrechte toepassen van het woningtarief op de aanslag OZB geen nadere behandeling.

Dwangsom

16. Eisers hebben verzocht om vaststelling van een dwangsom in verband met de overschrijding van de beslistermijn door de heffingsambtenaar op het onder 1.2. vermelde bezwaarschrift. De rechtbank is van oordeel dat eisers geen recht hebben op de hiervoor vermelde dwangsom. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

17. Ingevolge artikel 30, negende lid, van de Wet WOZ en artikel 236, tweede lid, van de Gemeentewet beslist de heffingsambtenaar in afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) op een bezwaarschrift in het kalenderjaar waarin het bezwaarschrift is ontvangen. De heffingsambtenaar had dus tot en met 31 december 2023 de tijd om een uitspraak op bezwaar te doen. Omdat op 30 december 2023 de beslistermijn nog niet was verstreken, kan het onder 1.4. vermelde bezwaarschrift – nog los van de inhoud daarvan – niet als een ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Awb worden aangemerkt.

18. De rechtbank overweegt verder dat de heffingsambtenaar bij brief van 21 december 2023, die onbetwist door erflater is ontvangen, de beslistermijn op grond van art. 7:10, derde lid, van de Awb heeft verlengd met zes weken. Dit betekent dat de heffingsambtenaar tot 12 februari 2024 de tijd had om te beslissen op het bezwaar van eisers. Anders dan eisers menen, heeft de heffingsambtenaar daarmee niet onterecht cumulatief gebruikgemaakt van twee wetten.Nu de beslistermijn terecht is verlengd tot 12 februari 2024 en de uitspraak op bezwaar – na de rechtsgeldige ingebrekestelling van 12 februari 2024 (1.5.) – is verzonden op 16 februari 2024, is de rechtbank van oordeel dat de in artikel 4:17, derde lid, van de Awb bedoelde termijn van twee weken nog niet was verstreken, zodat eisers geen recht hebben op een dwangsom.

Conclusie en gevolgen

19. Het beroep is gegrond. De vastgestelde waarde van de onroerende zaak wordt verlaagd tot nihil en de aanslag OZB wordt dienovereenkomstig verminderd. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan eisers vergoeden en krijgen eisers ook een vergoeding van de proceskosten. De vergoeding van de proceskosten bedraagt € 15,54 (gebaseerd op openbaar vervoer 2e klasse retour).

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;

  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;

  • vermindert de bij beschikking voor het belastingjaar 2023 vastgestelde waarde van de onroerende zaak tot een bedrag van € 0;

  • vermindert de voor de onroerende zaak opgelegde aanslag onroerendezaakbelastingen voor het belastingjaar 2023 tot een aanslag berekend naar een waarde van € 0;

  • bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de bestreden uitspraak op bezwaar;

  • bepaalt dat de heffingsambtenaar het griffierecht van € 51 aan eisers moet vergoeden;

  • veroordeelt de heffingsambtenaar tot betaling van € 15,54 aan proceskosten aan eisers.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van mr.E.M. Antonescu, griffier.

griffier

rechter

Uitgesproken op 23 april 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegenwoordig de [naam 4] gemeente Oost-Groningen.

ECLI:NL:HR:1991:ZC4804.

[website] .

Hoge Raad 4 december 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC4804.

Zie Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State 9 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP3711.

Zie Hoge Raad 5 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:494 r.o. 2.3.3.

Mai Multe Decizii