Skip to main content

ECLI:NL:RBNNE:2026:2595

Instanță

Groningen

Data

3 July 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht; Materieel strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Groningen

Procedure: UitspraakDomain: Strafrecht; Materieel strafrechtType: uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18.169979.23

beslissing van de meervoudige strafkamer d.d. 03 juli 2026 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde]

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 2001 te [geboorteplaats] , wonende te [land] , ingeschreven te [adres] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 27 mei 2026 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van 23.628,42 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18.169979.23 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 19 juni 2026. Bij de behandeling zijn de veroordeelde en haar raadsvrouw mr. E. Dussel, advocaat te Groningen, gehoord. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaring van verdachte over de alternatieve herkomst van sommige bedragen niet concreet en verifieerbaar is. Daarom kunnen de door verdachte genoemde bedragen niet in mindering worden gebracht op het te ontnemen bedrag.

Standpunt van de raadsvrouw en de veroordeelde

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden afgewezen, omdat onvoldoende duidelijk is dat veroordeelde voordeel heeft genoten. Het enkele feit dat een deel van de opbrengsten uit de cocaïnehandel van de medeverdachte op de rekening van veroordeelde is gestort, rechtvaardigt niet de conclusie dat het voordeel door haar is genoten.

Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het bedrag moet worden gematigd. Allereerst heeft de raadsvrouw gesteld dat verdachte vanaf augustus 2020 ging samenwonen met de medeverdachte en dat vanaf dat moment illegale inkomsten op haar rekening zijn gestort. De bedragen van voor die periode moeten in mindering worden gebracht. De raadsvrouw heeft ook bepleit dat de bedragen die van de spaarrekening van verdachte afkomstig zijn moeten worden afgetrokken van het bedrag. Dat geldt ook voor de bedragen die zien op uitjes met vriendinnen. Verder heeft de raadsvrouw gesteld dat het voordeel moet worden verdeeld tussen verdachte en de medeverdachte.

Ten slotte heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte al financiële consequenties heeft ondervonden, omdat haar goederen in beslag zijn genomen. Zij heeft erop gewezen dat geen dubbeltelling mag plaatsvinden.

Beoordeling

Grondslag voor ontneming

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 19 juni 2026 in de zaak met parketnummer 18.169979.23 veroordeeld ter zake medeplegen van gewoontewitwassen. Uit het onderzoek leidt de rechtbank af dat veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van dit door haar gepleegde strafbare feit.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van financiële bevindingen d.d. 12 oktober 2023, opgenomen op pagina 495 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2022343706 d.d. 12 januari 2024, inhoudend het relaas van verbalisant;

het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel d.d. 9 november 2023, opgenomen op pagina 492 e.v. van voornoemd dossier.

De rechtbank verwerpt het verweer dat veroordeelde geen voordeel zou hebben genoten. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat veroordeelde mede heeft geprofiteerd van de drugsopbrengsten van de

medeveroordeelde. Zij voerden een gezamenlijke huishouding en hebben door de illegale inkomsten comfortabel geleefd. Veroordeelde heeft dus ook voordeel genoten.

De rechtbank verwerpt ook het verweer dat het voordeel zou moeten worden verdeeld tussen veroordeelde en de medeveroordeelde. Veroordeelde en de medeveroordeelde voerden weliswaar een gezamenlijke huishouding, maar de rechtbank vindt het redelijk dat het geld dat op de rekening van veroordeelde is binnengekomen als haar voordeel kan worden aangemerkt en het geld dat op de rekening van de medeveroordeelde is binnengekomen als zijn voordeel. De rechtbank weegt mee dat door veroordeelde niet gemotiveerd is aangegeven welk bedrag voor rekening van de medeveroordeelde zou moeten komen.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer dat veroordeelde reeds in haar vermogen is getroffen door het beslag, als volgt. Er rust conservatoir beslag op de goederen. Dat beslag dient ter verhaal van de ontnemingsmaatregel. Bij de executie van de maatregel zal de waarde van het beslag worden afgetrokken van het ontnemingsbedrag. De stelling van de raadsvrouw dat er een dubbeltelling plaats zou vinden door het beslag, mist feitelijke grondslag.

De rechtbank neemt het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en het proces-verbaal van financiële bevindingen als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormeld strafbare feit wordt geschat. Uit die stukken volgt dat verdachte 23.628,42 voordeel heeft genoten.

Veroordeelde is veroordeeld voor gewoontewitwassen in de periode van 23 juli 2020 tot en met 17 juli 2023. De bedragen die voor 23 juli 2020 op haar rekening zijn gestort, zoals opgenomen in het overzicht van ontvangen overboekingen op pagina 590 e.v. van het dossier, zal de rechtbank daarom in mindering brengen op het ontnemingsbedrag. Het betreft een bedrag van 1.385,32.

Voor het overige heeft de raadsvrouw ten aanzien van een aantal door haar genoemde overboekingen bepleit dat daarvoor een legale herkomst bestaat. De rechtbank stelt vast dat verdachte hier pas eerst ter zitting mee is gekomen en dat zij haar verklaring niet nader heeft onderbouwd of gespecificeerd. Daarmee is geen sprake van een concrete, verifieerbare en op voorhand niet onaannemelijke alternatieve verklaring, zodat de rechtbank hieraan voorbijgaat.

Het voorgaande leidt tot de volgende berekening: 23.628,42 - 1.385,32 = 22.243,10

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde 22.243,10voordeel heeft genoten en legt aan veroordeelde een betalingsverplichting op tot dat bedrag.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op22. 243,10.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van 22.243,10 (zegge: tweeëntwintigduizend tweehonderddrieënveertig euro en tien eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 222 dagen.

Wijst de vordering van de officier van justitie voor het overige af.

Deze uitspraak is gegeven door mr. T.R. Bosker, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door mr. T.M. Doorn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 03 juli 2026.

Mr. Doorn is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

Mai Multe Decizii