ECLI:NL:RBNNE:2026:2639
Rezumatul Cauzei
Strafrecht; Materieel strafrecht
Uitspraak
Leeuwarden
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
parketnummer 18/264403-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 januari 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , wonende aan [adres] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 18 december 2025 (inhoudelijke behandeling) en 31 december 2025 (sluiting van het onderzoek).
Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.D. van Essen.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Groningen en/of Roden en/of Drachten en/of Appingedam, althans te Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, 194 tvs en/of soundbars, althans meerdere tvs en soundbars, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [bedrijf] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde feit.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:
de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 18 december 2025;
een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 januari 2023, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2023016680 d.d. 12 september 2023, inhoudend de verklaring van [naam] .
Bewezenverklaring
De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
hij in de periode van 1 november 2022 tot en met 17 januari 2023, te Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, 194 tvs en soundbars, toebehorend aan [bedrijf] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaren.
Oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 27 november 2025, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
Verdachte, die werkzaam was bij het bedrijf [bedrijf] , heeft zich gedurende 2,5 maand samen met een andere oud-werknemer schuldig gemaakt aan diefstal van een groot aantal tvs en soundbars van voornoemd bedrijf. Verdachte heeft hierbij een initiërende en organiserende rol gehad. Hij koos de
producten uit en regelde de adressen waar deze moesten worden geleverd, waarna medeverdachte via haar werkaccount de valse bestellingen plaatste en valse etiketten aanmaakte waarmee de goederen werden verzonden. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van de verliefde gevoelens die medeverdachte destijds voor verdachte had. Verdachte heeft door samen met medeverdachte een groot aantal goederen te stelen op ernstige wijze inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van [bedrijf] . Ter zitting is gebleken dat de opbrengsten van de gestolen goederen enkel ten gunste van verdachte kwamen en dat medeverdachte hiervan niet heeft geprofiteerd. Door het handelen van verdachte en medeverdachte heeft het bedrijf grote financiële schade geleden. Hoewel verdachte door de civiele rechter een jaar geleden is veroordeeld schadevergoeding te betalen aan [bedrijf] , is hij tot op heden nog niet overgegaan tot betaling daarvan. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat hij, zij het al wat langer geleden, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een aantal vermogensdelicten. Over verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt.
Op te leggen straf
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit in beginsel de oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank heeft gelet op de omvang van de schade aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor fraude. Bij fraude met een benadelingsbedrag tussen de 125.000,00 en 250.000,00 is het oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke detentie voor de duur van negen tot twaalf maanden.
De rechtbank zal bij de strafbepaling echter met de volgende feiten en omstandigheden in strafmatigende zin rekening houden en legt aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op. De rechtbank kent bijzonder gewicht toe aan het forse tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte op 22 mei 2023 en de inhoudelijke behandeling van de zaak op 18 december 2025. Het tijdsverloop bedraagt daarmee bijna 2 jaar en 7 maanden. In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is het recht van iedere verdachte gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. De overschrijding van de redelijke termijn is op geen enkele wijze aan verdachte toe te rekenen. Daarnaast houdt de rechtbank er rekening mee dat de eerdere veroordeling van verdachte voor vermogensdelicten dateert uit april 2019 en dat deze veroordeling feiten betrof uit 2017, dus al van langer geleden. Gelet daarop acht de rechtbank oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op dit moment niet meer passend en zal de rechtbank de eis van de officier van justitie voor wat betreft het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden niet volgen. In plaats daarvan zal de rechtbank de maximale taakstraf opleggen, zoals door de raadsman is bepleit.
Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf voor de duur van 240 uren en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden. Gelet op de ouderdom van de zaak ziet de rechtbank aanleiding om de proeftijd te beperken tot twee jaren.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.
Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren.
Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagenzal worden toegepast.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.A.M. Veenbaas, voorzitter, mr. T.M.L. Wolters en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. J.R. Dijkstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 januari 2026.