[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbnne-2026-2641":3,"decision-more-ecli-nl-rbnne-2026-2641":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1241","ECLI:NL:RBNNE:2026:2641","",65,"Groningen","groningen","2026-07-07T00:00:00.000Z","RECHTBANK NOORD-NEDERLAND\n\nAfdeling strafrecht\n\nLocatie Groningen\n\nparketnummer 18-234835-25\n\nter terechtzitting gevoegde parketnummers 18-056235-26 en 18-231080-25\n\nVonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 7 juli 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte[verdachte] ,\n\ngeboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd te [instelling 1] .\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Elzinga, advocaat te Groningen.\n\nHet Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.G. Broekstra.\n\nTenlastelegging\n\nAan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van parketnummer 18-234835-25, ten laste gelegd dat:\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2025 te Groningen opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes veelvuldig in de hals en\u002Fof nek en\u002Fof het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 7 september 2025 te Groningen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes veelvudig in de hals en\u002Fof nek en\u002Fof in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nhij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 2] , van het leven te beroven,\n\n-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast heeft gepakt en\u002Fof daarbij een arm om haar nek heeft gehouden en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) heeft gegeven op en\u002Fof tegen haar hoofd en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hals en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen heeft gesneden en\u002Fof gestoken en\u002Fof geslagen met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] daarbij heeft geraakt in of op haar lichaam en\u002Fof althans in haar hals en\u002Fof haar nek; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen\n\nter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer 2] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen\n\n-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast heeft gepakt en\u002Fof daarbij een arm om haar nek heeft gehouden en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) heeft gegeven op en\u002Fof tegen haar hoofd en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hals en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen heeft gesneden en\u002Fof gestoken en\u002Fof geslagen met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] daarbij heeft geraakt in of op haar lichaam en\u002Fof althans in haar hals en\u002Fof haar nek; terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;\n\nalthans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:\n\nhij op of omstreeks 1 april 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door\n\n-die [slachtoffer 2] (onverhoeds) van achteren (stevig) vast te pakken en\u002Fof daarbij een arm om haar nek te houden en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere klappen (met kracht) te geven op en\u002Fof tegen haar hoofd en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hals en\u002Fof\n\n-die [slachtoffer 2] een of meerdere malen te snijden en\u002Fof te steken en\u002Fof te slaan met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en\u002Fof een mes en\u002Fof\n\n- die [slachtoffer 2] daarbij te raken in of op haar lichaam en\u002Fof althans in haar hals en\u002Fof haar nek en\u002Fof haar hand;\n\nten aanzien van parketnummer 18-231080-25:\n\nhij op of omstreeks 2 september 2025 te Groningen\n\n[slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan en\u002Fof stompen in het gezicht en\u002Fof tegen de hals, althans tegen het lichaam.\n\nBeoordeling van het bewijs\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder parketnummer 18-234835-25 primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 primair en 18-231080-25 ten laste gelegde.\n\nIn het bijzonder heeft zij ten aanzien van het onder 18-056235-26 primair ten laste gelegde aangevoerd dat er een aanmerkelijke kans op de dood bestond, waardoor verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer, gelet op de onverhoedse aanval, de dynamische situatie die ontstond en het gebruik van het mes in een kwetsbaar deel van het lichaam (te weten: het halsgebied).\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder parketnummer 18-234835-25 primair en het onder 18-056235-26 primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 subsidiair en 18-231080-25 ten laste gelegde.\n\nVerdachte heeft het feit onder parketnummer 18-231080-25 ontkend.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nDe rechtbank acht, met de officier van justitie en de raadsvrouw, het primair ten laste gelegde (moord) niet wettig en overtuigend bewezen, nu niet kan worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.\n\nDe rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde (doodslag) wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.\n\nDeze opgave luidt als volgt:\n\nde verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 juni 2026;\n\neen deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 7 november 2025, opgemaakt door dr. B.G.H. Latten, op de door hem afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, opgenomen op pagina 645 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025162 d.d. 7 mei 2026.\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nDe rechtbank acht het primair (poging tot doodslag) en subsidiair (poging tot zware mishandeling) ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.\n\nVerdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet de bedoeling had om aangeefster te doden of anderszins letsel toe te brengen. Hij wilde iets terugdoen bij de entiteit die hem kwelde. Volgens verdachte bestonden er geen individuen meer en waren alle mensen onderdeel van de entiteit. Hij heeft aangeefster aangevallen, omdat zij de eerste persoon was die hij tegenkwam nadat hij had besloten om iets terug te doen bij de entiteit.\n\nNiet bewezen kan worden dat er bij verdachte sprake was van vol opzet op de dood van aangeefster of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank zal daarom beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het doden van of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster. De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood of zwaar lichamelijk letsel - aanwezig is als de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.\n\nDaarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels\n\naanmerkelijk is te achten.\n\nUit de aangifte volgt dat aangeefster plotseling stevig van achteren werd vastgepakt en dat zij vervolgens overal op haar hoofd werd geslagen. Daarna voelde zij een scherpe pijn achter haar linkeroor en daarna een scherpe pijn rechts onder haar kaak, ter hoogte van haar nek. Even later zag zij bloed in haar halsstreek. Uit de ontslagbrief van de traumachirurg aan de huisarts van dezelfde dag volgt dat in de rechterzijde van de hals een wondje met een lengte van circa 1 centimeter is geconstateerd. Deze verwonding was alleen door de huid en was niet actief bloedend. Verder zijn er wonden, hematomen en bulten op de behaarde hoofdhuid geconstateerd. Over het steken heeft verdachte ter zitting expliciet verklaard dat hij aangeefster niet heeft gestoken, maar dat hij haar zonder kracht heeftgesnedenin haar keelgebied.\n\nNu het letsel beperkt is gebleven tot oppervlakkige verwondingen en uit de verklaringen van aangeefster en verdachte niet kan worden afgeleid dat verdachte gericht en\u002Fof met kracht in de hals heeft gestoken dan wel gesneden, is de rechtbank van oordeel dat niet is komen vast te staan dat er een aanmerkelijke kans bestond dat aangeefster de aanval van verdachte met de dood zou bekopen of dat zij daar zwaar lichamelijk letsel aan zou overhouden. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van poging tot doodslag en poging tot zware mishandeling.\n\nWel acht de rechtbank het meer subsidiair ten laste gelegde (mishandeling) wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.\n\n1. De door verdachte ter zitting van 23 juni 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:\n\nIk heb de vrouw die ik op 1 april 2025 op het Van Hallpad tegenkwam stevig vastgepakt en ik heb haar met een mes gesneden bij haar keel.\n\n2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 14 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NN2R025069 d.d. 11 februari 2026, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :\n\nOp 1 april 2025 liep ik over het voetpad bij de Van Hallbrug in Groningen. Ik werd ineens van achteren beetgepakt. Een arm ging om mijn nek heen en ik werd in de houdgreep gehouden. Ik kon geen kant op, hij had mij stevig vast. Ik voelde direct nadat ik in de houdgreep werd genomen dat ik overal op mijn hoofd werd geslagen. Dit ging met kracht. Dit deed pijn. Het was vaak, ik denk zeven tot tien keer. Ik voelde daarna een scherpe pijn achter mijn linkeroor, iets daarboven, en daarna een scherpe pijn rechts onder mijn kaak, ter hoogte van mijn nek. Toen ik op mijn werk kwam, voelde ik ineens pijn. Ik hield mijn hand bij mijn nek en zag dat er bloed aan zat. Ik heb nu pijn op mijn hoofd en de twee wonden doen op dit moment erg veel pijn.\n\n3. Een schriftelijk bescheid, te weten een ontslagbrief van drs. [traumachirurg] (traumachirurg in [ziekenhuis] ) d.d. 1 april 2025, opgenomen op pagina 21 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:\n\nOp 1 april 2025 werd mw. [slachtoffer 2] beoordeeld op de SEH van [ziekenhuis] . Lichamelijk onderzoek hals: rechter zijde een wondje van 1 cm lengte, alleen door de cutis. Secondary Survey:\n\nHoofd: wonden, hematomen of bulten op behaarde hoofdhuid.\n\nten aanzien van parketnummer 18-231080-25:\n\nDe rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.\n\n1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 september 2025, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2025237978 d.d. 3 september 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :\n\nOp 2 september 2025 was ik werkzaam als begeleider op locatie [adres] te Groningen. Ik begeleid hier meerdere bewoners waaronder [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]). Terwijl de politie ter plaatse was, zag ik ineens dat [verdachte] met kracht een slaande beweging maakte. Ik voelde dat [verdachte] mij raakte. Toen [verdachte] mij raakte voelde ik direct een stekende pijn aan mijn rechterwang.\n\n2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 september 2025, opgenomen op pagina 7 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:\n\nOp 2 september 2025 ging ik met collegas naar [adres] te Groningen. Wij gingen naar de kamer van [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] met gebalde vuist een harde slag gaf op de kaak van begeleider [slachtoffer 3] . Ik zag dat hij dit met kracht deed. Ik zag dat de rechterkant van het gezicht van de begeleider rood uitsloeg.\n\nHoewel verdachte heeft ontkend dat hij aangever heeft geslagen, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van aangever en de twee verbalisanten die hebben verklaard dat zij het voorval hebben gezien. De rechtbank acht op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen het feit wettig en overtuigend bewezen.\n\nBewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht de feiten onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 meer subsidiair en 18-231080-25 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nhij op 7 september 2025 te Groningen opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer 1] , van het leven heeft beroofd, door met een scherp en\u002Fof puntig voorwerp en een mes veelvuldig in de hals en\u002Fof nek en\u002Fof in het lichaam van voornoemde [slachtoffer 1] te steken en\u002Fof te snijden;\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nhij op 1 april 2025 te Groningen [slachtoffer 2] heeft mishandeld, door\n\ndie [slachtoffer 2] onverhoeds van achteren stevig vast te pakken en daarbij een arm om haar nek te houden en\n\ndie [slachtoffer 2] klappen met kracht te geven op haar hoofd en\n\ndie [slachtoffer 2] meerdere malen te snijden met een mes;\n\nten aanzien van parketnummer 18-231080-25:\n\nhij op 2 september 2025 te Groningen [slachtoffer 3] heeft mishandeld, door met kracht te slaan in het gezicht.\n\nVerdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.\n\nVoor zover in de tenlastelegging taal- en\u002Fof schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.\n\nStrafbaarheid van het bewezen verklaarde\n\nHet bewezen verklaarde levert op:\n\nten aanzien van parketnummer 18-234835-25: doodslag;\n\nten aanzien van parketnummer 18-056235-26: mishandeling; ten aanzien van parketnummer 18-231080-25: mishandeling.\n\nDeze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.\n\nStrafbaarheid van verdachte\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten verdachte niet kunnen worden toegerekend, zodat hij daarvoor niet strafbaar is en van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich met voornoemd standpunt van de officier van justitie verenigd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de rapportage pro Justitia d.d. 13 april 2026, opgemaakt door\n\nA.H. Bouwman (GZ-psycholoog) en T.W.D.P. van Os (psychiater), beiden\n\nverbonden aan het Pieter Baan Centrum. Het onderzoek heeft zich enkel gericht op het ten laste gelegde feit onder parketnummer 18-234835-25. De conclusie van dit rapport luidt onder andere dat verdachte lijdt aan de psychische stoornis schizofrenie. De deskundigen hebben voorts geconcludeerd dat deze stoornis ook bij verdachte aanwezig was ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 en dat deze stoornis zijn gedragskeuzes en gedragingen op dat moment volledig beïnvloedde. De deskundigen hebben deze conclusies als volgt toegelicht:\n\nBij verdachte is sprake van massieve, ontregelende psychopathologie, die zijn perceptie van de hem omringende werkelijkheid voortdurend sterk beïnvloedt. Het hem ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 kende achteraf gezien een lange aanloop van in ieder geval twee jaar, waarin - door toenemende angst - ook agressieve gedragingen op de voorgrond kwamen te staan. Uit de collaterale informatie blijkt dat verdachte de voorgaande twee jaren toenemend verward werd, voor hem angstaanjagende dingen zag die anderen niet zagen en ging zwerven.\n\nEen aantal dagen voor het ten laste gelegde onder parketnummer 18-234835-25 mishandelde hij een mannelijke begeleider van de instelling, toen deze hem een time-out van het wonen bij [instelling 2] aanzegde. Verdachte vond dat de begeleider loog en was boos hierover. Moeder en de begeleider waren voornemens de zorg voor verdachte na de time-out voort te zetten. Verdachte ervaarde dat zijn moeder niet duidelijk zijn kant koos en dat zij hem wilde terugsturen “naar die plek, waar er geen hoop was”. Hij was ervan overtuigd dat ook zij onderdeel was van die “entiteit” en dat zij en veel mensen om hem heen zijn gedachten konden horen. Hij ervaarde een verregaand gebrek aan privacy, had intrusieve belevingen, hetgeen hoogoplopende emoties teweegbracht.\n\nVerdachte was tijdens het audiovisuele verhoor op 9 september 2025, twee dagen na het ten laste gelegde, evident psychotisch. Gezien het ernstige en sinds lange tijd bestaande psychotische beeld, zowel in de aanloop naar als direct na het ten laste gelegde, kan niet anders dan worden geconcludeerd dat verdachte ook tijdens het ten laste gelegde ernstig psychotisch moet zijn geweest.\n\nIn het ten laste gelegde werkt de beschreven psychopathologie geheel door. Bij verdachte is chronisch sprake van een verstoorde realiteitstoetsing, leidend tot een verstoord beeld van zichzelf en de ander, een verstoord begrijpen van de daadwerkelijke betekenis van zijn handelen (oordeel- en kritiekstoornis) en van ontregeling van emoties en gedrag. Binnen de allesomvattende psychotische ontregeling is sprake van hoogoplopende gevoelens van angst en boosheid met als gevolg dat de regulatiemechanismen om agressieve impulsen te kunnen controleren bij hem sterk onder druk komen te staan.\n\nTen tijde van het ten laste gelegde was er sprake van een opvlamming en versterking van onderliggende, door psychose bepaalde thema's, zoals complotten, angst, eenzaamheid, en gevoelens van afwijzing of verlating door anderen (ook zijn moeder). Woede en zelfbeeld speelden daarbij een prominente, zij het ernstig verstoorde, rol. Wat de trigger is geweest is niet duidelijk, maar duidelijk is wel dat deze op een psychotische bodem landde.\n\nVerdachte was weliswaar in staat om de ongeoorloofdheid van het ten laste gelegde in te zien, maar was niet in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. De deskundigen zijn dan ook van oordeel dat zijn handelen volledig gestuurd werd door zijn niet op de realiteit gestoelde bizarre en ernstig psychotische belevingswereld en ontregeling van emoties, terwijl de weging van de aard van zijn handelen eveneens verstoord is door zijn op de voorgrond staande ernstige oordeels- en kritiekstoornissen.\n\nDe rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert ook ten aanzien van parketnummers 18-056235-26 en 18-231080-25 dat de vastgestelde ernstige psychotische stoornis in het kader van de vastgestelde schizofrenie volledig heeft doorgewerkt in die feiten, mede gelet op de door de deskundigen beschreven ernst van de psychopathologie en de aanloop van tenminste twee jaren waarin angst, agressieve gedragingen en verwardheid steeds meer op de voorgrond kwamen te staan.\n\nDe rechtbank concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.\n\nDe rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar ten aanzien van alle bewezen verklaarde feiten en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.\n\nMotivering van de maatregel\n\nVordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft, conform het advies van de deskundigen, gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege dient te worden opgelegd.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nVerdachte heeft op 7 september 2025 zijn moeder op gruwelijke wijze om het leven gebracht, door haar meerdere malen met messen en andere scherpe voorwerpen te steken. Verdachte was ernstig psychotisch en dacht dat zijn moeder zich tegen hem had gekeerd, terwijl zij zich juist om verdachte bekommerde en zich inzette om de juiste zorg voor verdachte te krijgen. Verdachte heeft hiermee zijn eigen moeder het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, ontnomen.\n\nHet onherstelbare leed en verdriet dat verdachte de familie en andere naasten van het slachtoffer daarmee heeft aangedaan is enorm. Dit is op de zitting door verschillende nabestaanden ook indringend verwoord.\n\nDe rechtbank beseft dat niet alle nabestaanden zich kunnen vinden in de adviezen van de deskundigen om te komen tot volledige ontoerekeningsvatbaarheid en de oplegging van de maatregel tot terbeschikkingstelling. De rechtbank overweegt dat zij zich wel kan vinden in de conclusies van de deskundigen, nu deze voorzien zijn van een heldere en uitgebreide onderbouwing en de rechtbank geen aanleiding ziet om aan de inhoud hiervan te twijfelen.\n\nDe rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna ook: tbs-maatregel) met verpleging van overheidswege opleggen wegens de bewezen verklaarde doodslag onder parketnummer 18-234835-25. Om een dergelijke maatregel op te leggen moet aan verschillende voorwaarden zijn voldaan, die de rechtbank hierna zal bespreken.\n\nDe tbs-maatregel kan alleen worden opgelegd wegens een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Het door verdachte begane feit onder parketnummer 18-234835-25 betreft doodslag, waarop een gevangenisstraf van maximaal 25 jaren is\n\ngesteld. De maatregel kan dus worden opgelegd wegens dit feit. De rechtbank overweegt dat de maatregel niet kan worden opgelegd wegens de twee bewezen verklaarde mishandelingen, nu dit feiten betreffen waarop een gevangenisstraf van maximaal drie jaren is gesteld.\n\nBlijkens de hiervoor al genoemde pro-Justitiarapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van de psychische stoornis schizofrenie.\n\nVerder eist de algemene veiligheid van personen de oplegging van de tbs-maatregel, en is de rechtbank van oordeel dat verdachte van overheidswege moet worden verpleegd (ook wel genoemd: dwangverpleging), omdat de algemene veiligheid van personen de verpleging eist. De rechtbank heeft dit oordeel gegrond op de hiervoor genoemde pro-Justitiarapportage. Dit advies houdt onder meer in, zakelijk weergegeven:\n\nZowel op de klinische inschatting als op de risicotaxatie-instrumenten wordt een hoog risico ingeschat op gewelddadig gedrag in de toekomst zowel ten aanzien van hem bekende als onbekende personen, en kunnen er geen beschermende factoren worden geïdentificeerd. Dit risico hangt geheel samen met de aard en ernst van de psychopathologie.\n\nOnderzoekers adviseren - gezien de beschreven ernstige psychopathologie, de volledige doorwerking hiervan in het hem ten laste gelegde en het hoge risico op recidive in gewelddadig gedrag - om aan verdachte een verplichte behandeling op te leggen, teneinde het risico op gewelddadig gedrag duurzaam te verlagen. Binnen een behandeling dient primair gefocust te worden op behandeling van de psychotische stoornis, middels antipsychotische medicatie. Wanneer verdachte deze niet vrijwillig wil nemen, is dwangmedicatie aan de orde. Bij afname van psychotische symptomen is de inschatting van onderzoekers dat verdachte minder angst en onveiligheid zal ervaren, hij niet of minder de overtuiging zal hebben dat anderen zijn gedachten lezen\u002F hem uitdagen, hetgeen in direct verband staat met (afname) de delictgevaarlijkheid. Er is bij verdachte thans sprake van een gebrek aan ziektebesef en -inzicht zodat de motivatie om zich te conformeren aan een - ter reductie van de risico's - noodzakelijke behandeling extern moet worden aangestuurd en om die reden wordt ingeschat dat een behandel-\u002F begeleidingstraject van enkele jaren nodig is. Het duurt vermoedelijk lang voordat hij stabiliseert omdat hij al langere tijd psychotisch is en daardoor moeilijker behandelbaar, en het is nog onduidelijk in hoeverre de psychose geheel zal verdwijnen.\n\nOnderzoekers adviseren om aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege op te leggen. Alleen deze maatregel geeft voldoende garantie om het gevaar terug te dringen en behandeling en resocialisatie te realiseren. Onderzoekers hebben overwogen of behandeling in een minder stringent kader mogelijk is teneinde het recidivegevaar tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen, maar zien hiertoe vanwege het gebrek van verdachte aan ziekte-inzicht en behandelmotivatie, gecombineerd met de hoge kans op gewelddadig gedrag, geen mogelijkheden.\n\nDe rechtbank kan zich met de inhoud en de conclusies van de adviezen verenigen en neemt deze over.\n\nNu deze maatregel wordt opgelegd wegens het plegen van doodslag, een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam, is de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd.\n\nBenadeelde partijen\n\nDe volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:\n\n[benadeelde 1] , tot een bedrag van 40.000,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;\n\n[benadeelde 2] , tot een bedrag van 40.000,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 20.000,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;\n\n[benadeelde 3] , tot een bedrag van 37.500,-- ter zake van immateriële schade, bestaande uit 17.500,-- ter vergoeding van affectieschade en 20.000,-- ter vergoeding van shockschade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;\n\n[slachtoffer 2] , tot een bedrag van 2.957,95 ter zake van materiële schade en\n\n28.500,-- ter zake van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.\n\nStandpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen toegewezen, met dien verstande dat de immateriële schade ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] dient te worden gematigd tot 20.000,--, met in alle gevallen toewijzing van wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.\n\nStandpunt van de verdediging\n\nDe raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat alle benadeelde partijen niet-ontvankelijk moet worden verklaard in hun vordering, gelet op het feit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens zijn volledige ontoerekeningsvatbaarheid.\n\nSubsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] , en heeft de raadsvrouw ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] zich op het standpunt gesteld dat deze ten aanzien van de materiële en immateriële schade gematigd moet worden, zoals hierna ook bij de bespreking van de vordering wordt weergegeven.\n\nOordeel van de rechtbank\n\nOntvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen\n\nZoals hiervoor is overwogen wordt verdachte ten aanzien van alle feiten ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de feiten hem niet kunnen worden toegerekend.\n\nVoor zover de raadsvrouw heeft bedoeld te stellen dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen omdat het civiele recht zich daartegen verzet, passeert de rechtbank dit verweer op grond van art. 6:165 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.\n\nOp grond van artikel 361, lid 2 aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna ook: Sv), is de benadeelde partij ontvankelijk in haar vordering, indien - kortgezegd - aan verdachte een straf of maatregel is opgelegd, een zorgmachtiging of rechterlijke machtiging is afgegeven of indien toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Indien verdachte dus is ontslagen van alle rechtsvervolging, is er nog wel een mogelijkheid om de vordering van de benadeelde partij ontvankelijk te verklaren.\n\nDe rechtbank stelt vast dat aan verdachte ten aanzien van parketnummer 18-234835-25 de tbs-maatregel zal worden opgelegd. De benadeelde partijen ten aanzien van dit parketnummer zijn in zoverre ontvankelijk in hun vordering.\n\nDe rechtbank stelt verder vast dat de tbs-maatregel niet zal worden opgelegd ten aanzien van parketnummer 18-056235-26, nu het bewezen verklaarde feit (te weten mishandeling) niet een feit betreft op grond waarvan de tbs-maatregel kan worden opgelegd. Daarnaast is ook geen sprake van een andere in artikel 361, lid 2 aanhef en onder a, Sv genoemde ontvankelijkheidsvoorwaarde. Dit zou betekenen dat benadeelde partij [slachtoffer 2] niet ontvankelijk zou moeten worden verklaard in haar vordering.\n\nDe rechtbank is evenwel van oordeel dat niet alleen gekeken dient te worden naar de tekst van de wet, maar ook naar de bedoeling van de wetgever. De rechtbank heeft daarbij ook acht geslagen op de in het kader van de modernisering van het Wetboek van Strafvordering nieuwe toevoeging van een artikellid aan de regeling van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij. In de wetsgeschiedenis wordt over dat nieuwe artikellid het volgende opgemerkt.\n\nDit artikellid voegt aan de ontvankelijkheidsvoorwaarden nog twee toe. Deze ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn algemeen, dat wil zeggen dat zij gelden voor alle benadeelde partijen, dus ongeacht of de voeging is gebaseerd op artikel 1.5.10, eerste lid, op artikel 1.5.10, tweede lid dan wel op artikel 1.5.12. Vergelijkbare ontvankelijkheidsvoorwaarden zijn thans opgenomen in artikel 361, tweede lid.\n\nDit lid bepaalt dat de benadeelde partij alleen ontvankelijk is in haar vordering indien: (a) de verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39 Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging en (b) de gevorderde schade is toegebracht door het bewezen verklaarde feit of door een strafbaar feit waarvan in de oproeping is vermeld dat de officier van justitie het op de terechtzitting ter sprake wenst te brengen en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekening is gehouden. De formulering van deze ontvankelijkheidseisen verschilt op beide onderdelen van die van artikel 361, tweede lid. Daar wordt onder a als eis geformuleerd dat aan de verdachte enige straf of maatregel is opgelegd dan wel artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht is toegepast. Die formulering maakt het mogelijk om de verdachte die niet wordt veroordeeld, maar die op grond van artikel 39 Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging in het strafproces tot schadevergoeding te veroordelen, mits aan die verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling is opgelegd. Die laatste eis mist echter goede grond.\n\nOntoerekeningsvatbaarheid vormt naar burgerlijk recht geen grond voor afwijzing van de vordering. Daarbij is niet van belang of aan de gedaagde in een eventueel strafproces een maatregel is of wordt opgelegd. Waarom de toewijzing van de vordering daarvan wel afhankelijk moet zijn als die vordering gevoegd wordt behandeld in het strafproces, valt niet goed in te zien.\n\nDe rechtbank ziet reden te anticiperen op de nieuwe ontvankelijkheidsvoorwaarden van artikel 361 Sv. Zij merkt daarbij op dat deze verruiming van de ontvankelijkheid van benadeelde partijen niet omstreden is in de politiek, en dat het in de kern om een civiel onderdeel (onrechtmatige daad) in strafvordering gaat en dat dan een anticiperende interpretatie voor de hand ligt, tenzij er zwaarwichtige redenen zijn niet te anticiperen. De rechtbank ziet in deze zaak geen zwaarwichtige redenen.\n\nHet voorgaande leidt ertoe dat ook de benadeelde partij [slachtoffer 2] ontvankelijk is in haar vordering en dat de rechtbank de vordering dan ook inhoudelijk zal beoordelen.\n\nInhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] (parketnummer 18-234835-25)\n\nDe vorderingen zijn alle drie opgebouwd uit de posten shockschade, ter hoogte van 20.000,--, en affectieschade, ter hoogte van respectievelijk 20.000,--, 20.000,-- en 17.500,--.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder genoemd parketnummer bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 7 september 2025.\n\nInhoudelijke beoordeling van de vordering van [slachtoffer 2] (parketnummer 18-056235-26)\n\nTen aanzien van de materiële schade is de vordering opgebouwd uit de volgende posten:\n\n125,-- (kleding)\n\n385,-- (eigen risico in verband met ambulancevervoer)\n\n1.045,-- (kosten psycholoog, niet vergoed door de zorgverzekeraar)\n\n1.180,-- (kosten psycholoog, toekomstige behandelingen)\n\n114,65 (kosten opstellen verklaring psycholoog, ter vaststelling van de schade)\n\n44,94 (reiskosten naar het politiebureau)\n\n62,86 (reiskosten naar de psycholoog)\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden, waarbij de rechtbank het schadebedrag voor de kleding zal matigen en de reiskosten naar het politiebureau zal afwijzen, zoals hierna wordt besproken.\n\nDe verdediging heeft verzocht de gevorderde schade ten aanzien van de kleding af te wijzen omdat een voldoende concrete onderbouwing zou ontbreken en de rechtbank terughoudend om dient te gaan met schatting van de kosten. De rechtbank is van oordeel dat voldoende is onderbouwd dat de benadeelde partij schade heeft geleden. Nu onduidelijk is wat de precieze aankoopprijs, de aankoopdatum en de staat van de kledingstukken is geweest, schat de rechtbank de hoogte van de schade ten aanzien van de jas en de trui samen op 50,--. De rechtbank zal de vordering op dit onderdeel tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.\n\nDe rechtbank zal voorts, zoals door de verdediging is verzocht, de reiskosten afwijzen die zien op de ritten naar het politiebureau voor het doen van aangifte, het afleggen van een nadere verklaring en het afstaan van DNA-materiaal. Hoewel de kosten naar het oordeel van de rechtbank kunnen worden aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid (art. 6:96 lid 2 aanhef en onder b Burgerlijk Wetboek), kunnen deze ook worden aangemerkt als proceskosten. Op grond van de artikelen 238 en 241 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, kunnen in dat geval enkel de reiskosten als proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen, mits benadeelde partij zonder gemachtigde procedeert. Nu dit laatste niet het geval is, moet de vordering op dit onderdeel worden afgewezen.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om de hoogte van de schade te matigen tot 20.000,--.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de hiervoor genoemde schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18-056235-26 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom tot een bedrag van 22.837,51 worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 april 2025.\n\nSchadevergoedingsmaatregelen en veroordeling in de kosten\n\nNu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank ten aanzien van iedere benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.\n\nDe rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] dat de tekst van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (hierna ook: Sr) het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel niet lijkt toe te staan. De vereisten voor de schadevergoedingsmaatregel corresponderen in die zin met die van de ontvankelijkheid van de benadeelde partij.\n\nIndien de rechtbank deze grammaticale interpretatie van artikel 36f Sr zou volgen dan zou de benadeelde partij de door de rechtbank toegewezen civiele schade zelf bij verdachte moeten verhalen. In dat geval lopen de ontvankelijkheidseisen van artikel 361 Sv en de eisen van artikel 36f Sr uit elkaar. De strekking van de artikel 36f Sr is de positie van het slachtoffer te versterken door herstel van de rechtmatige toestand. Daarmee strookt dat ten aanzien van een in het strafproces toegewezen civiele vordering de schadevergoedingsmaatregel moet kunnen worden opgelegd. De rechtbank ziet hierin aanleiding de schadevergoedingsmaatregel ingevolge artikel 36f Sr op te leggen.\n\nGelet op de omstandigheid dat verdachte ontoerekeningsvatbaar is verklaard voor beide bewezen strafbare feiten waarvoor schade is toegewezen, zal de rechtbank de vervangende gijzeling op nihil vaststellen.\n\nDe rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de desbetreffende vorderingen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.\n\nToepassing van wetsartikelen\n\nDe rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 37a, 37b en 287 van het Wetboek van Strafrecht.\n\nDeze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.\n\nUitspraak\n\nDe rechtbank\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummers 18-234835-25 primair en 18-056235-26 primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder parketnummers 18-234835-25 subsidiair, 18-056235-26 meer subsidiair en 18-231080-25 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.\n\nOntslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nGelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 1]te betalen:\n\nhet bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 1] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 2]te betalen:\n\nhet bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\n- de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 40.000,-- (zegge: veertigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-234835-25:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte om aan [benadeelde 3]te betalen:\n\nhet bedrag van 37.500 (zegge: zevenendertigduizend vijfhonderd euro);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [benadeelde 3] aan de Staat te betalen een bedrag van 37.500 (zegge: zevenendertigduizend vijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nTen aanzien van parketnummer 18-056235-26:\n\nWijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte om aan [slachtoffer 2]te betalen:\n\nhet bedrag van 22.837,51 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdzevenendertig euro en eenenvijftig eurocent);\n\nde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 april 2025 tot de dag van algehele voldoening;\n\nde proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog zal maken, tot heden begroot op nihil.\n\nWijst de vordering van [slachtoffer 2] voor het overige af.\n\nLegt aan verdachte de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 22.837,51 (zegge: tweeëntwintigduizend achthonderdzevenendertig euro en eenenvijftig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 april 2025 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit 2.837,51 aan materiële schade en 20.000,-- aan immateriële schade.\n\nBepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat geen gijzeling kan worden toegepast.\n\nBepaalt dat als verdachte voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H. van der Werff en\n\nmr. A. Jongsma, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.\n\nMr. Van der Werff is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBNNE:2026:2641","ecli-nl-rbnne-2026-2641",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht; Materieel strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,53,61],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":52,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag","Strafrecht",{"id":54,"ecli":55,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":8,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":62,"ecli":63,"caseNumber":6,"courtId":64,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":65,"language":12,"source":13,"sourceUrl":66,"summary":6,"slug":67,"metadata":68},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":69,"legalDomain":60,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]