ECLI:NL:RBNNE:2026:2685
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Insolventierecht
Uitspraak
Groningen
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling Privaatrecht
Locatie: Groningen
zaaknummers: C/18/25/230-231 F en C/18/26/1187-1188 R
vonnis van 11 juni 2026
in de zaak van:
[schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en
[schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,
beiden wonende te [adres] , voormalig vennoten van [bedrijf] V.O.F.,
voorheen gevestigd te [adres] ,
met als correspondentieadres [adres] ,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
hierna te noemen: de schuldenaren.
PROCESGANG
Bij vonnis van deze rechtbank van 5 augustus 2025 zijn de schuldenaren in staat van faillissement verklaard met benoeming van mr. H.J. Idzenga tot rechter-commissaris en aanstelling van mr. G.W. Breuker tot curator.
De schuldenaren hebben een verzoekschrift ingediend tot opheffing van hun op 5 augustus 2026uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling.
In de faillissementen is op grond van artikel 15b Fw geen verificatievergadering gehouden.
De rechter-commissaris heeft bovenvermelde faillissementen voorgedragen voor opheffing.
De rechtbank heeft het verzoekschrift en de voordracht behandeld op de zitting van
28 mei 2026, alwaar zijn verschenen de schuldenaren voornoemd tezamen met hun [schuldhulpverlener van schuldhulpbedrijf] . Namens de curator is verschenen,
mr. T. van Dijken, advocaat te Groningen.
Tenslotte is vonnis bepaald op heden.
RECHTSOVERWEGINGEN
De rechtbank is gelet op het bepaalde in artikel 3 lid 1 van Verordening 2015/848 van de Raad van de Europese Unie bevoegd deze hoofdprocedure te openen nu het centrum van de voornaamste belangen van de schuldenaren in Nederland ligt.
Het verzoekschrift van de schuldenaren voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Er is geen grond gebleken voor afwijzing van het verzoek. De rechtbank zal het faillissement opheffen onder het gelijktijdig uitspreken van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van de schuldenaren.
De schuldenaren hebben de rechtbank verzocht om de schuldsaneringsreling te laten aanvangen op 1 oktober 2025, omdat er sinds die datum is afgedragen in het faillissement. De curator heeft aangegeven dat de schuldenaren sinds 1 oktober 2025 ononderbroken een maandelijkse boedelbijdrage ex artikel 21 Fw. hebben gedaan. De schuldenaar heeft vanaf die datum fulltime gewerkt. Ten aanzien van de schuldenares is een uitgebreide medische documentatie ontvangen, waaruit blijkt dat zij in die periode niet kon werken. De rechtbank ziet daarom aanleiding om de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling van de schuldenaren te bepalen op 1 oktober 2025.
De rechtbank zal het bedrag van de faillissementskosten en het salaris van de curator vaststellen. Voor zover de kosten van de in het faillissement bevolen publicaties niet uit de boedel kunnen worden voldaan, komen deze ten laste van de Staat.
BESLISSING
De rechtbank:
beveelt de opheffing van bovenvermelde faillissementen;
stelt het salaris en de verschotten van de curator, mr. G.W. Breuker, in bovenvermelde faillissementen vast op € 8.484,23 exclusief omzetbelasting, te vermeerderen met eventueel terug te ontvangen rente;
spreekt de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van
[schuldenaar 1], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , en[schuldenaar 2], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] , beiden wonende te [adres] ;
bepaalt de duur van de schuldsaneringsregelingen op 18 maanden, te rekenen vanaf 1 oktober 2025;
benoemt tot rechter-commissaris mr. H.J. Idzenga en tot bewindvoerder [bewindvoerder] , correspondentieadres [adres] , tel.nr. [telefoonnummer] ;
geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenaren gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Groenewegen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.