Skip to main content

ECLI:NL:RBOBR:2026:4751

Instanță

's-Hertogenbosch

Data

30 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

's-Hertogenbosch

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

vonnisRECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 82.227010.22

Datum uitspraak: 30 juni 2026

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[bedrijf 1]

gevestigd op het adres [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 12 februari 2026, 2 maart 2026 en 16 juni 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 oktober 2025.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 4 november 2016 tot en met heden in de gemeente Utrecht, althans in Nederland (telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft/hebben verdachte en/of haar mededader(s) (van) aankoopbedrag(en), geld(en) en/of voorwerp(en), te weten de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,

(sub a)

de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of verborgen en/of verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

(sub b)

verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl zij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat die/dat aankoopbedrag(en), geld(en) en/of voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Verder zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het verzoek om aanhouding voor het horen van een getuige van de verdediging

Inleiding

Na de inhoudelijke zitting van 12 februari jl. was de rechtbank voornemens het onderzoek op 2 maart 2026 te sluiten, maar is door de verdediging verzocht om het onderzoek ter terechtzitting te hervatten. Het bleek namelijk dat in het kader van een al sinds 2020 lopend rechtshulpverzoek van het Openbaar Ministerie de getuige [getuige] alsnog, op 12 maart 2026, zou worden gehoord door de rechtbank in Johannesburg, Zuid-Afrika. De verdediging verwachtte dat deze getuige ontlastend zou verklaren. Het Openbaar Ministerie verzette zich tegen dit verzoek maar de rechtbank heeft dit verzoek van de verdediging gehonoreerd door te beslissen dat het onderzoek ter terechtzitting op 2 maart 2026 zou worden hervat zodat het verhoor kon worden afgewacht. Ook zijn de verdediging en het Openbaar Ministerie in de gelegenheid gesteld om binnen 14 dagen na ontvangst van het proces-verbaal van dat getuigenverhoor daarop te reageren. Het proces-verbaal van het getuigenverhoor is op 4 juni 2026 (Engelstalig) en 12 juni 2026 (vertaald) verzonden naar de verdediging. De verdediging en het Openbaar Ministerie hebben voorafgaand aan de zitting van 16 juni 2026 een standpunt ingenomen ten aanzien van de getuigenverklaring.

Op de zitting van 16 juni 2026 zijn de reacties van de verdediging en het Openbaar Ministerie op het getuigenverhoor besproken, en heeft de verdediging opnieuw om aanhouding van de behandeling ter terechtzitting verzocht en het verzoek gedaan de getuige [getuige] te horen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht [getuige] als getuige te mogen horen om de volgende redenen. Ten eerste omdat sprake is van een zogenaamde Keskin-getuige, deze getuige tegen de verwachting van de verdediging in belastend heeft verklaard en de verdediging geen behoorlijke ondervragingsmogelijkheid heeft gehad zodat het recht van de verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geschonden. Ten tweede omdat de verdediging niet door het Openbaar Ministerie in de gelegenheid is gesteld vooraf vragen in te dienen of te reageren op de door het Openbaar Ministerie opgestelde vragenlijst. Ten derde heeft de verdediging gesteld dat verschillende vormvereisten tijdens het verhoor zijn geschonden zodat ook om die reden die getuigenverklaring niet betrouwbaar en dus onbruikbaar is als zij niet eerst in de gelegenheid wordt gesteld de getuige te horen.

Het standpunt van het OM

Het Openbaar Ministerie heeft zich tegen dit verzoek verweerd, door, kort gezegd, te stellen dat de verdediging dit verzoek om deze getuige te horen niet eerder heeft gedaan en ook zonder voorbehoud om het afwachten van deze getuigenverklaring heeft gevraagd. Uit het dossier blijkt dat de verdediging steeds de mogelijkheid heeft gehad om contact te hebben met [getuige] en daar ook gebruik van heeft gemaakt (op de dag van het verhoor is er nog contact geweest tussen de vertegenwoordiger van verdachte en de getuige). De betrokkenheid van verdachte blijkt voldoende uit andere bewijsmiddelen zodat de belastende verklaring van [getuige] niet van doorslaggevend belang is en tenslotte is de verdediging voldoende compensatie geboden.

De beoordeling van de rechtbank

De rechtbank wijst het verzoek van de verdediging af. Daarvoor is het procesverloop, zoals hiervoor ook geschetst, redengevend. Door de verdediging is voorafgaand aan of tijdens de zitting van 12 februari 2026 niet verzocht de getuige [getuige] te horen. Het Openbaar Ministerie vond het na de behandeling ter terechtzitting niet nodig het getuigenverhoor van [getuige] in Zuid-Afrika af te wachten en verzette zich tegen het aanhoudingsverzoek van de verdediging. Door de verdediging, die verzocht heeft om de uitkomst van het getuigenverhoor wel af te wachten, is geen voorbehoud gemaakt ten aanzien van het verdere verloop na ontvangst van het getuigenverhoor, niet gevraagd de getuige te horen in haar aanwezigheid, noch is er verzocht om de vraagstelling aan de getuige mee te bepalen. De rechtbank heeft het verzoek van de verdediging om de getuigenverklaring van [getuige] af te wachten gehonoreerd, maar daarbij ook nadrukkelijk bepaald dat er geen langer uitstel zou worden geboden dan tot de zitting van 16 juni 2026. In het licht van dit procesverloop acht de rechtbank het verzoek om een getuigenverhoor een gepasseerd station. De verdediging heeft gedurende de procedure onvoldoende initiatief getoond om de getuige te kunnen ondervragen, zodat de zaak niet alsnog om die reden zal worden aangehouden.

Voor de beoordeling of daarmee nog wel wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de verklaring van de betreffende getuige in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor. Naarmate het gewicht van de verklaring van de getuige groter is, is het – wil de verklaring voor het bewijs kunnen worden gebruikt – des te meer van belang dat een goede reden bestaat voor het niet bieden van een ondervragingsgelegenheid en dat compenserende factoren bestaan. (Vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, rechtsoverwegingen 2.12.2 en 2.12.3, en HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418, rechtsoverweging 2.4.2.). In dit geval is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van getuige [getuige] voldoende steun vindt in andere feiten en omstandigheden en niet van dragend belang is. De rechtbank zal hieronder op die andere feiten en omstandigheden ingaan. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van schending van artikel 6 EVRM en dat de getuigenverklaring van [getuige] ook bruikbaar is voor de bewezenverklaring.

Ten aanzien van de door het OM ingediende vragenlijst overweegt de rechtbank als volgt. Waar het in de onderzoeksfase van een procedure gebruikelijk is dat een rechtshulpverzoek zelfstandig door het OM wordt uitgevoerd, zonder daar overleg over te hebben met de verdediging of de rechtbank, had het in dit geval, waarin het verhoor pas na de inhoudelijke behandeling ter terechtzitting zou plaatsvinden, naar het oordeel van de rechtbank wel in de rede gelegen dat het Openbaar Ministerie de verdediging en de rechtbank had geïnformeerd over de nazending van vragen aan de Zuid-Afrikaanse autoriteiten, ook om de verdediging en de rechtbank indien gewenst in de gelegenheid te stellen vragen in te dienen. Echter, nu zowel de rechtbank en de verdediging daar niet om hadden verzocht en de aanvullende vragen niet wezenlijk afwijken van de eerder in het rechtshulpverzoek aangekondigde vragen, is de rechtbank van oordeel dat dat geen strijd met de goede procesorde oplevert en de verdediging niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad door de gang van zaken.

Van een concrete schending van de procesorde naar Zuid-Afrikaans recht is evenmin gebleken, zodat op basis van het vertrouwensbeginsel er van mag worden uitgegaan dat de getuigenverklaring rechtmatig is verkregen.

De bewijsvraag.

Inleiding.

Enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] ( [verdachte] , hierna: [verdachte] ) is op 12 augustus 2016 vanuit Zuid-Afrika naar Nederland geïmmigreerd en heeft hier op 26 september 2016 de besloten vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ) opgericht. Op 28 september 2016 heeft [bedrijf 1] een koopovereenkomst gesloten voor een appartement aan de [adres] . Op 28 oktober 2016 heeft [bedrijf 1] een bankrekening bij de [bank 1] geopend, waar op 4 november 2016 een bedrag ter grootte van € 402.787,29 is bijgeschreven afkomstig van een bankrekening van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] is een [bedrijf 2] die staat geregistreerd in Hong Kong. Het gaat hier om een overboeking van $ 450.000. Op 15 november 2016 heeft [bedrijf 1] vervolgens € 400.000,- betaald voor het appartement in Utrecht. Hiermee heeft [bedrijf 1] zich volgens het OM schuldig gemaakt aan witwassen, en enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] aan het feitelijk leiding geven aan witwassen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om tot een bewezenverklaring te komen ten aanzien van het ten laste gelegde. Daartoe heeft de officier van justitie – kort gezegd – aangevoerd dat er een vermoeden van witwassen is dat de verklaring van (namens) verdachte onvoldoende concreet en hoogst onwaarschijnlijk is, waardoor het Openbaar Ministerie geen onderzoek hoeft te doen naar deze verklaring. Bovendien stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat ook uit het onderzoek dat is gedaan door de FIOD en het Openbaar Ministerie niets naar voren is gekomen dat de verklaring van verdachte ondersteunt. Tot slot heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte ook wetenschap had van het witwassen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht om verdachte vrij te spreken van het ten laste gelegde feit. Daartoe heeft de verdediging – kort gezegd – aangevoerd dat verdachte concreet en verifieerbaar heeft verklaard over de herkomst van de gelden die zijn gebruikt voor de aankoop van het appartement. Het onderzoek naar deze verklaring door het Openbaar Ministerie is volgens de verdediging onvoldoende geweest. De rechtbank kan daarom niet met zekerheid vaststellen dat het geld waarmee het pand in Utrecht is aangekocht van misdrijf afkomstig is, en dat verdachte zich daardoor schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om verdachte vrij te spreken wegens het ontbreken van wetenschap.

Het oordeel van de rechtbank.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen zijn uitgewerkt in de aan dit vonnis gehechte bewijsbijlage. De inhoud daarvan dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Nadere bewijsoverwegingen.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de gelden die door [bedrijf 1] zijn gebruikt voor de hiervoor beschreven aankoop van het pand in Utrecht uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Het juridisch kader: witwassen zonder bekend gronddelict (6-stappenplan).

De rechtbank moet eerst vaststellen of er een concreet misdrijf is geweest waar het witgewassen voorwerp van afkomstig is. Wanneer er geen directe relatie tussen het witgewassen voorwerp en een concreet misdrijf bestaat of wanneer deze relatie niet kan worden vastgesteld, betekent dit niet dat witwassen niet bewezen kan worden. Als door het openbaar ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.

Als de verdachte zo'n concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal moeten worden beoordeeld of ondanks de verklaring van de verdachte het witwassen bewezen kan worden op de grond dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Als zo'n verklaring is uitgebleven, mag de rechtbank die omstandigheid betrekken in de bewijsoverwegingen.

Stap 1 Is er sprake van een bekend gronddelict?

Van een concreet misdrijf waar dit geld mee zou zijn verdiend is niet gebleken.

Stap 2 is er een vermoeden van witwassen?

Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Daarvoor zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

Enig aandeelhouder en bestuurder van verdachte had in 2016 geen in Nederland bekend inkomen. [bedrijf 1] betrof een nieuw opgerichte B.V., waar geen activiteit in plaatsvond en waar geen vermogen in zat tot de overboeking vanuit Hong Kong. Het feit dat er geen (legaal) inkomen aanwezig was in Nederland, terwijl er wel een pand is aangekocht zonder dat daarvoor een hypotheek hoefde te worden afgesloten, betreft op zichzelf een indicator dat sprake is van witwassen.

De overboeking vanuit Hong Kong bleek afkomstig van de bankrekening van een daar geregistreerde [bedrijf 2] , te weten [bedrijf 2] . Er is niet gebleken van enige betrokkenheid van [bedrijf 2] met de Nederlandse vastgoedmarkt. [bedrijf 2] is online niet vindbaar als financier en er zijn geen contactgegevens beschikbaar van [bedrijf 2] . De vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , heeft verklaard zelf ook geen contactgegevens te hebben van medewerkers van [bedrijf 2] . De oorsprong van het geld is daarmee niet transparant of verifieerbaar, en de herkomst van de financier is ongebruikelijk voor de aankoop van Nederlands vastgoed.

Uit de stukken die de vertegenwoordiger van verdachte, [verdachte] , bij de [bank 1] heeft overgelegd, blijkt dat zij stelt dat de leningovereenkomst met [bedrijf 2] later is overgenomen door de Zuid-Afrikaanse onderneming [bedrijf 3] , waarna zij met een Zuid-Afrikaanse “shelved” onderneming een leningovereenkomst zou hebben afgesloten bij [bedrijf 3] . Ook dit betreft een financier zonder online zichtbaarheid, ditmaal afkomstig uit Zuid-Afrika. De (papieren) oversluiting van de lening naar Zuid-Afrika maakt de herkomst van het geld minder transparant en draagt daarbij eveneens bij aan het vermoeden van witwassen.

Dit betreffen naar het oordeel van de rechtbank omstandigheden die, in onderling verband en samenhang beschouwd, een vermoeden van witwassen in het leven roepen. Gelet hierop mag van vertegenwoordiger van verdachte worden verlangd dat zij een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde bedragen.

Stap 3 heeft verdachte een verklaring gegeven voor de herkomst van het geld of de goederen?

[verdachte] heeft verklaard via een zakelijk contact van een van haar bedrijven in Zuid-Afrika, de heer [betrokkene 1] , in contact te zijn gekomen met [bedrijf 2] in Hong Kong. Naar aanleiding van een gesprek met een medewerker van [bedrijf 2] in oktober 2016 heeft zij voor [bedrijf 1] een lening verkregen bij [bedrijf 2] ten behoeve van de aankoop van een appartement in Utrecht. Deze lening is vervolgens in oktober 2017 afgelost door een zakelijk contact van [verdachte] , namelijk de heer [getuige] als directeur van [bedrijf 3] in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft een lening afgesloten bij [bedrijf 3] namens [bedrijf 4] , een (‘shelved’) onderneming op haar naam in Zuid-Afrika. [verdachte] heeft verklaard dat zij voldoende liquide middelen had in Zuid-Afrika om deze lening af te kunnen sluiten, nu zij (persoonlijk) een aantal panden in Zuid-Afrika bezit en hier huurinkomsten mee genereert. Zij zou nog steeds voldoen aan de aflossingsverplichting. [verdachte] heeft documenten overgelegd ter onderbouwing van deze verklaring.

Stap 4 is de verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk?

Ten aanzien van de lening met [bedrijf 2] overweegt de rechtbank dat de vragen die deze lening op zichzelf al oproept, door de verklaring van [verdachte] en de door haar overgelegde stukken eerder zijn toe- dan afgenomen. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat deze verklaring niet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Daarvoor weegt allereerst mee de manier waarop de lening met [bedrijf 2] tot stand zou zijn gekomen volgens [verdachte] . [verdachte] heeft verklaard dat zij met [bedrijf 2] in contact is gebracht door een goed, al lang bestaand, zakelijk contact van haar, de heer [betrokkene 1] . Desgevraagd heeft verdachte mailverkeer met de heer [betrokkene 1] opgestuurd naar de [bank 1] ter onderbouwing van deze verklaring. Dit mailverkeer, dat zich in het dossier bevindt (p. 266 e.v.), duidt naar het oordeel van de rechtbank echter niet op jarenlang goed contact tussen verdachte en de heer [betrokkene 1] . Het lijkt er op basis van de inhoud van de mailberichten op dat verdachte en de heer [betrokkene 1] elkaar voor het eerst hebben ontmoet op een beurs in oktober 2016 en er is geen enkele aanwijzing dat de heer [betrokkene 1] een rol heeft gespeeld in het contact tussen verdachte en [bedrijf 2] .

Verder weegt mee de onwaarschijnlijkheid van de verklaring van [verdachte] in het verhoor op 18 december 2024 dat zij vervolgens in een café een meeting zou hebben gehad met een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] , maar dat zij niet meer weet wie deze persoon was. De afspraak zou ongeveer een uur hebben geduurd, voordat de lening werd afgesloten. Deze gang van zaken acht de rechtbank, gelet op de omvang van het geleende bedrag en het feit dat [bedrijf 2] volgens [verdachte] een lening zou gaan verstrekken voor een appartement in het buitenland, zonder een gevestigd pandrecht op dat appartement, aan een persoon die tot voor de ‘meeting’ nog onbekend was geweest, hoogst onwaarschijnlijk.

Daar komt nog bij dat de leningovereenkomst volgens de inhoud van die overeenkomst vervolgens zou zijn ondertekend door [verdachte] en een vertegenwoordiger van [bedrijf 2] in Hong Kong op 31 oktober 2016. De rechtbank stelt vast dat [verdachte] op dat moment niet in Hong Kong was. De rechtbank stelt eveneens vast dat er geen mailwisseling of andere gegevens zijn overgelegd tussen haar en [bedrijf 2] en er na aangaan van de overeenkomst geen rente- en afbetalingen zijn gedaan door [bedrijf 1] . Ook dit gedeelte acht de rechtbank hoogst onwaarschijnlijk.

Tot slot overweegt de rechtbank ten aanzien van de leningovereenkomst tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] het volgende. Zoals hiervoor reeds aangehaald ontplooide [bedrijf 1] in 2016 geen activiteiten, had het bedrijf geen vermogen en was het pas kort voor de transactie opgericht. Het onderpand dat volgens de leningsovereenkomst die verdachte heeft overgelegd werd gegeven door [bedrijf 1] , te weten alle aandelen van de onderneming, kan naar het oordeel van de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet gelden als onderpand voor een dergelijk hoge lening. Te meer nu er geen pandrecht is gevestigd op het appartement. Dat een investeerder, in het normaal economisch verkeer, een dergelijke lening zou afsluiten is naar het oordeel van de rechtbank concluderend hoogst onwaarschijnlijk, waardoor de rechtbank tot de conclusie komt dat deze lening niet op zakelijke gronden is aangegaan. Nu een andere – geloofwaardige – verklaring ontbreekt, brengt dat de rechtbank tot de conclusie dat de verdachte het hiervoor al benoemde vermoeden tot witwassen niet heeft weerlegd met haar verklaring.

Dat de lening van [bedrijf 1] met [bedrijf 2] een jaar later zou zijn overgenomen door [bedrijf 3] , zoals [verdachte] heeft verklaard, is voor de beoordeling van de verdenking ten aanzien van de aankoop in 2016 niet van doorslaggevend belang. Desalniettemin zal de rechtbank ook bij deze verklaring stilstaan, nu de feiten en omstandigheden die uit het dossier blijken ten aanzien van deze overboeking de verklaring van verdachte dat sprake was van een bonafide leningsconstructie bij de aankoop van het pand extra ongeloofwaardig maken.

[bedrijf 3] is wederom een bedrijf dat online niet zichtbaar is als financier. Dit Zuid-Afrikaanse bedrijf zou de lening tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 1] op verzoek van [verdachte] volledig hebben afgelost, maar de condities waaronder zouden, naar eigen verklaring van [verdachte] ter zitting, langs haar heen zijn gegaan: zij zou daar niet bij betrokken zijn. Ook dit acht de rechtbank in het normaal economisch verkeer niet begrijpelijk. [bedrijf 4] , het bedrijf dat vervolgens een lening zou zijn aangegaan bij [bedrijf 3] , is net als de andere bedrijven niet vindbaar online en bovendien heeft [verdachte] verklaard dat het een ‘shelved company’ is, waaruit de rechtbank opmaakt dat er geen bedrijfsactiviteiten worden ontplooid. Dat betekent dat [bedrijf 3] , net als [bedrijf 2] , een leningsovereenkomst zou hebben verstrekt zonder ook maar enige zekerheid te hebben dat die lening wordt terugbetaald. De rechtbank acht ook dit aspect van de verklaring van [verdachte] hoogst onwaarschijnlijk. Dat [verdachte] haar persoonlijke onroerende goederen in onderpand gegeven zou hebben – die in waarde de hoogte van de lening niet dekken - waar met behulp van een huurconstructie de aflossingen van de lening zouden worden betaald, acht de rechtbank eveneens hoogst onwaarschijnlijk.

Tot slot weegt de rechtbank nog de volgende omstandigheid uit het dossier mee, die op geen enkele wijze te rijmen is met de verklaring van [verdachte] . Tijdens de doorzoeking van de woning van [verdachte] zijn twee bankkaarten van de bank [bank 2] , gevestigd in Zuid-Afrika, aangetroffen. De ene kaart stond op naam van [bedrijf 4] , de andere op naam van [bedrijf 3] . Beide kaarten waren volgens de envelop op hetzelfde adres geleverd (het adres van de bank) en op dezelfde datum aangevraagd. De lening tussen Royal Square en [bedrijf 4] zou op 26 oktober 2017 zijn afgesloten, de bankkaarten dateren van 23 december 2019. Het voorgaande sterkt de rechtbank in de overtuiging dat ook de (papieren) leningsconstructie met Royal Square Investment uitsluitend bedoeld is geweest om te verhullen wat de daadwerkelijke herkomst van de gelden is. De verklaring van [verdachte] dat zij samen met de heer [getuige] naar de bank is gegaan – zonder daartoe voorafgaand met de bank een afspraak te maken- om de rekeningen te openen, dat ze direct de bankpassen meekregen, en dat zij per ongeluk ook de pas van [bedrijf 3] heeft meegenomen is naar het oordeel van de rechtbank ongeloofwaardig.

De getuigenverklaring van de heer [getuige] bevestigt hetgeen hierboven reeds is overwogen. [getuige] heeft verklaard slechts op papier directeur van [bedrijf 3] te zijn en er verder niets van weten. Ten aanzien van het openen van de bankrekening bij [bank 2] heeft hij desgevraagd verklaard dat dit in opdracht van de heer [betrokkene 2] (rechtbank: ook [betrokkene 2] genoemd) is gedaan, maar dat hij ook daar verder niets van wist. Ook zou hij geen lening tussen [bedrijf 3] en [bedrijf 4] hebben ondertekend of goedgekeurd en geen lening tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben afgelost. Hij zou de gegevens van de [bank 2] -rekening hebben overgedragen in de veronderstelling dat [betrokkene 2] een woning kocht voor verdachte in Nederland. Volgens getuige [getuige] was [verdachte] de persoonlijk assistent van deze [betrokkene 2] . Deze verklaring van de heer [getuige] staat haaks op de verklaring van [verdachte] dat sprake zou zijn geweest van een reële contractsovername.

Alles afwegende concludeert de rechtbank dat het vermoeden van witwassen niet is weerlegd door de verklaring van de vertegenwoordiger van verdachte. Het Openbaar Ministerie behoefde hier geen nader onderzoek naar te doen. Met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de aankoop van het appartement aan de [adres] te Utrecht met geld is gefinancierd uit legale herkomst. Naar het oordeel van de rechtbank kan een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring van de waargenomen feiten en omstandigheden gelden.

Wetenschap.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de vertegenwoordiger van verdachte wetenschap had van de illegale herkomst van dit geld. De rechtbank overweegt daartoe dat gelet op de hierboven geschetste constructie – een lening tussen een lege Nederlandse B.V. met een onvindbare [bedrijf 2] uit Hong Kong, overgesloten naar een lening bij een Zuid-Afrikaans bedrijf met een directeur die heeft verklaard alleen op papier een functie te hebben, met een “shelved” Zuid-Afrikaans bedrijf – er bewust moet zijn gekozen voor verhulling van de daadwerkelijke herkomst van de gelden. Gelet op de rol van [verdachte] binnen de verschillende bedrijven kan het niet anders zijn geweest dan dat [verdachte] zich bewust is geweest van die verhullende constructie. Het verweer dat andere partijen in Nederland, zoals de notaris en de [bank 1] , ook geen vragen hebben gesteld bij de aankoop van de woning treft geen doel, nu zij anders dan [verdachte] geen zicht hadden op de onwaarachtigheid van de constructie. Gelet op het hiervoor overwogene komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat de vertegenwoordiger van verdachte op het moment van afsluiten van de leningovereenkomst met [bedrijf 2] wist van de illegale herkomst van het geld.

Toerekenbaarheid rechtspersoon.

De vertegenwoordiger van verdachte is een leningovereenkomst aangegaan namens [bedrijf 1] met [bedrijf 2] , waarna vanuit [bedrijf 2] het geld is overgeboekt naar [bedrijf 1] waarvan de aankoop van het appartement in Utrecht is gefinancierd. Aan de hand van het Uittreksel van de Kamer van Koophandel stelt de rechtbank vast dat de bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 1] onder meer zouden omvatten het investeren in onroerend goed. De aankoop van het appartement valt daarmee naar het oordeel van de rechtbank onder de normale bedrijfsvoering. Het ontvangen van het geld van [bedrijf 2] is naar het oordeel van de rechtbank ook dienstig geweest aan het uitgeoefende bedrijf binnen de rechtspersoon, nu daarmee het appartement kon worden aangeschaft.

Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde gedragingen hebben zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon.

Die gedragingen kunnen daarom in redelijkheid aan de verdachte worden toegerekend.

Conclusie.

De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het witwassen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de periode van 4 november 2016 tot en met heden in Nederland zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, immers heeft verdachte van geld en de woning gelegen aan het adres [adres] , kadastraal bekend als [kadaster] ,

(sub a)

de werkelijke aard en de herkomst verhuld

(sub b)

verworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,

terwijl zij wist dat dat geld en voorwerp geheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig waren uit enig misdrijf.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezenverklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd om aan verdachte een geldboete ter hoogte van € 20.000,00 op te leggen en de verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht. Voorts heeft de officier van justitie een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangekondigd indien de rechtbank niet zal overgaan tot verbeurdverklaring van het pand.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft strafmaatverweer gevoerd, door aan te voeren dat bij verbeurverklaring van het pand de vertegenwoordiger van de verdachte zwaar zou treffen omdat het haar woning is.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met draagkracht van de rechtspersoon.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van het feit.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen door de aankoop van een pand in Utrecht te financieren met uit misdrijf afkomstig geld. Witwassen leidt tot ontwrichting van het economische en financiële verkeer, omdat daarbij de (criminele) herkomst van gelden wordt verhuld en daarmee aan het zicht van de opsporingsautoriteiten wordt onttrokken. De integriteit van het financieel en economisch bestel wordt daardoor ernstige schade toegebracht. Verdachte heeft gebruik gemaakt van een schimmige en ondoorzichtige financieringsconstructie voor de aanschaf van het pand, waarbij gebruik is gemaakt van internationale schakels. Verdachte is voor de aanschaf van het pand listig en geraffineerd te werk gegaan en heeft geen enkel inzicht gegeven in de werkelijke financiering daarvan. Dit rekent de rechtbank verdachte zeer aan.

Voorts overweegt de rechtbank dat [bedrijf 1] enkel is opgericht voor de aanschaf van de [adres] te Utrecht, en daarmee voor het plegen van een strafbaar feit. De rechtbank houdt hiermee in het nadeel van verdachte rekening mee.

Aan de andere kant weegt de rechtbank mee dat de feitelijke leidinggevende van verdachte ook is vervolgd voor witwassen, en daarvoor een gevangenisstraf krijgt opgelegd.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie van 13 oktober 2025 betreffende verdachte. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder veroordeeld is geweest voor strafbare feiten. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee.

Schending van de redelijke termijn.

De rechtbank overweegt dat in artikel 6, eerste lid van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat jegens verdachte een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Als uitgangspunt heeft in dit kader te gelden dat de behandeling op de zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.

De vertegenwoordiger van verdachte is op 22 februari 2023 voor het eerst door de politie verhoord.

Hoewel het (eerste) verhoor van de verdachte in de jurisprudentie in beginsel niet als een handeling wordt beschouwd waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem een strafvervolging zal worden ingesteld, gaat de rechtbank daar in deze zaak wel vanuit. De redelijke termijn is dus aangevangen op 22 februari 2023. De rechtbank heeft einduitspraak gedaan op 30 juni 2026. Daarmee is de redelijke termijn met 1 jaar en 4 maanden overschreden. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de oudheid van het gepleegde feit.

Straf

De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande en op hetgeen hierna wordt overwogen met betrekking tot het in beslag genomen pand, geen aanleiding om naast de verbeurdverklaring van het pand nog een geldboete op te leggen.

Verbeurdverklaring beslag

De rechtbank is van oordeel dat het pand aan de [adres] te Utrecht vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met betrekking tot welke het witwasfeit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde. De rechtbank is van oordeel dat de straf van verbeurdverklaring van het onroerend goed dat verdachte door de strafbare feiten heeft verkregen een passende straf is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

33, 33a, 51, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

het bewezenverklaarde levert op het misdrijf:

witwassen, begaan door een rechtspersoon

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

  • verbeurdverklaring van het pand aan de [adres] te Utrecht.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.H.C. Merkx, voorzitter.

mr. A.C. Palmboom en mr. F.H.E. Boerma, leden, en

in tegenwoordigheid van mr. L.A.P.H. Kirkels en mr. S.B.J. de Leeuw, griffier.

en is uitgesproken op 30 juni 2026.

Mai Multe Decizii