[{"data":1,"prerenderedAt":-1},["ShallowReactive",2],{"decision-ecli-nl-rbove-2026-3409":3,"decision-more-ecli-nl-rbove-2026-3409":20},{"id":4,"ecli":5,"caseNumber":6,"courtId":7,"courtName":8,"courtSlug":9,"decisionDate":10,"fullText":11,"language":12,"source":13,"sourceUrl":14,"summary":6,"slug":15,"metadata":16},"1918","ECLI:NL:RBOVE:2026:3409","",57,"Zwolle","zwolle","2026-06-18T00:00:00.000Z","RECHTBANK OVERIJSSEL\n\nTeam Strafrecht\n\nMeervoudige kamer\n\nZittingsplaats Zwolle\n\nParketnummer: 08.099608.25 (P)\n\nDatum vonnis: 18 juni 2026\n\nVonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:\n\n [verdachte],\n\ngeboren op [geboortedatum 1] 1979 in [geboorteplaats 1] ,\n\nwonende aan de [adres 1] .\n\n1. Het onderzoek op de terechtzitting\n\nDit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 28 mei 2026 en 4 juni 2026.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en haar raadsman mr. D.C.O. Ayinla, advocaat in Rotterdam, naar voren is gebracht.\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van de door [slachtoffer 1] voorgedragen slachtofferverklaring en van de namens [getuige 1] voorgedragen slachtofferverklaring. Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat namens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] (hierna [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) door\n\nmr. D. van Bommel, advocaat in Arnhem, is aangevoerd en van wat namens de benadeelde partijen [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door mr. A.C. van de Vosse, advocaat in Zwolle, is aangevoerd.\n\n2. De tenlastelegging\n\nDe verdenking komt er, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025, samen met een ander:\n\nfeit 1:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft ontvoerd;\n\nfeit 2:haar minderjarige kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft onttrokken aan het wettig gezag of aan het opzicht dat over hen werd uitgeoefend, terwijl de kinderen jonger waren dan twaalf jaar en terwijl er bij de onttrekking geweld is gebruikt en\u002Fof bedreigd is met geweld;\n\nfeit 3: een stroomstootwapen voorhanden heeft gehad.\n\nVoluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:\n\n1. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid heeft\u002Fhebben beroofd en\u002Fof beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets af te trappen en\u002Fof te duwen (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken\u002Fsleuren en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te duwen\u002Fplaatsen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder te tillen en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette (huur)auto en\u002Fof - (vervolgens) te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België te vervoeren (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,(meermalen) opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het wettig over hem\u002Fhaar gesteld gezag en\u002Fof aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarige(n) beneden de twaalf jaren oud was\u002Fwaren en terwijl verdachte en\u002Fof medeverdachte geweld en\u002Fof bedreiging met geweld heeft\u002Fhebben gebezigd, immers hebben verdachte en\u002Fof medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) van haar fiets getrapt en\u002Fof geduwd (waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam) en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] (met kracht) (over de grond) naar de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en\u002Fof gesleurd en\u002Fof haar (vervolgens) in die auto te geduwd en\u002Fof geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en\u002Fof (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] uit de auto van diens pleegmoeder getild en\u002Fof in de bij verdachte en\u002Fof medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en\u002Fof - (vervolgens) met voornoemde auto [slachtoffer 1] en\u002Fof [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de pleegmoeder en\u002Fof - (vervolgens) voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette (huur) auto en\u002Fof - (vervolgens) gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken omdat haar anders een schock zou worden gegeven en\u002Fof pijn zou worden gedaan en\u002Fof - (vervolgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] met die (huur)auto via Duitsland naar België vervoerd (terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en\u002Fof kleding en\u002Fof andere attributen) en\u002Fof - (volgens) [slachtoffer 2] en\u002Fof [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door verdachte en\u002Fof medeverdachte gehuurd appartement;\n\n3. zij in of omstreeks de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 te Dalfsen en\u002Fof [plaats 2] (België), in ieder geval in Nederland en\u002Fof België, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad.3. De voorvragen\n\n3.1. Preliminair verweer\n\nDe verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie met betrekking tot feit 3 niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De vervolging van de verdachte is op grond van het specialiteitsbeginsel beperkt tot de strafbare feiten waarvoor de verdachte is overgeleverd. De overlevering is alleen verzocht voor de eerste twee ten laste gelegde feiten, niet voor het derde.\n\n3.2. Het oordeel van de rechtbank\n\nDe ontvankelijkheid van de officier van justitie\n\nIn de Overleveringswet is onder andere geregeld hoe een persoon in verband met een strafrechtelijk onderzoek door justitiële autoriteiten van de ene lidstaat van de Europese Unie aan de justitiële autoriteiten van een andere lidstaat overgeleverd kan worden. Artikel 14 van de Overleveringswet bepaalt het volgende: “Overlevering wordt niet toegestaan dan onder het algemene beding, dat de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd, gestraft of op enige andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt, ter zake van feiten die vóór het tijdstip van zijn overlevering zijn begaan en waarvoor hij niet is overgeleverd, tenzij (…)”.Na de tenzij-bepaling volgen zeven uitzonderingen op die hoofdregel (onderdelen a-g).\n\nDe uitlevering van verdachte heeft plaatsgevonden op basis van een Europees aanhoudingsbevel (EAB). In het EAB verzocht Nederland aanhouding en overlevering van de verdachte in verband met een verdenking van, kortgezegd, wederrechtelijke vrijheidsberoving (feit 1) en het onttrekken aan het gezag (feit 2). In het EAB is niet het voorhanden hebben van een stroomstootwapen opgenomen (feit 3). Nu de overlevering niet zag op dit feit, kan verdachte hiervoor in beginsel niet voor worden vervolgd en gestraft. De rechtbank overweegt dat van een uitzondering zoals opgenomen in artikel 14, eerste lid, a tot en met g van de Overleveringswet geen sprake is. Dat de Belgische procureur des Konings (de Belgische officier van justitie) de officier van justitie in Nederland om vervolging van het wapenfeit heeft verzocht, is geen omstandigheid die onder de uitzonderingen valt en doet niet af aan de beperkingen van de vervolging. De rechtbank verklaart de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk in zijn vervolging van het ten laste gelegde feit 3.\n\n4. De bewijsmotivering\n\n4.1. Inleiding\n\nOp maandag 31 maart 2025 om 08.13 uur ontvangt de politie een telefonische melding van [getuige 1] dat de elfjarige [slachtoffer 1] en de zesjarige [slachtoffer 2] zijn meegenomen door hun ouders. De ouders betreffen [verdachte] (verdachte) en [medeverdachte] (medeverdachte). De kinderen zijn sinds 12 april 2021 uit huis geplaatst en onder toezicht gesteld van Stichting Jeugdbescherming Overijssel. Ze verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] bij gezinshuisouder [getuige 1] .\n\nNa deze melding is de politie een grootschalig opsporingsonderzoek gestart. De ouders reden in een Mitsubishi, welke auto omstreeks 08.25 uur leeg werd aangetroffen op een parkeerplaats bij het treinstation in Dalfsen. Aan het begin van de middag is er een landelijk AMBER Alertuitgegeven. Het opsporingsonderzoek leidt de politie uiteindelijk naar [plaats 2] in België. In de nacht van 1 april 2025 worden verdachten met de kinderen aangetroffen in een appartement in [plaats 2] .\n\n Vanuit de Raad voor de Kinderbescherming lag een advies om het gezag van de ouders te beëindigen. Het wettelijk gezag lag nog bij de ouders. Zij meenden op dat moment in hun recht te staan om de kinderen op te halen en mee te nemen naar België. Inmiddels is het gezag van de verdachten over [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] sinds 10 juni 2025 beëindigd.\n\n4.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Verdachte heeft deze feiten samen met medeverdachte [medeverdachte] gepleegd, zodat er sprake is van medeplegen.\n\n4.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman bepleit primair integrale vrijspraak. Subsidiair bepleit de raadsman verdachte vrij te spreken van de onderdelen in de tenlastelegging die zien op geweldshandelingen.\n\n4.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nFeiten en omstandigheden\n\nDe rechtbank stelt op basis van de inhoud van het dossier en van wat ter terechtzitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.\n\nVerdachte heeft op 31 maart 2025 samen met medeverdachte [medeverdachte] hun kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opgehaald en meegenomen naar België. De kinderen waren op dat moment al bijna vier jaar uit huis geplaatst en zij stonden onder toezicht van JBOV. De kinderen verbleven in het kader van hun uithuisplaatsing in een gezinshuis in [plaats 1] op een voor verdachten geheim adres bij de gezinshuisouder [getuige 1] . JBOV was niet op de hoogte van de plannen van verdachte om de kinderen mee te nemen naar België.\n\nOp maandagmorgen 31 maart 2025 fietste de elfjarige [slachtoffer 1] naar school. Op enig moment werd zij geblokkeerd door een auto. Medeverdachte [medeverdachte] bestuurde de auto en verdachte was bijrijder. Verdachte stapte uit de auto en duwde [slachtoffer 1] van haar fiets waardoor [slachtoffer 1] viel. Verdachte trok [slachtoffer 1] vervolgens over de grond richting hun auto en duwde [slachtoffer 1] erin. Dit gebeurde terwijl [slachtoffer 1] om hulp schreeuwde en zich afzette tegen de auto. Verdachte hield haar hand voor de mond van [slachtoffer 1] om het schreeuwen te stoppen. [slachtoffer 1] werd in de auto richting de grond geduwd door verdachte. [slachtoffer 1] moest meewerken, anders zouden ze haar pijn doen. Vervolgens reden verdachten naar het gezinshuis waar de kinderen verbleven. Daar aangekomen, zagen ze dat hun zesjarige zoon [slachtoffer 2] in de auto van gezinshuisouder [getuige 1] zat. Medeverdachte [medeverdachte] stapte uit zijn auto en liep naar de auto van [getuige 1] . Hij opende het portier, tilde [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] en plaatste [slachtoffer 2] vervolgens in hun eigen auto. Verdachten reden vervolgens met hun kinderen weg en wisselden hun auto bij het station in Dalfsen voor een huurauto die daar eerder klaargezet was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft een auto gehuurd om een voorsprong op de Nederlandse politie te krijgen, zodat ze niet tegengehouden konden worden. Verdachten reden vervolgens met de kinderen via Hardenberg de grens over naar Duitsland naar hun huurappartement in België. Verdachten hadden voor de kinderen en voor henzelf andere kleding, nepbrillen en pruiken mee die als vermomming dienden om herkenning te voorkomen. Die middag kwamen verdachten met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] aan in hun huurappartement in België, waar zij die nacht 1 april 2025 zijn aangetroffen.\n\nOverwegingen van de rechtbank\n\nOp het moment van het meenemen van de kinderen stonden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel (JBOV). JBOV is in dat kader bevoegd opzichter over de kinderen. Daar komt bij dat de rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in een gezinshuis bij beschikking van 5 juli 2024 heeft verlengd tot 5 juli 2025.\n\nDoor de kinderen mee te nemen, zonder toestemming van JBOV en zonder hen te informeren, en in strijd met de rechterlijke machtiging tot uithuisplaatsing de kinderen onderdak te verlenen in hun appartement in België, hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] , hoewel zij nog ouderlijk gezag hadden, de kinderen onttrokken aan het bevoegd opzicht van JBOV.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de voorbereidingen die verdachten hebben getroffen en de wijze waarop de kinderen door verdachten zijn meegenomen, er op wijzen dat zij wel degelijk wisten dat wat zij deden juridisch ontoelaatbaar was. Verdachten hebben de kinderen meegenomen zonder overleg met JBOV, ze hebben de routes van de kinderen naar school eerder verkend, net als de wijze waarop de kinderen naar school gingen, dit terwijl de kinderen op een voor de ouders geheim adres verbleven. Verder hebben zij de huurauto en vermommingen gebruikt om uit handen van de politie te blijven. Dit alles wijst er op dat het voor verdachte en medeverdachte [medeverdachte] volstrekt duidelijk was dat zij niet gerechtigd waren om de kinderen zonder toestemming van JBOV mee te nemen en dat zij opzettelijk wederrechtelijk hebben gehandeld.\n\nVerdachte stelt dat zij de instanties op de hoogte heeft gebracht van de verhuizing. Verdachte doelt daarmee op een e-mail die vanuit het e-mailadres van medeverdachte [medeverdachte] is verzonden naar de gemeente Dalfsen over een verhuizing naar het buitenland. Deze e-mail werd pas om 16.01 uur in de middag verzonden, terwijl de kinderen al rond 08.00 uur meegenomen waren door verdachte en [medeverdachte] . De e-mail bevatte bovendien geen nieuw adres of verblijfplaats van de kinderen. Deze stelling van verdachte kan de rechtbank dan ook niet volgen en neemt de wederrechtelijkheid van het handelen niet weg.\n\nDoor de feitelijke wijze van handelen hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zich ook schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de kinderen. De kinderen werden van hun vrijheid beroofd door hen, ongevraagd en bij [slachtoffer 1] zelfs uitdrukkelijk tegen haar zin, in de auto te zetten en mee te voeren naar België.\n\nHoewel verdachte ontkent geweld te hebben gebruikt of bedreigd te hebben met geweld, heeft de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring over de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring gedetailleerd en consistent. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer 1] afgelegde verklaring op concrete onderdelen steun vindt in andere bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van getuige [getuige 2] . [getuige 2] wordt door de rechtbank als onafhankelijke en betrouwbare getuige beschouwd.\n\nDe verdediging heeft [slachtoffer 1] –​​ ondanks de initiatieven daartoe – niet kunnen ondervragen. De rechtbank komt tot het oordeel dat de procedure als geheel eerlijk is verlopen en overweegt in dat verband het volgende. De rechtbank heeft de verdediging geen ondervragingsgelegenheid geboden, omdat [slachtoffer 1] kwetsbaar en jong (13 jaar) is. Zoals eerder overwogen vindt haar verklaring steun in de verklaring van de onafhankelijke getuige [getuige 2] . Hij verklaart onder andere over het hardhandig van de fiets duwen en over hoe het meisje hardhandig het voertuig werd ingetrokken. [slachtoffer 1] ’s verklaring vindt ook steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte verklaart onder andere dat ze [slachtoffer 1] vastgepakt heeft, dat [slachtoffer 1] van haar fiets viel, dat [slachtoffer 1] de auto niet in wilde en worstelde, dat ze [slachtoffer 1] richting de auto heeft getrokken en dat ze een hand voor [slachtoffer 1] ’s mond hield tegen het schreeuwen. Daarnaast heeft [slachtoffer 1] na de gebeurtenissen haar verhaal gedaan bij onder andere getuigen [getuige 1] , [getuige 3] en [getuige 4] . Haar verhaal over de gebeurtenissen tegenover hen komt op grote lijnen overeen. Tot slot heeft het verhoor van [slachtoffer 1] plaatsgevonden door een gecertificeerd studio-verhoorder, in een kindvriendelijke verhoorstudio en het verhoor is audiovisueel vastgelegd. De verdediging is in de gelegenheid gesteld om het verhoor te bekijken, te beoordelen en te controleren.\n\nDe rechtbank acht, gelet op wat hiervoor is overwogen, dat er voldoende compensatie is geboden voor het ontbreken van de ondervragingsgelegenheid en is van oordeel dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, zodat sprake is van medeplegen.\n\nAl met al acht de rechtbank de ten laste gelegde feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen.\n\n4.5. De bewezenverklaring\n\nDe rechtbank acht op grond van de in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n1. zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013) wederrechtelijk van de vrijheid hebben beroofd en beroofd gehouden, door - [slachtoffer 1] met de auto te blokkeren en\n\n- [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets te duwen waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te trekken en haar in die auto te duwen en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vast te houden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] te houden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond te duwen en - vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder te tillen en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto te plaatsen en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weg te voeren van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto te wisselen met een vooraf klaargezette huurauto en - te dreigen dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België te vervoeren terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België onder te brengen in een door medeverdachte gehuurd appartement;\n\n2. zij in de periode 31 maart 2025 tot en met 1 april 2025 in Nederland en België, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een minderjarige, te weten [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 2] 2018) en [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] (geboren [geboortedatum 3] 2013), heeft onttrokken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem\u002Fhaar uitoefende, terwijl die minderjarigen beneden de twaalf jaren oud waren en terwijl verdachte en medeverdachte geweld en bedreiging met geweld hebben gebezigd, immers hebben verdachte en medeverdachte - [slachtoffer 1] met de auto geblokkeerd en - [slachtoffer 1] met kracht van haar fiets geduwd waardoor [slachtoffer 1] ten val kwam en - [slachtoffer 1] (over de grond) naar de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto getrokken en haar in die auto geduwd en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto vastgehouden en (meermalen) een hand voor de mond van [slachtoffer 1] gehouden en - [slachtoffer 1] in voornoemde auto (meermalen) naar de grond geduwd en - vervolgens [slachtoffer 2] uit de auto van diens gezinshuisouder getild en in de bij verdachte en medeverdachte in gebruik zijnde auto geplaatst en - met voornoemde auto [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] weggevoerd van de woning van de gezinshuisouder en - voornoemde auto gewisseld met een vooraf klaargezette huur auto en - gedreigd dat [slachtoffer 1] mee moest werken, omdat haar anders pijn zou worden gedaan en - [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] met die huurauto via Duitsland naar België vervoerd terwijl zij vermomd moesten zijn met pruiken en kleding en andere attributen en\n\n- [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] in België ondergebracht in een door medeverdachte gehuurd appartement.\n\nDe rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij haar daarvan zal vrijspreken.\n\nDe rechtbank heeft in de tenlastelegging het woord ‘pleegmoeder’ gewijzigd in ‘gezinshuisouder’ en [slachtoffer 2] in [slachtoffer 2] . De rechtbank is van oordeel dat verdachte daardoor niet is geschaad in de verdediging.\n\n5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 47, 282 en 279 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:\n\nfeiten 1 en 2\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen gepleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd.\n\n6. De strafbaarheid van verdachte\n\nEr zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.\n\n7. De op te leggen straf of maatregel\n\n7.1. De vordering van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie vordert primair verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van achttien maanden met aftrek van het voorarrest en tot een maatregel terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met dwangverpleging. Subsidiair vordert de officier van justitie verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf van veertig maanden, met aftrek van het voorarrest.\n\nDaarnaast vordert de officier van justitie als vrijheidsbeperkende maatregelen de oplegging van een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van vijf jaren, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van drie weken wordt toegepast met een maximum van zes maanden. De maatregelen dienen dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard. De officier van justitie vordert tot slot de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen in verband met de recidivegrond.\n\n7.2. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman stelt zich op het standpunt dat er sprake is geweest van een vormverzuim. Verdachte is aangehouden op basis van een mondelinge EAB, terwijl een schriftelijk EAB is vereist. Dit dient volgens de raadsman te leiden tot strafvermindering.\n\nDe raadsman verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest, eventueel gecombineerd met een voorwaardelijk strafdeel. De raadsman verzet zich tegen het opleggen van een tbs-maatregel, omdat niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan en het opleggen van de maatregel niet proportioneel is. De raadsman verzet zich tegen het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis, omdat er geen gronden zijn die hier aanleiding toe geven.\n\n7.3. De gronden voor een straf of maatregel\n\nBij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.\n\nAard en ernst van de strafbare feiten\n\nVerdachte heeft zich samen met medeverdachte [medeverdachte] schuldig gemaakt aan het ontvoeren van haar uithuisgeplaatste kinderen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en het onttrekken van hen aan het opzicht van JBOV. De kinderen zijn sinds 2021 uit huis geplaatst en daar zijn verdachten het niet mee eens. Daarnaast dreigde hun ouderlijk gezag beëindigd te worden, waardoor ze hun kinderen wilden meenemen naar België om hun zaak daar aan een rechter voor te leggen.\n\nVerdachten hebben [slachtoffer 1] , die nietsvermoedend onderweg naar school was, van haar fiets geduwd en in de auto getrokken, vervolgens is [slachtoffer 2] bij het gezinshuis uit de auto van de gezinshuisouder gehaald en daarna zijn verdachten met hun kinderen via Duitsland naar België gereden. Verdachten hadden hun plannen grondig voorbereid. Ze hadden een auto gehuurd waarin ze tijdens hun vlucht konden overstappen en ze hadden vermomming mee voor onderweg om herkenning te voorkomen.\n\nVerdachte heeft voor eigen rechter gespeeld en dat keurt de rechtbank ten strengste af. De kinderen waren immers niet voor niets onder toezicht gesteld en uit huis geplaatst. Ze verbleven al bijna vier jaar niet meer bij verdachten en werden van de een op de andere dag uit hun vertrouwde omgeving weggehaald, zonder enig overleg of toestemming van JBOV. Daarbij is het gebruik van geweld niet geschuwd. Door niet de belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar hun eigen belangen voorop te stellen, hebben verdachte en haar medeverdachte de rechterlijke beslissingen aan hun laars gelapt en het systeem van kinderbescherming, waarbinnen juist de veiligheid van de kinderen voorop staat, op ingrijpende wijze aangetast.\n\nHet handelen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft negatieve gevolgen gehad voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] ervaart sinds de ontvoering veel angst, stress, gevoelens van onveiligheid en zij is zeer alert. Beide kinderen zijn bang dat ze nogmaals onverwacht mee zullen worden genomen. [slachtoffer 1] heeft tijdens haar spreekrecht op indrukwekkende wijze verteld hoe zij de ontvoering en de onttrekking heeft ervaren en welke gevolgen zij hier nog steeds van ondervindt. Ook voor de gezinshuisouder en de andere kinderen in het gezinshuis hebben de strafbare feiten impact gehad.\n\nPersoon van de verdachte\n\nDe rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van verdachte van 11 mei 2026. Daaruit volgt dat verdachte de afgelopen jaren niet voor soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld. In 2005 is verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor (kinder)mishandeling. Nu deze veroordeling ruim 20 jaar geleden is, houdt de rechtbank hier niet in strafverzwarende zin rekening mee.\n\nVerdachte is in het [locatie] geplaatst voor onderzoek naar haar geestvermogens en om inzicht te krijgen in haar persoon. Verdachte heeft haar medewerking aan het onderzoek geweigerd. Omdat verdachte niet meewerkt, kunnen de onderzoekers niet vaststellen of er bij verdachte sprake is van een of meerdere stoornissen en of er sprake is geweest van een eventuele doorwerking van een of meerdere stoornissen in het ten laste gelegde. De indruk bestaat dat er geen sprake is van ernstige psychiatrische beelden.\n\nIn het beeld dat onderzoekers van verdachte hebben kunnen krijgen, staan strijd en verzet voorop. Er is sprake van een disfunctioneel patroon van conflicthantering, waardoor verdachte gaandeweg in conflict is geraakt met een groot deel van de betrokken professionals. Verdachte lijkt onwillig of onvermogend om op zichzelf te reflecteren en heeft onvoldoende oog voor wat haar gedrag betekent voor anderen. Ze weerspreekt, beklaagt en verzet zich tegen wat vanuit instanties (school van de kinderen, hulpverlening, Raad voor de Kinderbescherming, Veilig Thuis, politie en justitie) wordt aangedragen op een manier die de samenwerking belemmert of zelfs onmogelijk maakt.\n\nVormverzuim?\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de raadsman niet heeft voldaan aan zijn stelplicht met betrekking tot het door hem gestelde vormverzuim. De raadsman heeft onvoldoende gemotiveerd welk nadeel door het verzuim voor de verdachte zou zijn veroorzaakt. Aan strafvermindering in dat kader komt de rechtbank daarom niet toe.\n\nStraf en\u002Fof maatregel\n\nDe officier van justitie heeft onder andere gevorderd tbs met dwangverpleging aan verdachte op te leggen. Voor het opleggen van een dergelijke maatregel gelden wettelijke vereisten. Er dient sprake te zijn van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld dan wel een in de wet aangewezen delict, van een verdachte bij wie ten tijde van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dienen het opleggen van de maatregel te vereisen. De rechtbank dient te beschikken over een recente multidisciplinaire gedragsrapportage.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende diagnostische gegevens voorhanden zijn om een uitspraak te kunnen doen over de aanwezigheid van een stoornis bij verdachte, over de toerekeningsvatbaarheid, over de kans op recidive en over de behandelbaarheid van verdachte. De rechtbank kan op basis van het rapport van het [locatie] , het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, niet vaststellen dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van haar geestvermogens. Dit is één van de criteria die de wet aan het opleggen van een tbs-maatregel stelt, waardoor de rechtbank reeds daarom geen mogelijkheid en reden ziet om een tbs-maatregel op te leggen.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat in verband met de ernst van de door verdachte gepleegde feiten, met daarbij de strafverzwarende omstandigheden van de nog jonge leeftijd van de kinderen (onder de twaalf jaar) en het toepassen van (bedreiging met) geweld, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige straf dan een gevangenisstraf.\n\nDe rechtbank heeft gekeken naar uitspraken in vergelijkbare zaken. De rechtbank ziet dat de omstandigheden van andere ontvoerings- of onttrekkingszaken sterk variëren waardoor er uiteenlopende straffen worden opgelegd.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de straf die zij zal opleggen de ernst van het bewezenverklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en zal een fors voorwaardelijk deel opleggen om te voorkomen dat verdachte opnieuw de fout ingaat. Bij de strafoplegging heeft de rechtbank bovendien oog voor het principe van de generale preventie. De straf die aan verdachte wordt opgelegd dient van zodanige orde en zwaarte te zijn dat navolging van haar handelwijze door anderen wordt ontmoedigd. Omdat het vaker zal voorkomen dat ouders van wie hun kind tegen hun wil uit huis is geplaatst, de sterke wens kunnen hebben hun kind weer zelf op te voeden, acht de rechtbank dit van belang. Een te lichte straf heeft onvoldoende afschrikkende werking.\n\nDe rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan zeventien maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De proeftijd bedraagt drie jaren. Dit betekent dat verdachte het onvoorwaardelijke deel van de gevangenisstraf reeds heeft ondergaan.\n\nDe rechtbank zal daarnaast - op grond van artikel 38v Sr - als vrijheidsbeperkende maatregelen een contactverbod met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] opleggen en een locatieverbod voor de gemeenten Dalfsen, Kampen en Zwolle voor de duur van drie jaren. Per overtreding van de maatregel zal vervangende hechtenis van 1 week uitgezeten dienen te worden. De totale duur van de vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste zes maanden. De rechtbank zal bij het opleggen van deze maatregelen rekening houden met de mogelijkheid tot (begeleid) contact tussen de kinderen en verdachte, indien dat contact op aanwijzing van de voogd, JBOV, gewenst en uitvoerbaar is.\n\nDe rechtbank beveelt dat de opgelegde maatregelen dadelijk uitvoerbaar zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich belastend zal gedragen ten opzichte van bepaalde personen. Dit gevaar richt zich met name op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . De rechtbank acht het van belang dat zij zich vrijelijk binnen de genoemde gemeentes moeten kunnen bewegen en dat zij beschermd worden tegen ongevraagd contact met verdachte. De belangen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] wegen in dit kader zwaarder dan het belang van verdachte.\n\n8. Voorwaardelijk verzoek\n\nAangezien de rechtbank in haar beoordeling zoals hiervoor overwogen geen gebruik maakt van dossierstukken uit het opsporingsonderzoek ‘Alpaca’, behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van getuigen geen bespreking.\n\n9. De schade van benadeelden\n\n9.1. De vorderingen van de benadeelde partijen\n\nAls benadeelde partijen hebben zich in dit strafproces gevoegd: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , gezinshuisouder [getuige 1] en gezinshuiskinderen [naam 1] en [naam 2] .\n\nVorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\n [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 10.000,-- bestaande uit vergoeding van immateriële schade. De benadeelden doen een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nVorderingen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]\n\n [getuige 1] vordert in totaal een bedrag van € 13.350,77, waarvan € 5.350,77 materiële schadevergoeding betreft en € 8.000,-- immateriële schadevergoeding.\n\nDe materiële schade van [getuige 1] bestaat volgens haar uit de volgende posten:\n\nReiskosten voor medische behandelingen € 158,--;\n\nMedische kosten fysiotherapie en haptonomie € 900,--;\n\nKosten informatieverstrekking huisarts € 67,60\n\nKosten beveiligingssysteem en huren woning. € 4.225,17.\n\n [naam 1] en [naam 2] vorderen ieder afzonderlijk, verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 4.000,-- bestaande uit vergoeding voor immateriële schade.\n\nDe benadeelde partijen [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] doen ten aanzien van de immateriële schade primair een beroep op shockschade en subsidiair een beroep op artikel 6:106 aanhef en onder b BW waarin aanspraak op immateriële schadevergoeding bestaat in het geval waarin de benadeelde ‘op andere wijze in zijn persoon is aangetast’.\n\nDe benadeelde partijen vorderen allen het bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan.\n\n9.2. Het standpunt van de officier van justitie\n\nDe officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen toegewezen kunnen worden, inclusief wettelijke rente.\n\n9.3. Het standpunt van de verdediging\n\nDe raadsman verzoekt primair de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen. Subsidiair verzoekt de raadsman de hoogte van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te matigen.\n\n9.4. Het oordeel van de rechtbank\n\nBeoordeling van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]\n\nVergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn op deze laatste grondslag is gebaseerd. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon.\n\nDe rechtbank overweegt het volgende.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat de beoordeling van de aard en de ernst van de normschending en de nadelige gevolgen in deze zaak verschillend zijn voor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . In verband met het toegepaste geweld en de bedreiging met geweld ten aanzien van [slachtoffer 1] , acht de rechtbank de aard en de ernst van de normschending voor [slachtoffer 1] ingrijpender, waardoor een aantasting in de persoon meer voor de hand ligt. [slachtoffer 1] heeft daarnaast voldoende concrete gegevens overgelegd waaruit de nadelige gevolgen die de normschending voor haar hebben gehad, blijken. Zo is er EMDR en speltherapie voor haar ingezet. De rechtbank acht in het geval van [slachtoffer 1] op basis van haar onderbouwing van de nadelige gevolgen een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 3.000,-- billijk. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van [slachtoffer 1] daarom toe en verklaart haar in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe vanaf 31 maart 2025 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.\n\nIn het geval van [slachtoffer 2] is er geen geweld en bedreiging met geweld gebruikt. Deze omstandigheden maken, zonder afbreuk te willen doen aan de impact van de strafbare feiten op hem, dat de aard en ernst van de normschending en de nadelige gevolgen, afgewogen in dit juridische kader, voor hem minder ingrijpend zijn waardoor een aantasting in de persoon minder voor de hand ligt. In dit geval is het in beginsel aan de benadeelde partij om de schade met concrete gegevens te onderbouwen. Uit de overgelegde gegevens is weliswaar op te maken dat psychotherapie is ingezet bij [slachtoffer 2] , echter in dat licht wordt tevens opgemerkt dat eerste observaties daarbij zijn dat sprake zou zijn van een slechte basis qua hechting en dat zijn hoofd vol lijkt te zitten met beelden van wat hij vertelt. In hoeverre dit beelden zijn van de ontvoering of van andere traumatische ervaringen in het verleden vertellen deze gegevens niet. De rechtbank acht hiermee de nadelige gevolgen voor [slachtoffer 2] onvoldoende onderbouwd en zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering.\n\nBeoordeling van de vorderingen van [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2]\n\nDe rechtbank meent dat wat [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] hebben meegemaakt, erg naar moet zijn geweest en neemt aan dat dit impact heeft op hen. Dat is op zichzelf niet doorslaggevend voor beantwoording van de vraag of zij, gelet op de wettelijke criteria en jurisprudentie, voegingsgerechtigd zijn in de strafprocedure en in hun vorderingen tot schadevergoeding kunnen worden ontvangen. Op grond van artikel 51f, eerste lid Sv kan degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces. Uit de Memorie van Toelichtingvolgt dat van rechtstreekse schade sprake is indien iemand is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling wordt beschermd. In het algemeen beschermen strafbepalingen niet het belang van derden belanghebbenden, zodat doorgaans alleen het slachtoffer zelf zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces. Artikel 51a Sv omschrijft het slachtoffer ook als degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden.\n\nNaar het oordeel van de rechtbank is er ten aanzien van [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] geen sprake van rechtstreekse schade, omdat de schade is ontstaan doordat anderen ( [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ) zijn ontvoerd en onttrokken aan het opzicht. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] waren hier weliswaar (deels) getuigen van, maar hun belangen worden niet door de overtreden strafbepalingen beschermd. Hun schade valt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet onder rechtstreekse schade, als bedoeld in artikel 51f Sv. [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] behoren daarmee als zodanig niet tot de categorie voegingsgerechtigden.\n\nDe rechtbank is van oordeel dat bovendien niet is gebleken dat de verdachte het oogmerk heeft gehad om [getuige 1] , [naam 2] en [naam 1] immateriële schade toe te brengen, zodat zij ook op die grond niet als primair slachtoffer kunnen worden aangemerkt (artikel 6:106 onder a BW).\n\nDit kan anders zijn als sprake is van schokschade.\n\nSchokschade\n\nDe Hoge Raad heeft overwogen dat iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.In het arrest worden ook gezichtspunten genoemd die bij deze afweging een rol spelen.\n\nDe rechtbank stelt vast dat de slachtoffers in deze zaak niet dood of ernstig verwond zijn, zoals beschreven in de genoemde uitspraak. De benadeelden hebben de ontvoering en de onttrekking van de kinderen (gedeeltelijk) waargenomen, maar dit valt naar het oordeel van de rechtbank niet onder een confrontatie die een hevige emotionele schok teweeg kan hebben gebracht, zoals bedoeld in het arrest.\n\nDe rechtbank zal [getuige 1] , [naam 1] en [naam 2] niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen, omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade en omdat een andere grondslag voor vergoeding van materiële en immateriële schade ontbreekt.\n\nHoofdelijkheid en BEM-clausule\n\nOmdat de verdachte de strafbare feiten waarvoor schadevergoeding wordt toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor samen aansprakelijk (hoofdelijk aansprakelijk). Voor zover de mededader een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, hoeft de verdachte dat deel van de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij te betalen.\n\nOmdat [slachtoffer 1] minderjarig is, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een zogenoemde BEM clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.\n\n9.5. De schadevergoedingsmaatregel\n\nDe rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte tegenover [slachtoffer 1] naar burgerlijk recht mede aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.\n\nAls door de verdachte niet volledig wordt betaald, kan deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.\n\n10. De toegepaste wettelijke voorschriften\n\nDe hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w en 55 Sr.\n\n11. De beslissing\n\nDe rechtbank:\n\nofficier van justitie niet-ontvankelijk\n\n- verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde;\n\nbewezenverklaring\n\n- verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;\n\n- verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt haar daarvan vrij;\n\nstrafbaarheid feiten\n\n- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;\n\n- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:\n\nfeiten 1 en 2,\n\nde eendaadse samenloop van de misdrijven:\n\nmedeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven, meermalen geleegd,\n\nen\n\nmedeplegen van opzettelijk een minderjarige onttrekken aan het opzicht van degene die dit desbevoegd over hem uitoefent, terwijl geweld en bedreiging met geweld is gebezigd, terwijl de minderjarige beneden de twaalf jaren oud is, meermalen gepleegd;\n\nstrafbaarheid verdachte\n\n- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 en 2 bewezen verklaarde;\n\nstraf\n\n- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van24 (vierentwintig) maanden;\n\n- bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 17 (zeventien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van drie jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:\n\n- stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;\n\n- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in overleveringsdetentie in België, in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;\n\nmaatregelen\n\n- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals\n\n bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaren, in de vorm van een\n\n contactverboden een locatieverbod;\n\n- beveelt dat de verdachte gedurende drie jaren op geenenkele wijze – direct of\n\nindirect – contactop zal nemen, zoeken of hebben met:\n\n- [slachtoffer 1] ( [slachtoffer 1] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013;\n\n- [slachtoffer 2] ( [slachtoffer 2] ) [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2018,\n\ntenzij een dergelijk contact op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV uitvoerbaar en gewenst is;\n\n- beveelt dat de verdachte zich gedurende drie jaren niet binnen de gemeentegrenzen mag bevinden van de gemeenten Zwolle, Kampen en Dalfsen, tenzij dit nodig is voor een op aanwijzing van en onder begeleiding van JBOV gewenst contact met de hiervoor genoemde kinderen;\n\n- beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door een week hechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;\n\n- beveelt dat deze maatregel dadelijk uitvoerbaaris, omdat er ernstig rekening mee moet\n\n worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en\u002Fof zich\n\n belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;\n\n- toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;\n\nschadevergoedingen\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1],[slachtoffer 3]en[slachtoffer 4]in het geheelniet-ontvankelijkzijn in de vorderingen, en dat de benadeelde partijen de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;\n\n- bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 2] , [getuige 1] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;\n\n- wijstdevorderingvan de benadeelde partij[slachtoffer 1]gedeeltelijk toetot een bedrag van€ 3.000,--(drieduizend euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025;\n\n- veroordeelt de verdachte hoofdelijktot betaling van dit bedrag met dien verstande dat als en voor zover al door een ander (gedeeltelijk) is betaald, verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd;\n\nbepaalt dat [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;\n\nbepaalt dat de als gevolg van deze uitspraak te betalen schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van [slachtoffer 1] te openen rekening met een BEM-clausule;\n\n-veroordeelt de verdachte daarnaast in de kosten van het geding door [slachtoffer 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, alsook in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;\n\n- legt de maatregelop dat de verdachteverplichtis ter zake van de bewezen verklaarde feitentot betaling aan de Staat der Nederlandenvan een bedrag van € 3.000,-- (drieduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2025 ten behoeve van [slachtoffer 1] , en bepaalt, voor het geval volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet mogelijk blijkt, dat gijzeling voor de duur van30 dagenkan worden toegepast, een en ander voor zover dit bedrag niet door een mededader zal zijn voldaan. Tenuitvoerlegging van de gijzeling laat de betalingsverplichting onverlet;\n\n- bepaalt dat als de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van de verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als de verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;\n\nvoorlopige hechtenis\n\n- heft het geschorste bevel voorlopige hechtenis op.\n\nDit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. G.H. Meijer en mr. D.E. Schaap, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Y.W. van den Bosch, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.\n\nBijlage bewijsmiddelen\n\nDeze bijlage maakt deel uit van het vonnis en bevat de bewijsmiddelen.\n\nWanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Oost-Nederland met onderzoeksnaam CITRIEN \u002F ON1R025033, bhv-nummer PL0600-2025145441. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.\n\nFeit 1\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 2] , geboren op\n\n [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een [omschrijving] stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.\n\nWe zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.\n\nFeit 2\n\n1. Het proces-verbaal van aangifte door [aangever] namens Jeugdbescherming Overijssel van 17 april 2025, pagina’s 243 tot en met 247, voor zover inhoudende:\n\nIk doe aangifte namens de Jeugdbescherming Overijssel van het opzettelijk onttrekken van twee minderjarigen aan het wettig over hun gestelde gezag op maandag 31 maart 2025 te [plaats 1] . Niemand heeft het recht of de toestemming gegeven om deze kinderen opzettelijk mee te nemen en deze te onttrekken aan het wettelijk over hun gestelde gezag. Het gaat om [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .\n\nOp 12 april 2021 is er een VOTS uitgesproken. Die is drie maanden later naar een OTS gegaan. Er was ook een verzoek voor een machtiging tot uithuisplaatsing. Dat is ook gebeurd in april 2021. De kinderen zijn toen op een geheim adres geplaatst.\n\nV: In hoeverre wisten de biologische ouders waar de kinderen verblijven en wonen?\n\nA: De kinderen hebben altijd geheim gezeten.\n\nV: Hebben de ouders uitspraken gedaan richting jullie, dat ze de kinderen mee wilden nemen?\n\nA: Nee\n\nV: wie heeft het wettelijk gezag over de kinderen?\n\nA: Dat ligt nog steeds bij de ouders. Maar de machtiging uithuisplaatsing overruled dat wettelijk gezag. En deze beperkt ook dat gezag. Het medisch gezag lag al bij ons.\n\n2. Beschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van 5 juli 2024, pagina’s 526 tot en met 533, voor zover inhoudende:\n\nDatum uitspraak: 5 juli 2024\n\nBeschikking verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing\n\nin de zaak van\n\nStichting Jeugdbescherming Overijssel,\n\nde gecertificeerde instelling,\n\ngevestigd te [plaats 3] ,\n\nmet betrekking tot:\n\n [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2013\n\nin [geboorteplaats 2] , hierna te noemen [slachtoffer 1] , en\n\n [slachtoffer 2] , geboren op\n\n [geboortedatum 2] 2018 in [geboorteplaats 3] , hierna te noemen [slachtoffer 2] .\n\nDe rechtbank:6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] tot 6 juli 2025;6.2.. \n\nverlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in een\n\ngezinshuis tot 6 juli 2025;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.\n\n3. Het proces-verbaal van bevindingen uitwerking verhoor [slachtoffer 1] (dochter verdachten) van 12 mei 2025, pagina’s 216 tot en met 236, voor zover inhoudende:\n\nHet was ochtend, ik was op de fiets naar school. Ik was bijna bij de kruising en toen kwam er opeens een zwarte auto achter me. En toen reed ie opeens voor me langs. En ik fietste toen om de auto heen. Maar toen gooide ze de auto er weer voor. En ik fietste er toen aan de andere kant omheen. En toen gooiden ze hem er nog een keer voor.\n\nToen stapte mijn moeder uit. En toen werd ik er vanaf geduwd en viel ik in een doornstruik. Ik werd meegesleurd. En ik zat in de tussentijd om hulp te roepen. Ik was toen in de auto gestopt. Had ze me in de auto gekregen en toen kwamen ze dus bij het gezinshuis. En toen is [naam 3] zo uit de auto getrokken en in hun auto gestopt. Toen reden ze eerst naar het station, waar een huurauto stond. En daar moesten ik en [naam 3] in. En toen zijn ze naar Hardenberg gereden, vanaf daar zijn ze Duitsland in gereden. Toen zijn we gestopt bij een hele grote Shell in Duitsland. Daar moesten we dingen met een pruik en andere kleding. En van daaruit hebben we een uur of twee gereden België in. En toen werden ik en mijn broertje in een appartementsgebouw gebracht, die schuin tegenover een matrassenfabriek stond.\n\n Ik ben in de doornstruik gevallen (wijst naar haar rechterzij kant) hier heb ik ook een wondje zitten en hier heb ik ook, bij mijn navel, een wondje zitten. Dat gebeurde in [plaats 1] . Net voor een kruispunt. Ik werd van mijn fiets afgeduwd door mijn moeder. Zij stapte ineens zo schuin voor en duwde zo naar de zijkant en toen vloog ik in die struik. De fiets lag op mijn linkerbeen.\n\nIk werd toen meegesleurd en ik probeerde me tegen te houden. En toen werd ik over het fietspad heen gesleurd. Ik voelde de pijn hier (wijst haar linker been aan) hier (wijst haar rechter elleboog\u002Farm aan) hier (rechter heup), eigenlijk overal behalve mijn hoofd. Ik werd daar dus in mee gesleurd en ik heb me ook afgezet tegen de zijkanten van de deur heb ik me afgezet om eraf te komen. Toen hebben ze mij zeg maar zo naar voren geduwd. Ja, en dit (wijst naar haar vinger) komt zeg maar mijn hand, de nagels van mijn moeder werden in mijn hand gezet zodat ik los liet. Mijn moeder zei dat ik op moest houden en dat ik mee werk en zo. Mijn moeder kwam achter me zitten, en ik werd in dat voeteneind gedrukt door mijn moeder. Volgens mij hebben ze hem op kinderslot gezet. Mijn vader reed. Papa moest [naam 3] halen. Dat had mama gezegd. Ik heb gezien dat de deur werd opengedaan, [naam 3] werd opgetild en toen zijn ze naar de auto gelopen.\n\nDe hele weg naar het station werd ik naar beneden gedrukt. Toen moesten we overstappen in de huurauto. Ik moest meewerken omdat ze me anders pijn gaat doen en zo. De autodeuren zaten op kinderslot.\n\nDe huurauto stond ernaast en daar werd ik ingewerkt en [naam 3] werd erin getild. Op dezelfde manier als bij het begin van onze ontvoering eigenlijk.\n\n Toen we bijna bij de grens waren moesten ik en [naam 3] andere kleding en een andere jas aan en andere schoenen van mijn moeder. Zij pakte de kleren uit de tas van achteren. Ik moest een thermoding onder aantrekken en toen moest ik een roze trui aan. [naam 3] en ik kregen een hoofddoek op of zo die had ze bij ons aangedaan met een nepbril. Ik had een paarse, [naam 3] een blauwe. En toen even later, toen we bijna bij die Shell waren, had ze dezelfde pruik voor mij en [naam 3] . De pruik moesten we op doen van mijn moeder.\n\nToen zijn we naar het appartement gereden in België. Daar kwamen we vier uur ’s middags aan.\n\n4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] van 31 maart 2025, pagina’s 26 en 27, voor zover inhoudende:\n\nOp maandag 31 maart 2025 omstreeks 08:00 uur fietste ik op de [adres 2] . Voor mij zag ik een meisje fietsen die ik bijna wilde gaan inhalen. Ik zag toen dat ik werd ingehaald door een zwarte auto. Ik zag dat de auto slingerde toen deze ter hoogte van het meisje reed. Vervolgens zag ik dat de auto meer gas bij gaf en een stukje voor het meisje stopte. Ik zag dat de bijrijder, een vrouw, uit het voertuig stapte en het meisje op de fiets hardhandig van de fiets duwde. Ik zag dat het meisje ten van kwam bij de bosjes net voorbij het voetbalveldje aan de [adres 2] . Ik zag dat de vrouw het meisje hardhandig het voertuig in trok. Ik hoorde dat het meisje meerdere keren hard om hulp riep.\n\n5. Een geschrift van de federale gerechtelijke politie arro Oost-Vlaanderen, verhoor van [medeverdachte] van 1 april 2025, pagina’s 121 tot en met 128, voor zover inhoudende:\n\nIk heb het advies van de Raad voor de Kinderbescherming waarin zij adviseerden om ons ouderlijk gezag af te nemen, midden maart 2025 via de post in Nederland ontvangen. Dit advies is de reden waarom wij dit alles ondernomen hebben.\n\nNormaal rijd ik in een Mitsubishi, maar ik ben hier gisteren gekomen met een Seat Alhambra die ik had gehuurd. Ik heb de auto gehuurd van zaterdag 29\u002F04\u002F2025 tot en met 01\u002F04\u002F2025 12.30 uur via SnappCar. De eigenaar woont in [woonplaats] . Wij dachten dat wij via het huren van een auto een voorsprong zouden kunnen krijgen op de Nederlandse politie zodat ze ons niet konden tegenhouden.\n\nGisterenochtend hebben wij onze dochter die naar school fietste onderschept en meegenomen. Daarna zijn wij naar het huis gereden waar beide kinderen momenteel verblijven. Wij zagen dat ons zoontje op dat moment in de auto werd geplaatst om naar school te gaan. Ik heb de deur van de auto opengetrokken en mijn zoontje uit de auto genomen en naar mijn auto, de Mitsubishi, gebracht. Ik heb mijn zoontje linksachter geplaatst. Wij zijn weggereden naar een parkeerplaats bij het treinstation van Dalfsen. Daar hebben wij van auto gewisseld. Wij hadden de Seat, zoals eerder vermeld, daar al vroeger geplaatst met het oog op het wisselen van de voertuigen. Wij zijn toen doorgereden met de Seat naar Leupegem in België. Wij kenden de fietsroute van onze dochter. Wij hebben haar daar eerder zien rondfietsen. Wij zijn daar eerder gaan kijken, wel vaker, met de optiek om ze mee te nemen indien het anders niet kon. Wij hebben eerder gezien dat ons zoontje met de auto naar school werd gebracht.\n\n6. De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 28 mei 2026, voor zover inhoudende:\n\nIk heb [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] op 31 maart 2025 meegenomen naar België samen met medeverdachte. We reden die ochtend in [plaats 1] met de auto en daar fietste [slachtoffer 1] . Ik sprak [slachtoffer 1] aan. Ik stapte uit en deed mijn armen om [slachtoffer 1] heen. Ik trok haar naar de auto. Ze worstelde en ze hield met haar handen de auto tegen. Ze wilde niet in de auto zitten en ze schreeuwde om hulp. In de auto schreeuwde ze om hulp en toen hield ik mijn hand over haar mond heen. Ze vertelde later dat ze een wondje aan haar vinger had door het duwen tegen de auto.\n\nWe zijn daarna naar het gezinshuis gereden. Daar heeft medeverdachte [slachtoffer 2] uit de auto van [getuige 1] getild en bij ons in de auto geplaatst. Ik had nepbrillen en pruiken voor hen meegenomen in de auto. Dat was bedoeld om ons te vermommen zodat we niet herkend zouden worden. We wilden namelijk zo snel mogelijk naar België. Die middag kwamen we aan in het huurappartement in België.\n\n Kamerstukken II, 1989\u002F1990, 21 345, nr. 3, p. 11\n\n HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958","nl","rechtspraak_nl","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2026:3409","ecli-nl-rbove-2026-3409",{"courtName":8,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Strafrecht","uitspraak","Uitspraak",[21,32,43,52,62],{"id":22,"ecli":23,"caseNumber":6,"courtId":24,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":26,"language":12,"source":13,"sourceUrl":27,"summary":6,"slug":28,"metadata":29},"410","ECLI:NL:RBLIM:2026:6423",66,"2026-07-08T00:00:00.000Z","RECHTBANK limburg\n\nZittingsplaats Roermond\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: ROE 25 \u002F 2565\n\nuitspraak van de meervoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen\n\n [belanghebbende] , gevestigd te [plaats], belanghebbende\n\n(gemachtigde: M.O.E. Uyen)\n\nen\n\nde heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen, de heffingsambtenaar (gemachtigde: A. van den Dool).\n\nProcesverloop\n\nDe heffingsambtenaar heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet woz) de waarde van de onroerende zaken van belanghebbende voor het belastingjaar 2025 vastgesteld (het primaire besluit).\n\nBelanghebbende heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt.\n\nDe heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard (het bestreden besluit). Aan belanghebbende is een proceskostenvergoeding van in totaal € 161,74 toegekend.\n\nBelanghebbende heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.\n\nDe heffingsambtenaar heeft verweer gevoerd.\n\nOp 4 mei 2026, aangevuld op 11 mei 2026, zijn van belanghebbende nadere gronden en stukken ontvangen.\n\nHet onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 15 mei 2026. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G.M. Driessen, kantoorgenote van haar gemachtigde bij Previcus B.V. te Boxmeer. De heffingsambtenaar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.\n\nOverwegingen\n\n1. De rechtbank stelt vast dat de woz-waarde tussen partijen niet meer in geschil is. Het beroep van belanghebbende richt zich enkel tegen de toegekende proceskostenvergoeding en spitst zich toe op de vraag of de heffingsambtenaar bij de vaststelling van de proceskostenvergoeding in bezwaar toepassing heeft mogen geven aan de vermenigvuldigingsfactor 0,125 van artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz, zoals dit artikellid luidt met ingang van 1 januari 2025.\n\n2. De heffingsambtenaar heeft in het bestreden besluit de proceskostenvergoeding van € 161,74 als volgt gespecificeerd:\n\n- indienen bezwaarschrift: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 +\n\n- bijwonen hoorzitting: 1 punt x waarde per punt € 647,- x factor 0,125 = € 80,87 = € 161,74.\n\n3. Belanghebbende vindt dat de heffingsambtenaar een te lage proceskostenvergoeding heeft toegekend. Zij verzoekt de rechtbank om artikel 30a van de Wet woz buiten toepassing te laten, omdat haar gemachtigde een bijzonder geval is als bedoeld in het zogenoemde 30a-arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025 (ECLI:NL:HR:2025:46).\n\n4. In het 30a-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bijzondere gevallen zich onderscheiden doordat zij niet voldoen aan de volgende kenmerken: dat aan de belanghebbende rechtsbijstand wordt verleend door een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, waarvan het bedrijfsmodel eruit bestaat dat\n\n( i) wordt opgetreden op basis van no cure no pay,\n\n(ii) daarbij zodanige afspraken met de cliënten worden gemaakt dat het bedrag van eventuele proceskostenvergoedingen aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en\n\n(iii) de procedures op een zodanige wijze worden gevoerd dat de daarin toegekende proceskostenvergoedingen de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreffen.\n\n5. De daarbij te hanteren regels zijn nader uitgewerkt in de arresten van de Hoge Raad van 25 april 2025 (ECLI:NL:HR:2025:670) en 18 juli 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1175).\n\n5.1.. Volgens de Hoge Raad rusten op de belanghebbende de stelplicht en bewijslast van feiten die meebrengen dat buiten redelijke twijfel komt vast te staan dat, beoordeelt naar de situatie op het moment waarop het desbetreffende rechtsmiddel is aangewend, het bedrijfsmodel van de betreffende gemachtigde of diens kantoor kennelijk niet allehiervoor bedoelde drie kenmerken heeft en dat aldus sprake is van een bijzonder geval. Er is dus (al) sprake van een bijzonder geval als één van de drie kenmerken niet van toepassing is.\n\n5.2.. Bij de beoordeling van het bedrijfsmodel gaat het niet specifiek om de werkzaamheden die de gemachtigde heeft verricht in de procedure waarop de proceskostenvergoeding ziet. Met het bedrijfsmodel is namelijk meer in het algemeen de wijze bedoeld waarop de gemachtigde zijn inkomsten verwerft met het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand.\n\n5.3.. Indien het bedrijfsmodel van een gemachtigde of een kantoor inhoudt dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i), of op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld, en dat daarbij afspraken met de cliënten worden gemaakt als hiervoor onder (ii) bedoeld, zal aldus moeten worden beoordeeld of dit bedrijfsmodel voldoet aan het hiervoor onder (iii) vermelde kenmerk van vergaande overdekking. Daartoe moet een vergelijking worden gemaakt tussen enerzijds het totale bedrag aan proceskostenvergoedingen dat aan de gemachtigde of aan het kantoor wordt afgedragen, en anderzijds het totale bedrag van de kosten van de gemachtigde of van het kantoor die kunnen worden toegerekend aan het voeren van de procedures waarop die proceskostenvergoedingen betrekking hebben. Het komt dus erop aan of het totale bedrag van de afgedragen proceskostenvergoedingen het totale bedrag van de zojuist bedoelde kosten verre overtreft. De omstandigheid dat vaak geheel of ten dele gebruik wordt gemaakt van gestandaardiseerde tekstblokken die niet zijn toegespitst op de desbetreffende zaak, vormt een aanwijzing dat het bedrijfsmodel wel het derde kenmerk van vergaande overdekking heeft, en zal daarom in het algemeen volstaan om aan te nemen dat de belanghebbende niet in dit door hem te leveren bewijs is geslaagd.\n\n6. In het arrest van 26 september 2025 (ECLI:NL:HR:2025:1375) heeft de Hoge Raad nader uitgewerkt wanneer sprake is van een bedrijfsmodel dat eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Bij optreden op basis van no cure no pay moet worden uitgegaan van afspraken tussen de belanghebbende en de rechtsbijstandverlener op grond waarvan de belanghebbende geen financieel risico loopt bij inschakeling van de rechtsbijstandverlener, omdat geen instapvergoeding verschuldigd is noch een percentage van de bespaarde belasting als vergoeding moet worden afgestaan (zie Kamerstukken II 2023\u002F24, 36 427, nr. 3, blz. 2). Bij de beoordeling van de vraag of het bedrijfsmodel van een beroepsmatig optredende gemachtigde, dan wel een kantoor, eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay, komt het dus erop aan of die gemachtigde dan wel diens kantoor afspraken maakt met klanten op grond waarvan zij geen financieel risico lopen bij het verstrekken van de opdracht tot het verlenen van rechtsbijstand in een belastingprocedure. De verschuldigdheid van een instapvergoeding staat niet in alle gevallen eraan in de weg dat afspraken met een rechtsbijstandsverlener worden aangemerkt als afspraken op basis van no cure no pay. Onder het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op basis van no cure no pay wordt namelijk ook begrepen het beroepsmatig verlenen van rechtsbijstand op een grondslag die daarmee in wezen overeenkomt en daarmee dus op één lijn kan worden gesteld. Dan moet worden gedacht aan de betaling van een zodanig laag bedrag dat die betaling als een pro forma of symbolische bijdrage moet worden beschouwd.\n\n7. De rechtbank stelt vast dat de gemachtigde van belanghebbende in deze zaak niet heeft bestreden dat haar bedrijfsmodel de hiervoor onder (ii) en (iii) vermelde kenmerken heeft.\n\n8. Belanghebbende bestrijdt dat het bedrijfsmodel van haar gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar (en beroep) eruit bestaat dat wordt opgetreden op basis van no cure no pay (i). Hiertoe heeft de gemachtigde verwezen naar een beschrijving van haar per 1 januari 2025 gewijzigde bedrijfsmodel (“Bijzonder geval: bedrijfsmodel Previcus en artikel 30a Wet WOZ”).\n\n8.1.. Volgens die beschrijving is de werkwijze met ingang van 1 januari 2025 fundamenteel gewijzigd. Het aantal dossiers is vanaf 2025 aanzienlijk afgenomen van 128.000 zaken naar circa 1.291 zaken. De zaken worden (vrijwel) niet meer op basis van no cure no pay uitgevoerd, maar volgens een regulier model waarin een cliënt, ongeacht de uitkomst van de zaak, een vaste startvergoeding betaalt (doorgaans gebaseerd op het aantal aanslagbiljetten) en\u002Fof een deel van de gerealiseerde besparing afdraagt (in bijna alle gevallen 40% van de besparing). De vóór 2025 aangebrachte zaken worden nog op basis van no cure no pay uitgevoerd. Bovendien worden vanaf 2025 alle aanslagbiljetten op voorhand gescreend en worden enkel de zaken doorgezet waarbij op voorhand onvoldoende duidelijk is dat er geen fouten zijn gemaakt. Er is, aldus de beschrijving, geen sprake meer van een grote massa waar de wetswijziging (Wet herwaardering proceskostenvergoeding WOZ en Bpm) op zag. De gemachtigde richt zich voortaan op de zakelijke markt, waarbij vrijwel altijd ook prijsafspraken met belanghebbenden worden gemaakt die losstaan van eventueel toegekende proceskostenvergoedingen.\n\n8.2.. De gemachtigde heeft de prijsafspraken over 2025 als volgt in een overzicht opgenomen.\n\n8.3.. De vermelding in de volmacht dat de vergoeding voor de werkzaamheden uitsluitend het totaal van de proceskostenvergoedingen bedraagt, klopt, aldus de beschrijving, niet meer. De onderliggende overeenkomsten bepalen dat cliënten zelf vergoedingen verschuldigd zijn. De proceskostenvergoeding speelt daarin nog slechts een kleine aanvullende rol.\n\n9. Op 4 mei 2026 heeft de gemachtigde van belanghebbende de facturen en betaalbewijzen in een groot aantal zaken, waarin zij als gemachtigde optreedt, ingezonden. Op 11 mei 2026 is daarvan een overzicht overgelegd. Die stukken bevestigen het beeld dat de beschrijving van het bedrijfsmodel geeft. Uit de facturen en betaalbewijzen blijkt namelijk dat de gemachtigde van een groot deel van haar cliënten een “besparingsfee” van minimaal 30% van de eventuele belastingbesparing vraagt, zij die “besparingsfee” aan haar cliënten factureert en die “besparingsfee” vervolgens ook door de cliënten wordt betaald.\n\n10. Daarnaast komt uit de facturen en betaalbewijzen naar voren dat de meeste cliënten (bovenop de “besparingsfee”) tevens een (in hoogte variërende) “startfee” zijn verschuldigd. Op zitting heeft de gemachtigde toegelicht dat, indien overeengekomen, de “startfee” altijd wordt gefactureerd en betaald. Dat dit niet in alle gevallen gebeurt blijkt uit de overgelegde facturen en betaalbewijzen, en komt, aldus de gemachtigde, doordat de “startfee”, die ongeacht de uitkomst is verschuldigd, in die gevallen eerder is gefactureerd en betaald. Dat is anders bij de “besparingsfee”, die niet eerder dan na het nemen van het bestreden besluit in rekening kan worden gebracht, omdat dan pas de (hoogte van de) besparing duidelijk is.\n\n11. De heffingsambtenaar heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het pas op 4 mei 2026 door de gemachtigde van belanghebbende indienen van facturen en betaalbewijzen (die op 6 mei 2026 door de rechtbank zijn vrijgegeven), die al in 2025 beschikbaar waren, in strijd is met een goede procesorde. De rechtbank overweegt dat partijen in beginsel vrij zijn om gedurende de procedure hun standpunten aan te vullen. Die vrijheid wordt echter begrensd door de beginselen van de goede procesorde. Hoewel de late indiening van reeds voorhanden zijnde stukken niet de schoonheidsprijs verdient, ziet de rechtbank hierin geen grond om die stukken vanwege strijd met een goede procesorde buiten beschouwing te laten. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat de stukken een onderbouwing vormen van een eerder door de gemachtigde ingenomen standpunt, een reactie zijn op het verweerschrift en dat de aard en de omvang van de stukken niet zodanig zijn dat van de heffingsambtenaar om adequaat hierop te kunnen reageren een nader diepgaand (feiten)onderzoek wordt gevergd. De inhoudelijke reactie van de heffingsambtenaar op de stukken in de pleitnota bevestigen dit oordeel.\n\n12. De rechtbank stelt voorop dat voor haar de facturen en de betaalbewijzen leidend zijn voor de beoordeling van de vraag of kenmerk (i) op de gemachtigde van belanghebbende van toepassing is. Naar het oordeel van de rechtbank zijn (alleen) die stukken, en niet (ook) de overeenkomst, de website en de algemene voorwaarden van de gemachtigde (op 9 februari 2025), waarvan gesteld is dat die op dat moment nog niet in overeenstemming met het gewijzigde bedrijfsmodel waren gebracht, relevant voor de vraag of sprake is van een bedrijfsmodel op basis van no cure no pay. Omdat het bedrijfsmodel van de gemachtigde (en niet de vergoedingen in de aan de rechtbank voorliggende zaken) moet worden beoordeeld, blijft die beoordeling, anders dan de heffingsambtenaar stelt, niet beperkt tot de gemeenten binnen het ambtsgebied van de heffingsambtenaar. Daaruit volgt ook dat op grond van het (incidenteel) ontbreken van facturen en betaalbewijzen in aan de rechtbank voorliggende zaken niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat kenmerk (i) op het bedrijfsmodel van de gemachtigde van toepassing is.\n\n13. De rechtbank is van oordeel dat met voldoende gegevens is onderbouwd dat de gemachtigde in 2025 voor een groot deel van de procedures een “besparingsfee” in rekening heeft gebracht. Door het betalen van een “besparingsfee” loopt een belanghebbende bij de inschakeling een gemachtigde voor het voeren van een procedure een financieel risico (zie hiervoor het arrest van de Hoge Raad van 26 september 2025). Deze door de gemachtigde gevraagde vergoeding (van 30-40%) acht de rechtbank, nog daargelaten dat de Hoge Raad dat enkel ten aanzien van “instapvergoedingen” heeft geoordeeld, ook niet dusdanig laag dat kan worden gesproken van rechtsbijstandverlening op een grondslag die in wezen overeenkomt met rechtsbijstandverlening op basis van no cure no pay. Op grond van het vorenstaande heeft belanghebbende, naar het oordeel van de rechtbank, buiten redelijke twijfel bewezen dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van bezwaar niet het kenmerk van optreden op basis van no cure no pay heeft (i). Daaraan doet niet af dat een belanghebbende vooraf ermee heeft ingestemd dat een eventuele vergoeding van proceskosten aan de gemachtigde toekomt. Dat geldt ook voor het ontbreken van facturen en betaalbewijzen van op een eerder moment in rekening gebrachte “startfees” en de door de heffingsambtenaar gestelde inconsistenties in de hoogte hiervan.\n\n14. Uit het vorenstaande volgt dat sprake is van een bijzonder geval en de heffingsambtenaar ten onrechte toepassing heeft gegeven aan artikel 30a, eerste lid, van de Wet woz.\n\n15. Dit betekent dat het beroep van belanghebbende gegrond is. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase op € 1.332,- (2 x € 666,-).\n\n16. Aan het standpunt van belanghebbende dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft, wordt niet toegekomen.\n\n17. Omdat het beroep gegrond is, moet de heffingsambtenaar het griffierecht aan belanghebbende vergoeden.\n\n18. De rechtbank acht termen aanwezig om de heffingsambtenaar te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van het beroep, een en ander eveneens overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Aan belanghebbende is door een derde beroepsmatig rechtsbijstand verleend. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting met een waarde van € 934,- per punt) toegekend. De rechtbank bepaalt in overeenstemming met het Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (neergelegd in de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 7 augustus 2024, ECLI:NL:GHSHE:2024:2524) de wegingsfactor op 0,5. Gelet hierop bedraagt het vanwege de in deze zaak verleende rechtsbijstand te vergoeden bedrag in totaal € 934,-.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- vernietigt het bestreden besluit voor zover dat ziet op de toegekende proceskostenvergoeding, stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op € 1.332,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;\n\n- draagt de heffingsambtenaar op het betaalde griffierecht van € 385,- aan belanghebbende te vergoeden;\n\n- veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende wegens verleende rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 934,-.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, en mrs. E.P.J. Rutten en J.H. van Hoof leden, in aanwezigheid van mr. D.D.R.H. Lechanteur, griffier.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 juli 2026.\n\ngriffier rechter\n\nAfschrift verzonden aan partijen op: 8 juli 2026.\n\nRechtsmiddel\n\nTegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nU kunt digitaal beroep instellen via www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (belastingkamer).\n\nBij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:\n\n1. bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;\n\n2 - het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden:\n\na. de naam en het adres van de indiener;\n\nb. de datum van verzending;\n\nc. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;\n\nd. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBLIM:2026:6423","ecli-nl-rblim-2026-6423",{"courtName":30,"legalDomain":31,"decisionType":18,"procedureType":19},"Roermond","Bestuursrecht; Belastingrecht",{"id":33,"ecli":34,"caseNumber":35,"courtId":36,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":37,"language":38,"source":39,"sourceUrl":6,"summary":40,"slug":41,"metadata":42},"85","ECLI:RO:2026:JudecatoriaSECTORUL5BUCURESTI:17050-302-2025-a1","17050\u002F302\u002F2025\u002Fa1",97,"Admite cererea de îndreptare a erorii materiale din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026, pronunţată de Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti în dosar nr. 17050\u002F302\u002F2025, formulată din oficiu.       \nDispune îndreptarea erorii materiale strecurată în cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025, în sensul re?inerii că pârâtul Vasile Constantin are codul numeric personal ............, iar nu ............., astfel cum în mod eronat s-a consemnat.   \nPrezenta încheiere face parte integrantă din cuprinsul sentin?ei civile nr. 2484\u002F06.03.2026 pronun?ată în cadrul dosarului nr. 17050\u002F302\u002F2025.   \nÎndreptarea se va efectua în toate exemplarele sentin?ei.\n\tCu drept de apel în 30 de zile de la comunicare. Cererea de apel se va depune la Judecătoria Sectorului 5 Bucure?ti.   \n\tPronun?ată prin punerea solu?iei la dispozi?ia păr?ilor prin intermediul grefei instan?ei, astăzi, 08.07.2026.\n","ro","portalquery_ro","Admite cererea","ecli-ro-2026-judecatoriasectorul5bucuresti-17050-302-2025-a1",null,{"id":44,"ecli":45,"caseNumber":6,"courtId":46,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":47,"language":12,"source":13,"sourceUrl":48,"summary":6,"slug":49,"metadata":50},"296","ECLI:NL:GHDHA:2026:2250",58,"Rolnummer: 22-001978-23\n\nParketnummer: 10-066729-23\n\nDatum uitspraak: 8 juli 2026\n\nTEGENSPRAAK\n\nArrestvan de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 juni 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:\n\n [verdachte],\n\ngeboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2002,\n\nBRP-adres: [BRP-adres] , [woonplaats] .\n\nOnderzoek van de zaak\n\nDit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.\n\nHet hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.\n\nProcesgang\n\nIn eerste aanleg is de verdachte van het onder 1 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 73 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. Voorts is beslist op de vorderingen van de benadeelde partijen, zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.\n\nNamens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.\n\nOmvang van het hoger beroep\n\nDe verdachte is door de rechtbank Rotterdam vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 1 is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.\n\nWaar hierna wordt gesproken van \"de zaak\" of \"het vonnis\", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.\n\nTenlastelegging\n\nAan de verdachte is – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:\n\n2. hij op of omstreeks 01 januari 2023 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard, openlijk, te weten, op of aan de Smidsweg en\u002Fof de Langestraat, in elk geval op of aan (een) openbare weg(en), in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer verbalisanten van de politie Eenheid Rotterdam, te weten [hoofdagent] (hoofdagent) en\u002Fof [aspirant] (aspirant) en\u002Fof één of meer verbalisanten, zijnde groepsleden van de Mobiele Eenheid van politie Eenheid Rotterdam, te weten [verbalisant 1] en\u002Fof [verbalisant 2] en\u002Fof [verbalisant 3] en\u002Fof [verbalisant 4] en\u002Fof [verbalisant 5] en\u002Fof [verbalisant 6] en\u002Fof [verbalisant 7] en\u002Fof [verbalisant 8] en\u002Fof [verbalisant 9] en\u002Fof [verbalisant 10] en\u002Fof [verbalisant 11] en\u002Fof [verbalisant 12] en\u002Fof [verbalisant 13] en\u002Fof [verbalisant 14] en\u002Fof [verbalisant 15] en\u002Fof [verbalisant 16] en\u002Fof [verbalisant 17] en\u002Fof [verbalisant 18] en\u002Fof [verbalisant 19] en\u002Fof [verbalisant 20] , althans een of meer (andere) verbalisanten door\n\n- één of meer stuks zwaar (illegaal) vuurwerk (betreffende onder meer: cobra's \u002F nitraten \u002F shells) en\u002Fof vuurwerkbommen op\u002Ftegen, althans in de richting van\u002Fnaar voornoemde verbalisanten af te schieten en\u002Fof te gooien, waarbij voornoemd(e) vuurwerk\u002Fvuurwerkbommen vlakbij\u002Fnaast het\u002Fde lichamen en\u002Fof het\u002Fde hoofden\u002Fgezichten van voornoemde verbalisanten tot ontploffing is\u002Fzijn gekomen en\u002Fof\n\n- ( met kracht) één of meer stenen en\u002Fof glaswerk op\u002Ftegen, althans in de richting van voornoemde verbalisanten te gooien en\u002Fof\n\n- ( dreigend) zich op te dringen aan voornoemde ambtenaren en\u002Fof\n\n- ( daarbij) (dreigend) een of meerdere ploertendoders, althans slagvoorwerpen, aan voornoemde ambtenaren te tonen\u002Fvoor te houden en\u002Fof\n\n- ( daarbij) aan die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof een of meer (andere) verbalisanten de weg te versperren, althans de doorgang te beletten en\u002Fof (daarbij) te verhinderen dat die [aspirant] en\u002Fof [hoofdagent] en\u002Fof anderen met\u002Fin een (politie)voertuig weg konden rijden en\u002Fof\n\n- naar\u002Fin de richting van voornoemde ambtenaren te schelden, met de woorden: \"Kankerlijers\", \"Kanker op joh\" en\u002Fof \"Kankerpolitie\" en\u002Fof\n\n- ( met kracht) op\u002Ftegen het (politie)schild van die [verbalisant 2] te trappen\u002Fschoppen;\n\n3. hij op of omstreeks 31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk een vuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed, dat\u002Fdie geheel of ten dele aan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachte toebehoorde(n) heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt.\n\nVordering van de advocaat-generaal\n\nDe advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de bewezenverklaring zal worden bevestigd en dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 107 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk en met een proeftijd van 2 jaren.\n\nHet vonnis waarvan beroep\n\nHet vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.\n\nVrijspraak\n\nDe advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend kan worden bewezenverklaard, nu de verdachte met zijn handelen een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het openlijk geweld tegen de desbetreffende verbalisanten. Zo heeft de verdachte voorafgaand aan de jaarwisseling deel genomen aan een WhatsApp-groep waarin werd gesproken over het voornemen onrust te veroorzaken ten tijde van de jaarwisseling. Voorts heeft de verdachte in de nacht van de jaarwisseling – nadat hij door leden van de Mobiele Eenheid (ME) was ingesloten –op zijn telefoon een video-opname gemaakt waarin er samen met medeverdachte [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) wordt gepraat over het doodschoppen van een ME’er. Vijftien minuten nadat hij deze video had opgenomen, is [medeverdachte] aangehouden voor het schoppen tegen het schild van een ME’er.\n\nHet hof overweegt als volgt.\n\nHet hof stelt voorop dat van het \"in vereniging\" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard hoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die \"in vereniging\" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en\u002Fof materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.\n\nMet de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat de verdachte omstreeks de jaarwisseling geweld heeft gebruikt jegens de verbalisanten, zoals het gooien met stenen of vuurwerk. Het hof is voorts van oordeel dat evenmin bewezen kan worden dat de verdachte op enige wijze geweldshandelingen die door andere personen zijn gepleegd heeft ondersteund of anderszins heeft bijgedragen aan het ontstaan of het voortduren van het geweld jegens de verbalisanten. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat [medeverdachte] bij de raadsheer-commissaris als getuige is gehoord en heeft verklaard dat hetgeen de verdachte in de video-opname heeft gezegd, los stond van zijn handelen daarna en dat de verdachte niet in de buurt was toen [medeverdachte] tegen het schild van verbalisant [verbalisant 2] aan schopte. De enkele aanwezigheid in de groep die door de politie\u002FME was ingesloten en het feit dat de verdachte deel uit maakte van een WhatsApp-groep acht het hof evenmin een bijdrage van voldoende gewicht. Gelet op het voorgaande is niet vast komen te staan dat de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het tenlastegelegde geweld tegen de desbetreffende verbalisanten, zodat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen en de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken.\n\nBewezenverklaring\n\nHet hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:\n\n3. hij op of omstreeks31 december 2022 te 's-Gravendeel, gemeente Hoeksche Waard opzettelijk en wederrechtelijk eenvuilnisbak\u002Fprullenbak, in elk geval enig goed,dat\u002Fdiegeheel of ten deleaan Gemeente Hoeksche Waard, in elk geval aan een ander dan aan verdachtetoebehoorde(n)heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt;.\n\nHetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.\n\nBewijsvoering\n\nHet hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.\n\nIn die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.\n\nStrafbaarheid van het bewezenverklaarde\n\nHet onder 3 bewezenverklaarde levert op\n\nopzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.\n\nStrafbaarheid van de verdachte\n\nEr is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.\n\nStrafmotivering\n\nHet hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.\n\nDaarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.\n\nDe verdachte heeft zich op oudejaarsavond schuldig gemaakt aan vernieling van een prullenbak door hierop zwaar vuurwerk tot ontploffing te brengen. Een dergelijk feit is gevaarzettend en geschikt om gevoelens van angst en onveiligheid in de maatschappij teweeg te brengen. De verdachte heeft met zijn handelen de gemeente en daarmee de gemeenschap financiële schade berokkend en hij heeft hiermee overlast veroorzaakt.\n\nHet hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 1 juni 2026, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor een vergelijkbaar feit is veroordeeld.\n\nTen aanzien van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) overweegt het hof dat deze is aangevangen op 6 maart 2023. In eerste aanleg is de redelijke termijn niet overschreden. Het hof stelt vast dat de behandeling van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen de daartoe gestelde redelijke termijn,. Namens de verdachte is immers op 4 juli 2023 hoger beroep ingesteld en het hof wijst op 8 juli 2026 eindarrest. De redelijke termijn van de berechting in hoger beroep is derhalve met meer dan één jaar overschreden. Het hof ziet, ook gelet op de duur van de procedure als geheel, aanleiding te volstaan met de constatering van dit verzuim, gelet op de gekozen strafmodaliteit en de hoogte van de op te leggen straf.\n\nHet hof is – alles afwegende – van oordeel dat een onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt. Anders dan de verdediging heeft bepleit acht het hof een geldboete, gelet op de context waarin en de wijze waarop de vernieling plaatsvond – tijdens de jaarwisseling en met (illegaal) vuurwerk – niet passend. Evenmin zal om die reden toepassing worden gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.\n\nVorderingen tot schadevergoeding\n\nIn het onderhavige strafproces hebben tweeëntwintig verbalisanten zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van het onder 2 ten laste gelegde. De benadeelde partijen [verbalisant 17] , [verbalisant 12] , [verbalisant 8] , [verbalisant 9] , [verbalisant 19] , [verbalisant 20] , [verbalisant 18] , [verbalisant 15] , [verbalisant 10] , [verbalisant 4] , [verbalisant 1] , [verbalisant 16] , [verbalisant 3] , [aspirant] , [verbalisant 7] , [hoofdagent] , [verbalisant 14] , [verbalisant 5] en [verbalisant 6] vorderen per persoon een vergoeding van € 350,00 aan immateriële schade. De benadeelde partijen [verbalisant 13] en [verbalisant 11] vorderen per persoon een vergoeding van € 400,00 aan immateriële schade en de benadeelde partij [verbalisant 2] vordert een vergoeding van € 750,00 aan immateriële schade.\n\nNu de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vordering.\n\nGelet daarop zullen de benadeelde partijen worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de verdediging tegen die vorderingen heeft moeten maken, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil.\n\nToepasselijke wettelijke voorschriften\n\nHet hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.\n\nBESLISSING\n\nHet hof:\n\nVerklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1 tenlastegelegde.\n\nVernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover thans aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:\n\nVerklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan.\n\nVerklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.\n\nVerklaart het onder 3 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.\n\nVeroordeelt de verdachte tot een taakstrafvoor de duur van60 (zestig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door30 (dertig) dagen hechtenis.\n\nBeveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van 2 uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.\n\nVordering van de benadeelde partijen:\n\n- [verbalisant 17] ,\n\n- [verbalisant 12] ,\n\n- [verbalisant 13] ,\n\n- [verbalisant 8] ,\n\n- [verbalisant 9] ,\n\n- [verbalisant 19] ,\n\n- [verbalisant 20] ,\n\n- [verbalisant 11]\n\n- [verbalisant 18] ,\n\n- [verbalisant 15] ,\n\n- [verbalisant 10] ,\n\n- [verbalisant 4] ,\n\n- [verbalisant 1] ,\n\n- [verbalisant 16] ,\n\n- [verbalisant 3] ,\n\n- [verbalisant 2]\n\n- [aspirant] ,\n\n- [verbalisant 7] ,\n\n- [hoofdagent] ,\n\n- [verbalisant 14] ,\n\n- [verbalisant 5] , en\n\n- [verbalisant 6]\n\nVerklaart de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens niet-ontvankelijk in hun vordering tot schadevergoeding.\n\nVeroordeelt de hiervoor genoemde benadeelde partijen telkens in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze telkens op nihil.\n\nDit arrest is gewezen door mr. F.W. Pieters, als voorzitter, mr. E.C. van Veen en mr. M.C. Bruining, leden, in bijzijn van de griffier mr. V.V. de Lange.\n\nHet is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 juli 2026.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2026:2250","ecli-nl-ghdha-2026-2250",{"courtName":51,"legalDomain":17,"decisionType":18,"procedureType":19},"Den Haag",{"id":53,"ecli":54,"caseNumber":6,"courtId":55,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":56,"language":12,"source":13,"sourceUrl":57,"summary":6,"slug":58,"metadata":59},"348","ECLI:NL:RBDHA:2026:18721",65,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Groningen\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.20806\n uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n \n [naam], eiseres,\n\nV-nummer: [v-nummer:],\n\n(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, de minister.\n\nInleiding\n\n1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 april 2026 niet in behandeling genomen omdat daarvoor Frankrijk verantwoordelijk is.\n\n1.1.. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\n2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. Zij doet dat mede aan de hand van de argumenten die eiseres heeft aangevoerd, de beroepsgronden.\n\n3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.\n\nToepasselijk recht\n\n4. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.\n\nTotstandkoming van het besluit\n\n5. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening.Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om terugname gedaan. Frankrijk heeft dit verzoek aanvaard.\n\nMag de minister ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?\n\n6. Eiseres stelt zich op het standpunt dat er in Frankrijk voor haar een onveilige situatie zal optreden. Dit is het gevolg van de aanwezigheid van veel Libanezen in Frankrijk, waaronder ook de familie van haar moeder die haar eerder al bedreigde. Bovendien heeft eiseres in Nederland een community gevonden waar zij zich veilig bij voelt en in Frankrijk heeft zij niemand, dit is voor haar een angstaanjagend vooruitzicht. Dit terwijl in Nederland er een sterke en diverse LHBT-gemeenschap is waar zij zich veilig voelt. Volgens eiseres is er in Frankrijk bovendien nog steeds een groot probleem met betrekking tot de opvang van asielzoekers. Ze verwijst naar het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024.Er is een tekort aan opvangplekken en eiseres loopt bij terugkeer een reëel risico om in een situatie van materiële deprivatie terecht te komen. Volgens eiseres is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en berust het evenmin op een deugdelijke motivering.\n\n6.1.. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank mag de minister ten aanzien van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdelingheeft meermaals bevestigd dat ten aanzien van Frankrijk in algemene zin kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hierbij is ook het AIDA rapport, update 2024, betrokken. De rechtbank overweegt ambtshalve dat ook het recente AIDA rapport, update 2025, geen wezenlijk ander beeld geeft van de opvangvoorzieningen in Frankrijk dan de informatie die is betrokken door de Afdeling in eerdere uitspraken.\n\n6.2.. Uit de AIDA rapporten blijkt niet dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang of asielprocedure, ook niet ten aanzien van de LHTBI-gemeenschap. Eiseres heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk persoonlijk geen opvang, rechtsbescherming of toegang tot de procedure zal krijgen. Eiseres heeft niet eerder een asielaanvraag in Frankrijk ingediend waardoor zij geen persoonlijke ervaring heeft met de kwaliteit van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Frankrijk.\n\n6.3.. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden op basis waarvan de minister de aanvraag toch zou moeten behandelen.\n\nConclusie en gevolgen\n\n7. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiseres overgedragen kan worden aan Frankrijk. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank verklaart het beroep ongegrond.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.\n\nDe uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over verzet\n\nAls partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.\n\n Zie artikel 84 van de Asiel- en migratiebeheerverordening inzake het overgangsrecht.\n\n Verordening (EU) nr. 604\u002F2013.\n\n Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.\n\n Update 2024 van juni 2025.\n\n Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.\n\n Update 2025 van mei 2026.\n\n Zie ook de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 3 juli 2026. (ECLI:NL:RBDHA:2026:18469, r.o. 7.1) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 25 juni 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:17711).","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18721","ecli-nl-rbdha-2026-18721",{"courtName":60,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Groningen","Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht",{"id":63,"ecli":64,"caseNumber":6,"courtId":65,"courtName":6,"decisionDate":25,"fullText":66,"language":12,"source":13,"sourceUrl":67,"summary":6,"slug":68,"metadata":69},"418","ECLI:NL:RBDHA:2026:18726",61,"RECHTBANK DEN HAAG\n\nZittingsplaats Rotterdam\n\nBestuursrecht\n\nzaaknummer: NL26.36068uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen\n\n [naam eiser] , eiser\n\nV-nummer: [V-nummer]\n\n(gemachtigde: mr. J.S. Dobosz),\n\nen\n\nde minister van Asiel en Migratie, verweerder\n\n(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).\n\nSamenvatting\n\n1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.\n\n1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is onrechtmatig. De rechtbank kent daarom een schadevergoeding toe. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.\n\n1.2.. In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:\n\nAwb: Algemene wet bestuursrecht\n\nVw: Vreemdelingenwet 2000\n\nVb: Vreemdelingenbesluit 2000\n\nProcesverloop\n\n2. Met het bestreden besluit van 29 juni 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.\n\n2.1.. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.\n\n2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K.A. Ozdzinska als tolk en de gemachtigde van verweerder.\n\nBeoordeling door de rechtbank\n\nToetsingskader\n\n3. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen.Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring.Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.\n\nGronden\n\n4. Eiser heeft de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet bestreden. De gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.\n\nRechtmatig verblijf\n\n5. Eiser heeft aangevoerd dat er sprake is van een rechtmatig verblijf van eiser in Nederland op grond van artikel 7 van de Richtlijn 2004\u002F38\u002FEG. Eiser is een maand voorafgaand aan de onderhavige zaak opgehouden op 3 juni 2026. Hij heeft ter onderbouwing het proces-verbaal van ophouding overgelegd. Op deze dag is onderzoek gedaan naar de arbeidssituatie van eiser. Gebleken is dat eiser arbeid verricht voor een Nederlands uitzendbureau en beschikte over een arbeidscontract. Eiser is vervolgens heengezonden wegens bestendig verblijf. Verweerder kon ten aanzien van de onderhavige maatregel van bewaring op 29 juni 2026 niet zonder meer terugvallen op het standpunt dat sprake is van voortgezet onrechtmatig verblijf. Dit is onverenigbaar met de bevinding op 3 juni 2026. De maatregel van bewaring is dan ook onvoldoende zorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.\n\n5.1.. Verweerder heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft, nu zijn verblijfsrecht als Unieburger bij beschikking van 6 maart 2025 is beëindigd. De rechtbank stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat het verblijfsrecht van een Unieburger eerder is beëindigd, niet zonder meer meebrengt dat deze op een later moment geen rechten meer aan het Unierecht kan ontlenen. Indien sprake is van gewijzigde feiten en omstandigheden dient verweerder de verblijfsrechtelijke positie van de betrokkene opnieuw te beoordelen alvorens tot het oordeel te komen dat hij geen rechtmatig verblijf heeft.\n\n5.2.. De rechtbank oordeelt als volgt. In de maatregel van bewaring is vermeld dat eiser heeft verklaard werkzaam te zijn voor een Nederlands uitzendbureau en dit ook heeft aangetoond, dat eiser werkzaam is in België waar hij ook wordt voorzien van woonruimte door de werkgever en dat hij in België mag verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze omstandigheden concrete aanwijzingen dat de feitelijke situatie van eiser sinds de beschikking van 6 maart 2025 is gewijzigd. Van verweerder mocht daarom worden verwacht dat hij kenbaar zou onderzoeken welke betekenis deze gewijzigde omstandigheden hebben voor de actuele verblijfsrechtelijke positie van eiser. Uit de maatregel van bewaring, het gehoor voorafgaand aan deze maatregel en de overige stukken in het dossier is niet gebleken dat een dergelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarbij betrekt de rechtbank dat uit het proces-verbaal van ophouding van eiser op 3 juni 2026 blijkt dat eiser is heengezonden, omdat sprake was van ‘mogelijk bestendig verblijf’. Uit het proces-verbaal van verhoor op die dag blijkt dat het werken voor een Nederlands uitzendbureau hier ook aan de orde is geweest. Vervolgens wordt nog geen maand later in de onderhavige maatregel van bewaring zonder kenbare motivering aangenomen dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Niet valt in te zien waarom verweerder er zonder nader onderzoek van uit heeft kunnen gaan dat eiser geen aan het Unierecht ontleend verblijfsrecht had. De motivering dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft, is onder deze omstandigheden onvoldoende draagkrachtig. Gelet hierop is de maatregel in strijd met artikel 3:2 en 3:46 van de Awb tot stand gekomen en is dan ook onrechtmatig. Deze beroepsgrond slaagt.\n\nConclusie en gevolgen\n\n6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is gegrond. Deze maatregel is vanaf het moment van het opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van deze maatregel met ingang van vandaag.\n\n6.1.. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 10 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vreemdelingenbewaring ten bedrage van 0 x € 160,- (verblijf politiecel) en 10 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.200,-.\n\n6.2.. Eiser krijgt een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.\n\nBeslissing\n\nDe rechtbank:\n\n- verklaart het beroep gegrond;\n\n- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van € 1.200,- aan schadevergoeding aan eiser, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;\n\n- beveelt de opheffing van de maatregel van vreemdelingenbewaring met ingang van vandaag;\n\n- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.\n\nDeze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.\n\nUitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:\n\nInformatie over hoger beroep\n\nEen partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.\n\n Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 59c van de Vw.\n\n Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vb.\n\n Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.","https:\u002F\u002Fdeeplink.rechtspraak.nl\u002Fuitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2026:18726","ecli-nl-rbdha-2026-18726",{"courtName":70,"legalDomain":61,"decisionType":18,"procedureType":19},"Rotterdam"]