Skip to main content

ECLI:NL:RBOVE:2026:3613

Instanță

Zwolle

Data

26 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Zwolle

Procedure: UitspraakDomain: Bestuursrecht; BestuursprocesrechtType: uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: ZWO 26/661
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats],

hierna: [eiser],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zwolle

(gemachtigden: [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2]),

hierna: het college.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het beroep van [eiser] dat is ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op zijn verzoek om handhaving.

1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de rechtbank onbevoegd is om kennis te nemen van het beroep van [eiser] tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Inleiding

2. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] wegens het niet tijdig beslissen door het college op zijn verzoek om handhaving.

2.1..
[eiser] heeft op 7 november 2025 bij het college een verzoek om handhaving ingediend. Hij heeft hierin vermeld dat sinds de zomer steevast één of meerdere pleziervaartuigen aangemeerd liggen aan de kleine steiger in de [locatie], ook wel ‘[locatie]’ genoemd. Omdat dit een overtreding is van de Algemene Plaatselijke Verordening, heeft [eiser] het college verzocht hiertegen handhavend op te treden.

2.2.. Wegens het uitblijven van een reactie van het college heeft [eiser] het college op 5 januari 2026 in gebreke gesteld en daarbij verzocht alsnog binnen twee weken een besluit te nemen op zijn verzoek.

2.3..
[eiser] heeft op 11 februari 2026 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit.

2.4.. Het college heeft op 23 februari 2026 gereageerd op het verzoek om handhaving en op de ingebrekestelling.

2.5.. Het college heeft op 25 februari 2026 een verweerschrift ingediend.

2.6..
[eiser] heeft op 25 februari 2026 een aanvullend beroepschrift ingediend.

2.7.. Het college heeft op 21 april 2026 een aanvullend verweerschrift ingediend.

2.8.. De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en de gemachtigden van het college.

Beoordeling door de rechtbank

3. [eiser] voert aan dat zijn verzoek om handhaving een aanvraag is, zoals bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). [eiser] stelt belanghebbende te zijn bij het verzoek, omdat hij een voldoende objectief, persoonlijk, eigen, rechtstreeks en actueel belang heeft. Hij woont in de nabije omgeving van de steiger en maakt regelmatig gebruik van de steiger als hij vaart met zijn kano, bijvoorbeeld om in en uit te stappen of om te pauzeren. Ter onderbouwing van zijn recreatieve activiteiten met de kano wijst [eiser] op zijn voorzitterschap van de Zwolse kanovereniging De Peddelaars en op zijn lidmaatschap van de landelijke Toeristische Kanobond Nederland. Ook wandelt hij vaak langs (de directe omgeving van) de steiger.

4. Op grond van artikel 1:3, derde lid, van de Awb wordt onder aanvraag verstaan een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen.

5. Op grond van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

6. Op grond van artikel 6:2 van de Awb worden voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld:

a. de schriftelijke weigering een besluit te nemen, en

b. het niet tijdig nemen van een besluit.

7. Op grond van artikel 8:1 van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.

8. De rechtbank overweegt als volgt. Het college hoeft op het verzoek om handhaving van [eiser] alleen een besluit te nemen als dat verzoek kan worden aangemerkt als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Een verzoek van iemand die geen belanghebbende is, is geen aanvraag als bedoeld in de Awb. Daarop hoeft dan ook geen besluit te worden genomen. In dat geval kan ook geen sprake zijn van het niet tijdig nemen van een besluit.

9. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van Statevolgt dat de wetgever met het belanghebbendenbegrip een zekere begrenzing heeft beoogd. Een louter subjectief gevoel van betrokkenheid bij een besluit is niet voldoende om te kunnen spreken van een rechtstreeks bij het besluit betrokken belang. Ook een persoon die wellicht enig belang heeft, maar zich niet in voldoende mate onderscheidt van anderen, kan niet worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in de Awb.

10. De rechtbank is van oordeel dat [eiser] geen belanghebbende is bij zijn verzoek om handhaving. Hoewel [eiser] recreatief gebruik maakt van de steiger voor zijn kano-activiteiten, onderscheidt hij zich hiermee onvoldoende van andere gebruikers van de steiger. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat de steiger ook gebruikt wordt door andere leden van de Zwolse kanovereniging. Daarbij komt dat de steiger ook kan worden gebruikt door andere watersportgebruikers. Het recreatieve gebruik van de steiger is daarom niet voldoende om te kunnen spreken van een belang dat [eiser] in voldoende mate onderscheidt van andere gebruikers van de steiger.

11. Gelet op het voorgaande is het verzoek van [eiser] geen aanvraag als bedoeld in de Awb. Dat betekent dat het college geen besluit hoefde te nemen. Het uitblijven van een reactie op het verzoek van [eiser] kan daarom ook niet met een besluit gelijkgesteld worden.

12. De rechtbank is daarom onbevoegd om van het beroep kennis te nemen.

Conclusie en gevolgen

13. De rechtbank is onbevoegd om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank zal daarom, gelet op artikel 2.5, zevende lid, van het Procesreglement bestuursrecht rechtbanken 2025, de griffier opdragen het door [eiser] betaalde griffierecht terug te storten.

13.1.. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Berlo, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Diele, griffier, uitgesproken in het openbaar op

griffier

rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3107.

Mai Multe Decizii