ECLI:NL:RBOVE:2026:3812
Rezumatul Cauzei
Strafrecht
Uitspraak
Zwolle
RECHTBANK OVERIJSSEL
Team Strafrecht
Meervoudige kamer
Zittingsplaats Zwolle
Parketnummer: 08.316503.25 en 08-266989-23 (vord. tul) (P)
Datum vonnis: 2 juli 2026
Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 2005 in [geboorteplaats 1] ,
wonende aan de [adres 1] ,
nu verblijvende in de PI [verblijfplaats] .
1. Het onderzoek op de terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 juni 2026.
De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van wat door verdachte en zijn raadsvrouw mr. N. Tanoglu, advocaat in Arnhem, naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
De verdenking komt er na wijziging van de tenlastelegging als bedoeld in artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van 18 juni 2026, kort en zakelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
feit 1:heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door haar te wurgen(primair)dan wel dat hij heeft geprobeerd haar zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door haar te wurgen(subsidiair);
feit 2:[slachtoffer] heeft mishandeld door in haar keel te knijpen, tegen haar lichaam te slaan, aan de haren te trekken, een knietje tegen haar hoofd te geven, met een blikje tegen het hoofd te slaan, in de nek te knijpen en/of in de arm/hand te bijten;
feit 3:14,13 gram cocaïne voorhanden heeft gehad.
Voluit luidt de tenlastelegging aan verdachte, dat:
1
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
opzettelijk
een ander, te weten [slachtoffer]
van het leven te beroven,
meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt
en/of dichtgeknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling
mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle, althans in Nederland,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan een ander, te weten [slachtoffer] ,
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt
en/of dichtgeknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op een of meerdere momenten op of omstreeks 22 november 2025 te
Zwolle, althans in Nederland,
[slachtoffer] heeft mishandeld, door
- meermalen, althans eenmaal, de keel van die [slachtoffer] vast te pakken
en/of dicht te knijpen;
- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, tegen haar hoofd en/of haar
schouder, althans haar lichaam, te slaan,
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, aan haar haren te trekken,
die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, een knietje tegen haar hoofd
te geven,
- die [slachtoffer] met een blikje cola, althans een soortgelijk voorwerp, tegen
haar (achter)hoofd te slaan,
die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en/of
die [slachtoffer] in haar arm en/of hand te bijten;
3
hij op of omstreeks 22 november 2025 te Zwolle,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad
ongeveer 14,13 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een
materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne,
een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel
aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
3. De bewijsmotivering
3.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen verklaard.
3.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, de aangifte van [slachtoffer] onbetrouwbaar is en het dichtknijpen van de keel niet tegen de wil van aangeefster heeft plaatsgevonden, maar met haar instemming in het kader van wurgseks. Mocht de rechtbank de verklaring van aangeefster wel betrouwbaar achten, dan kan niet worden bewezen dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de dood dan wel zware mishandeling, aldus de verdediging.
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2, met uitzondering van het vastpakken en dichtknijpen van de keel, en feit 3.
3.3. Het oordeel van de rechtbank
3.3.1. Bewijsmiddelen
De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen:
Het procesverbaal van aangifte van [slachtoffer] van 22 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik heb sinds ongeveer 4 jaar een relatie met [verdachte] .(…) Ik zag dat mijn vriend zijn vuist balde. Ik zag en voelde dat mijn vriend mij met deze rechtervuist op mijn hoofd en schouder sloeg. Mijn vriend probeerde mij uit de auto te krijgen door hard aan mijn haren te trekken. Ik voelde het haar uit mijn hoofd gaan, het deed ontzettend pijn. Ik zag en voelde dat hij mij twee keer met zijn rechtervuist op de rechterzijde van mijn hoofd sloeg. Ik voelde doffe pijn op mijn hoofd. Ik zag en voelde dat mijn vriend weer aan mijn haren trok om mij volledig uit de auto te krijgen. Mijn vriend duwde mij, waardoor ik op mijn linkerzij in de auto terechtkwam. Waarna hij mij 10-15 keer op mijn rechterboven- en onderarm en in mijn gezicht sloeg. Ik voelde een doordringende pijn op mijn rechterbovenarm.
Mijn vriend reed door naar de Esso gelegen aan de van [adres 2] . Daar gingen de mishandelingen verder. Op dat moment pleegde hij de volgende handelingen:
vijf á zes keer aan mijn haren trekken;
hij pakte en kneep mij in mijn nek en duwde mij met twee handen hard naar de grond;
hij beet mij in mijn hand en onderarm;
hij sloeg mij in totaal drie keer met zijn platte hand in mijn gezicht;
hij sloeg mij vier á vijf keer met zijn vuist op mijn linkerkaak en voorhoofd.
Ik stapte uit de auto waarna mijn vriend naar mij toe kwam. Mijn vriend pakte mij met beide handen bij mijn keel. Mijn vriend kneep mijn keel ongeveer 10 seconden lang hard dicht.
Ik moest hoesten, maar ik kon niet hoesten omdat mijn keel dichtgeknepen werd. Ik werd daardoor misselijk. Toen mijn vriend mijn keel losliet, hoestte ik en kwam er slijm vrij.
Mijn vriend stopte niet vrijwillig met het dichtknijpen van mijn keel, maar mijn vriend werd weggetrokken door zijn vriend ' [bijnaam] '. Ik voelde dat mijn vriend mijn nek vastpakte en mij twee knietjes op mijn voorhoofd gaf. Ik voelde gelijk hevige pijn op mijn voorhoofd. Ik greep naar zijn baard om mij los te rukken van hem. Ik voelde en zag dat hij mij weer met twee handen naar mijn keel greep en mijn keel ongeveer 5 seconden dichtkneep. Ik voelde dat dit krachtiger was dan de vorige keer dat hij mijn keel dichtkneep. Ik voelde dat ik urine verloor. (…) Ik zag wederom dat mijn vriend uit de auto stapte met een blikje Cola en dat op mijn achterhoofd kapotsloeg. Ik durf niet aangifte te doen tegen mijn vriend, omdat ik bang voor hem ben. Ik denk echt dat hij in staat is om mij dood te maken.
Het aanvullend procesverbaal van 22 november 2025 (aanvullende aangifte [slachtoffer] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Het duurde twintig seconden voor mijn gevoel. Ik zag hij mij met twee handen mij bij de keel vastpakte. Ik voelde dat hij mij zo hard kneep dat ik daardoor niet meer kon ademen. Het voelde voor mij alsof mijn ogen uit mijn oogkas zouden gaan komen. Ik had nu het gevoel alsof ik dood zou kunnen gaan.
Ik zag dat hij mij weer vastpakte bij mijn keel met twee handen en deze keer was het met veel meer kracht dan de eerste keer. Dit merkte ik doordat ik op dat moment ook urine verloor. Ik voelde alsof mijn gezicht in brand stond. Ik had het gevoel dat ik op dat moment niet kon ademen. Daarna heb ik hem gekrabd in zijn gezicht en heb ik zijn baard vastgepakt, ik zag dat hij mij daarna losliet.
Het procesverbaal van bevindingen van 23 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op zaterdag 22 november om 04.33 uur, kwamen wij ter plaatse bij het 'Esso' tankstation, gelegen aan de [adres 2] . Ik zag een vrouw, welke mij later bleek te zijn: [slachtoffer] , [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] 2000 te [geboorteplaats 2] . Ik zag dat deze vrouw huilde. Ik zag dat ze hevig trilde. Ik hoorde dat ze meerdere keren zei: ''hij is weggereden in de richting van de Hogenkampsweg, maar waarschijnlijk nog wel ergens hier in de buurt haar in de gaten aan het houden was.'' Ik zag dat ze de hele tijd om zich heen keek. Dit wekte mij de indruk dat [slachtoffer] in paniek was.
Ik vroeg [slachtoffer] wat er was gebeurd. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat zij zojuist in de auto en buiten de auto mishandeld was door haar vriend [verdachte] , later genoemd als verdachte. Ik hoorde dat [slachtoffer] zei dat ze door verdachte: aan haar haren was getrokken, dat zij door verdachte meerdere keren met vuisten op haar gezicht is geslagen, dat zij knietjes van verdachte op haar voorhoofd had gekregen en dat haar keel door verdachte was dichtgeknepen.
Naast [slachtoffer] stond [getuige] , [getuige] . [getuige] vertelde mij dat zij een vriendin en collega was van [slachtoffer] en dat zij de mishandeling deels had gezien.
Ik zag en hoorde dat [slachtoffer] erg snel praatte, trilde en niet goed uit haar woorden kwam.Ik heb tijdens het opnemen van de aangifte ervaren dat [slachtoffer] alleen maar bezig was met de gevolgen die dit voor haar zou hebben, zoals: hij kan mijn woning naar binnenkomen via mijn buren, ik durf niet naar huis want hij komt mij opzoeken en dood maken, ik ben veiliger met hem in een relatie dan wanneer ik niet met hem in een relatie ben. Zowel ter plaatse als tijdens het opnemen van de aangifte kwam het slachtoffer op mij over als een slachtoffer die ontzettend bang was en is en vreest voor haar leven.
De forensischmedische letselbeschrijving van 12 december 2025, door W.A. Karst, forensisch arts KNMG, Landelijk Onderzoeks- en Expertisebureau FMO (het LOEF), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Betrokkene: [slachtoffer]
Op 22 november 2025 vanaf 14:30 uur werd een forensisch-medisch onderzoek uitgevoerd in het kader van nietfatale strangulatie.
Mw. [slachtoffer] vertelde mij dat ze twee keer bij de keel was gegrepen met 2 handen. De eerste keer duurde voor haar gevoel een seconde of 20, waarbij ze tussendoor wat lucht kon happen. De tweede keer was korter, mogelijk 5 tot 10 seconden, maar wel met volle kracht. Mw. [slachtoffer] beschreef dat het voelde alsof haar ogen uit haar oogkassen vielen.
Tijdens dit onderzoek zijn de volgende bevindingen gedaan:
- Er waren onderhuidse bloeduitstortingen links en rechts op het voorhoofd, onder het
linkeroog, links in de hals, links in de nek, op de rechterschouder, op de borstkas, op
beide borsten, op beide armen en op de rechterduim;
- Er waren krasletsels links in de hals, op de rechterbovenarm, op de linkerbovenarm en
op de rechterpink;
Er was een huidbeschadiging op de kin;
Er was een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het oogwit van het linkeroog;.
De forensisch-medische letselrapportage met benoeming van 29 mei 2026, door G. Reijnen, forensisch arts, en E. van Mierlo, forensisch arts, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 22-11-2025 heeft er een forensisch medisch onderzoek (FMO) plaatsgevonden bij betrokkene. Bij herziening van de foto’s werd in het linkeroog een puntbloeding op de overgang van het oogwit en het onderooglid gezien.
De vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het
oog), samen met de gemelde heesheid en het urineverlies kunnen passen bij een scenario
verwurging. Er is geen alternatieve verklaring voor deze combinatie aan verschijnselen in de hals. De gevaarzetting van een verwurging hangt af van de kracht, de duur en de frequentie van de verwurging. Voor het ontstaan van een puntbloeding moeten de halsader links en rechts met enige kracht, gedurende 10-30 seconden worden dichtgedrukt. Een benadering van de gevaarzetting kan gemaakt worden op basis van de vastgestelde letsels, met inachtneming van de beperkingen van de studie van Plattner. Bij betrokkene resulteren de vastgestelde letsels (bloeduitstortingen en krasletsel in de hals en een puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies in een categorie 2, matige verwurging. Dit is mogelijk levensbedreigend.
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 18 juni 2026, voor zover inhoudende de verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:
Op 22 november 2025 had ik ruzie met [slachtoffer] . Ik heb aan de haren van [slachtoffer] getrokken. Ik heb haar geslagen tegen de arm.
De rechtbank verklaart meerdere feiten bewezen. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
3.3.2. Overwegingen
De betrouwbaarheid van de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen
Hoewel verdachte ontkent te hebben geprobeerd om [slachtoffer] te wurgen en [slachtoffer] ter zitting haar verklaring over het dichtknijpen van de keel heeft gewijzigd en heeft verklaard dat verdachte alleen in het kader van wurgseks in haar keel heeft geknepen, twijfelt de rechtbank niet aan de aangifte en de aanvullende verklaring die [slachtoffer] op 22 november 2025 heeft afgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze verklaringen gedetailleerd en consistent. Ook heeft [slachtoffer] in de aangifte direct verklaard over haar eigen rol, onder meer dat zij aan de baard van verdachte heeft getrokken om het dichtknijpen van de keel te stoppen. De rechtbank stelt daarnaast vast dat de door [slachtoffer] afgelegde verklaringen op concrete onderdelen steun vinden in andere bewijsmiddelen. De politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben in een procesverbaal van bevindingen beschreven dat [slachtoffer] in paniek was, dat zij vertelde dat zij was mishandeld door haar vriend en dat hij haar keel had dichtgeknepen en dat zij bang voor hem is. Getuige [getuige] heeft na het incident gezien dat [slachtoffer] huilde, dat het haar van [slachtoffer] in de war zat en dat haar kleding gescheurd was en [getuige] hoorde dat [slachtoffer] hoog in haar ademhaling zat. Ook past het door de forensisch arts omgeschreven letsel bij de geweldshandelingen die [slachtoffer] heeft omschreven. Daar komt bij dat de eerste verklaring van [slachtoffer] wordt ondersteund door een brief van [slachtoffer] aan het Openbaar Ministerie, die op 1 december 2025 is ontvangen, waarin zij heeft geschreven dat zij een zeer heftige ruzie heeft gehad met verdachte waarbij geweld is gebruikt en zij bij haar keel is gepakt. Over wurgseks wordt in deze brief niet gesproken.
Verdachte heeft in de politieverhoren ontkend dat hij [slachtoffer] heeft vastgepakt bij de keel en haar keel heeft dichtgeknepen. Voor het eerst ter terechtzitting op 18 juni 2026, nadat [slachtoffer] ter terechtzitting heeft verklaard dat zij wurgseks heeft gehad met verdachte, heeft verdachte verklaard dat hij de keel van [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen, maar dat hij dit deed met instemming van [slachtoffer] tijdens wurgseks. De rechtbank beschouwt de door verdachte ter terechtzitting afgelegde verklaring, gelet op de vastgestelde feiten en omstandigheden en het feit dat hij deze verklaring pas heeft afgelegd nadat [slachtoffer] ter zitting een gelijkluidende verklaring heeft afgelegd, als ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank de aangifte en aanvullende verklaring van aangeefster betrouwbaar en zal deze dan ook voor het bewijs gebruiken.
Overwegingen ten aanzien van feit 1
Vervolgens ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de aangifte voldoende steun vindt in de overige bewijsmiddelen in het dossier en of sprake was van een aanmerkelijke kans op de dood en verdachte deze kans bewust heeft aanvaard.
De rechtbank is van oordeel dat de aangifte voldoende steun vindt in het procesverbaal van bevindingen van de politieagenten die aangeefster hebben aangetroffen na het incident, de forensischmedische omschrijving van het letsel van aangeefster en de forensischmedische letselrapportage met de interpretatie van het letsel en de toelichting van deskundige G. Reijnen, forensisch arts KNMG, ter terechtzitting.
De politieagenten die [slachtoffer] direct na het incident hebben aangetroffen, hebben de emoties en angst bij [slachtoffer] waargenomen. Ook komt de verklaring van [slachtoffer] tegenover de politieagenten over de geweldshandelingen overeen met wat zij later in haar aangifte heeft verklaard.
Tijdens het forensischmedisch onderzoek is geconstateerd dat [slachtoffer] bloeduitstortingen in de nek, een huidbeschadiging op de kin en krasletsels op de hals had en dat sprake was van een toegenomen zichtbaarheid van bloedvaten in het linkeroog. Bij de letselinterpretatie werd ook een puntbloeding (petechie) in het linkeroog gezien. Deskundige Reijnen heeft beschreven dat de bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de huidbeschadiging op de kin kunnen worden verklaard door een samendrukkende krachtsinwerking op de hals. Een puntbloeding kan ontstaan als de halsaderen (links en rechts) met enige kracht, gedurende tenminste 10 tot 30 seconden worden dichtgedrukt. De vastgestelde letsels met de heesheid en het urineverlies kunnen passen bij het scenario van verwurging. Op de vraag hoe gevaarlijk het letsel is dat had kunnen optreden, heeft de deskundige beschreven dat het daadwerkelijk ontstane letsel niet levensbedreigend is geweest. Dit staat echter los van de gevaarzetting van de handeling van het uitoefenen van samendrukkend geweld op de hals door een derde (strangulatie). Het gevaar van een samendrukkende kracht op de hals bestaat uit het optreden van zuurstoftekort. Dit kan via twee mechanismes optreden, namelijk door het dichtdrukken van de bloedvaten of het dichtdrukken van de ademweg. Bij het uitoefenen van deze handeling kan er letsel optreden, zoals bloeduitstortingen, inwendig letsel en/of krasletsel. Dit letsel op zichzelf is niet levensbedreigend, maar de kans op zuurstoftekort is groter naarmate de uitgeoefende kracht op de hals groter is of langer duurt. Indien het zuurstoftekort niet tijdig wordt opgeheven, leidt dit tot bewustzijnsverlies en uiteindelijk tot de dood. Het kritieke punt waarop verwurging levensbedreigend wordt, is niet precies vast te stellen, net zoals de exacte duur dat een verwurging moet worden aangehouden na bewusteloosheid om het punt zonder spontaan herstel van het bewustzijn en de ademhaling te bereiken. Zonder medisch ingrijpen leidt deze situatie tot de dood. De gevaarzetting van de niet-fatale verwurging bij [slachtoffer] kan op basis van de letsels (bloeduitstortingen in de hals en nek, het krasletsel in de hals en de puntbloeding in het linkeroog) en de gemelde heesheid en urineverlies geclassificeerd worden als matige verwurging (Plattner’s classificatie klasse 2). Dit is mogelijk levensbedreigend. De Plattnerclassificatie moet volgens het rapport met voorzichtigheid worden benaderd en daarom heeft de rechtbank ook acht geslagen op wat de deskundige in aanvulling op het rapport heeft toegelicht over het risico van verwurging.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting op 18 juni 2026 heeft deskundige Reijnen in aanvulling op zijn deskundigenrapport toegelicht dat het ontstaan van een puntbloeding in het oog minder waarschijnlijk is bij het scenario van wurgseks, zoals daarover door [slachtoffer] ter terechtzitting is verklaard, dan bij het scenario van onvrijwillig verwurging. [slachtoffer] heeft ter zitting verklaard dat het wurgen tijdens de wurgseks vijf tot tien seconden duurde. Een puntbloeding ontstaat na minstens tien seconden verwurging. Het ontstaan van de puntbloeding is volgens de deskundige wel te verklaren door het scenario van onvrijwillige verwurging waarbij de keel tien tot twintig seconden is dichtgeknepen, zoals door [slachtoffer] in de aangifte en de aanvulling daarop is verklaard. Wat betreft het gevaar van verwurging heeft de deskundige toegelicht dat bewusteloosheid al na tien seconden verwurging kan optreden. Het is niet in zijn algemeenheid te zeggen hoelang het duurt tot de dood intreedt bij bewusteloosheid door verwurging; de dood kan plots intreden als de bloeddoorstroming naar de hersenen door de verwurging is onderbroken. Bij vrijwel iedere verwurgingshandeling is daarom levensgevaar aan de orde.
Gelet op het feit dat verdachte twee keer met kracht [slachtoffer] bij de keel heeft vastgepakt, waarvan de eerste keer minstens tien seconden, waarbij [slachtoffer] het gevoel had dat zij niet meer kon ademen en bloeduitstortingen in de hals en nek zijn ontstaan, en het volgens de deskundige aannemelijk is dat daardoor de puntbloeding in het oog is ontstaan, is de rechtbank van oordeel dat de kans op het overlijden van [slachtoffer] aanmerkelijk moet zijn geweest.
Uit de bewijsmiddelen blijkt bovendien dat verdachte niet zelf de keel van [slachtoffer] heeft losgelaten, maar dat zijn vriend hem de eerste keer wegtrok en dat hij de tweede keer losliet, omdat aangeefster in zijn gezicht krabde en aan zijn baard trok. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte de aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Overwegingen ten aanzien van feit 2
Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft overwogen, en het feit dat de verdediging zich voor het overige heeft gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en op de verklaring van verdachte ter terechtzitting, acht de rechtbank het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 3 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen, waarbij de rechtbank - nu verdachte dit feit heeft bekend en door of namens hem geen vrijspraak is bepleit - conform artikel 359, derde lid, laatste volzin, Sv, zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen:
de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 juni 2026;
het procesverbaal van bevindingen van 22 november 2025, pagina 104;
geschriften, te weten NFiDENT rapporten van 25 november 2025, pagina 169173.
3.4. De bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de opgegeven bewijsmiddelen waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1
hij op 22 november 2025 te Zwolle,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven,
meermalen de keel van die [slachtoffer] heeft vastgepakt en dichtgeknepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op meerdere momenten op 22 november 2025 te Zwolle,
[slachtoffer] heeft mishandeld, door
meermalen de keel van die [slachtoffer] vast te pakken en dicht te knijpen;
die [slachtoffer] meermalen tegen haar hoofd en haar schouder te slaan,
die [slachtoffer] meermalen aan haar haren te trekken,
die [slachtoffer] meermalen een knietje tegen haar hoofd te geven,
die [slachtoffer] met een blikje cola tegen haar (achter)hoofd te slaan,
die [slachtoffer] in haar nek te knijpen en
die [slachtoffer] in haar arm en hand te bijten;
3
hij op 22 november 2025 te Zwolle,
opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 14,13 gram cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 45, 287 en 300 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet (OW). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezen verklaarde levert op:
feiten 1 en 2
de eendaadse samenloop van de misdrijven:
poging tot doodslag;
en
mishandeling;
feit 3
het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
5. De strafbaarheid van verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezen verklaarde feiten.
6. De op te leggen straf of maatregel
6.1. De vordering van de officier van justitie
De officier heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 15 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, en met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering is geadviseerd in het rapport van 1 mei 2026.
Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van drie jaar wordt opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer] en een locatieverbod voor een gebied rondom haar woning, waarbij voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis van twee weken wordt toegepast De maatregel dient dadelijk uitvoerbaar te worden verklaard.
6.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om bij oplegging van een gevangenisstraf deze voorwaardelijk op te leggen voor zover de duur ervan langer is dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, en een proeftijd van maximaal twee jaren op te leggen.
6.3. De gronden voor een straf of maatregel
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij in het bijzonder het volgende van belang.
De ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag en het mishandelen van zijn (ex-)partner [slachtoffer] . Verdachte heeft daarbij twee keer de keel van [slachtoffer] dichtgeknepen waardoor de kans bestond dat zij zou overlijden. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen [slachtoffer] en hij liep nog in een proeftijd van die veroordeling, maar dit heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw geweld te plegen tegen [slachtoffer] . De rechtbank acht het zorgwekkend dat [slachtoffer] na het incident tegenover de politie heeft verklaard dat zij veiliger is in een relatie met verdachte dan wanneer zij de relatie verbreekt en dat zij bang is dat verdachte haar zal doden. Verdachte heeft weinig inzicht getoond in de ernst van de feiten. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het bezit van ruim 14 gram cocaïne. Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en dat dit niet zelden leidt tot verslavingsproblematiek en bijkomende problemen. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de gebruikers zelf, maar ook voor hun eigen omgeving en de maatschappij in het algemeen. De rechtbank neemt dit alles verdachte zeer kwalijk.
De persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 28 april 2026. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor huiselijk geweld en een misdrijf op grond van de Opiumwet. Verdachte liep in een proeftijd van een veroordeling vanwege huiselijk geweld toen hij de nieuwe feiten pleegde. Dit weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft de rechtbank kennisgenomen van de inhoud van het reclasseringsadvies van Reclassering Nederland van 1 mei 2026. De reclassering heeft beschreven dat sprake is van een beginnend delictpatroon van huiselijk geweld. De voornaamste delictgerelateerde factoren zijn het psychosociaal functioneren van verdachte en de relatiedynamiek met aangeefster. De relatie is volgens verdachte en aangeefster inmiddels beëindigd. De reclassering schat het recidiverisico in als gemiddeld. De reclassering acht het zorgwekkend dat verdachte en aangeefster contact met elkaar blijven houden, mede gelet op de eerdere veroordeling van verdachte voor huiselijk geweld tegen aangeefster. De reclassering adviseert om diagnostiek en behandeling in te zetten, zodat verdachte risicosignalen leert te herkennen en handvatten aanleert om nieuwe geweldsincidenten, bijvoorbeeld in toekomstige partnerrelaties, te voorkomen. De reclassering adviseert daarnaast een contactverbod met aangeefster en een locatieverbod voor haar woonadres op te leggen. Ook adviseert de reclassering om als voorwaarde op te leggen dat verdachte meewerkt aan controles op het gebruik van verdovende middelen, zodat er zicht komt op zijn middelengebruik.
Gezien de ernst van de gepleegde feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van de feiten een langere gevangenisstraf en een langer onvoorwaardelijk strafdeel rechtvaardigt dan door de officier van justitie is geëist. Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd voor de duur van 40 maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en met een proeftijd van drie jaren en daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.
De op te leggen maatregel
Tot slot acht de rechtbank een maatregel als bedoeld in artikel 38v Sr aangewezen in de vorm van een contactverbod. Het contactverbod houdt in dat verdachte op geen enkele manier (direct of indirect) contact mag opnemen, zoeken, of hebben met [slachtoffer] , tenzij het contact plaatsvindt met voorafgaande (schriftelijke) toestemming van en onder toezicht van de reclassering. Overeenkomstig de vordering van de officier van justitie geldt dit contactverbod voor de duur van drie jaren. Iedere overtreding van het contactverbod levert twee weken hechtenis op, met een maximum van zes maanden. Gelet op de duur van de opgelegde gevangenisstraf, zal de rechtbank geen 38vmaatregel opleggen in de vorm van een locatieverbod.
De rechtbank is van oordeel dat de op grond van artikel 38v Sr opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar moet zijn, nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon. Verdachte is eerder veroordeeld voor huiselijk geweld tegen aangeefster en uit het reclasseringsadvies blijkt dat hij nog steeds contact onderhoudt met aangeefster, terwijl dat een risicofactor is voor herhaling.
7. De vordering tenuitvoerlegging
7.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering onder parketnummer 08.266989.23 tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 3 weken toe te wijzen.
7.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair om afwijzing van de vordering verzocht. Subsidiair heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank indien de rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde.
7.3. Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie moet worden toegewezen. Het is gebleken dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan het plegen van nieuwe strafbare feiten heeft schuldig gemaakt.
8. De toegepaste wettelijke voorschriften
De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38w en 55 Sr.
9. De beslissing
De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;
verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feiten
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar;
verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:
feiten 1 en 2, de eendaadse samenloop van de misdrijven:
poging tot doodslag;
en
mishandeling;
feit 3, het misdrijf: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod
strafbaarheid verdachte
- verklaart verdachte strafbaar voor het onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde;
straf
veroordeelt verdachte tot een gevangenisstrafvoor de duur van40 (veertig) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 10 (tien) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten. De rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien de verdachte voor het einde van deproeftijd van 3 (drie) jarende navolgende algemene voorwaarde niet is nagekomen:
stelt als algemene voorwaardedat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
De rechter kan de tenuitvoerlegging ook gelasten indien de verdachte gedurende de
proeftijd van 3 (drie) jarende navolgende bijzondere voorwaarden
niet is nagekomen:
stelt als bijzondere voorwaardendat verdachte:
zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en
zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken zijn. Voor de eerste afspraak meldt de verdachte zich binnen twee werkdagen nadat de proeftijd is ingegaan bij Reclassering Nederland op het adres [adres 3] ;
- zich diagnostisch laat onderzoeken en aansluitend laat behandelen door Transfore of
een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op agressiebeheersing. Indien er vanuit de middelencontroles blijkt dat er sprake is van problematisch middelengebruik, dan kan de aanpak daarvan eveneens onderdeel uitmaken van de behandeling. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken;
- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met: [slachtoffer]
, geboren op [geboortedatum 2] 2000, tenzij de reclassering toestemming heeft gegeven voor het contact;
zich niet bevindt aan de [adres 4] en op het deel van de [adres 5] dat is gelegen tussen de [adres 4] , te [plaats] . Dit verbod geldt zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering kan tijdens deze periode het verboden gebied laten vervallen, het verboden gebied verkleinen en/of aan verdachte toestemming geven om zich voor een bepaalde periode in een bepaald deel van het verboden gebied te bevinden. Het Openbaar Ministerie kan op verzoek van de reclassering dit locatieverbod (deels) laten vervallen.
meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik en/of het gebruik te leren
beheersen van verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs), en lijst II (softdrugs). Deze controles kunnen bestaan uit een urineonderzoek, ademonderzoek of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
draagt de reclassering op om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; daarbij gelden als voorwaarden van rechtswege dat de verdachte:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, Sr, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;
maatregel
- legt aan verdachte op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidals
bedoeld in artikel 38v Sr voor de duur van 3 (drie) jaren;
- beveelt dat verdachte gedurende 3 (drie) jarenop geen enkele wijze – direct of
indirect – contact op zal nemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] 2000);
beveelt dat voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan de maatregel per overtreding wordt vervangen door 2 (twee) wekenhechtenis en bepaalt daarbij dat de maximale hechtenis zes maanden bedraagt;
beveelt deze maatregel dadelijk uitvoerbaar;
toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op;tenuitvoerlegging voorwaardelijke straf met parketnummer 08.266989.23
beveelt de tenuitvoerleggingvan de bij vonnis van de politierechter te Almelo van 13 september 2024 voorwaardelijk opgelegdegevangenisstrafvoor de duur van3 (drie) weken.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Ruiter, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. T.C. Kuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Lautenbag, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.
Buiten staat
Mr. Kuil is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid OostNederland van 9 april 2026 met nummer 2025566569. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar pagina’s van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.
Pagina 16.
Pagina 17.
Pagina 18.
Pagina 94.
Pagina 128.
Pagina 129.
Pagina 66.
Pagina 67.
Pagina 81.
Pagina 5-6 van de letselrapportage.
Pagina 16 van de letselrapportage.