Skip to main content

ECLI:NL:RBOVE:2026:3912

Instanță

Zwolle

Data

8 July 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Zwolle

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team Strafrecht

Meervoudige kamer

Zittingsplaats Zwolle

Parketnummer: 05.000421.23

Datum beslissing: 8 juli 2026

Tussenbeslissing in de zaak van de officier van justitie tegen:

De verdachte genaamd:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1975 in [geboorteplaats],

wonende aan het [woonplaats].

Deze beslissing is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting (regiezitting) van 24 juni 2026. Daarbij zijn gehoord:

de officier van justitie,

de verdachte,

de raadsman van verdachte.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op de ter terechtzitting overgelegde pleitnotities van de raadsman.

De ingediende verzoeken

Bij e-mail van 7 januari 2026 heeft mr. M. Hoekstra, officier van justitie, verzocht in deze zaak een regiezitting te plannen.

Mr. M.J. Jansma, advocaat in Kampen, heeft namens verdachte op 22 juni 2026 een schriftuur ingediend. De officier van justitie heeft op 23 juni 2026 op deze schriftuur gereageerd.

Relatieve bevoegdheid

De rechtbank acht in het kader van de te nemen beslissing de volgende feiten en omstandigheden relevant.

Het verloop van de procedure

Op 30 april 2018 is het strafrechtelijk onderzoek naar verdachte gestart onder de naam ‘Zwarte Bes’. Naar aanleiding van dat onderzoek wordt verdachte twee feiten verweten die zich zouden hebben voorgedaan in de gemeente Weststellingwerf en/of Assen en een derde feit in de gemeente Assen. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting valt op te maken dat het toentertijd kennelijk door het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet wenselijk werd bevonden om de zaak te behandelen bij de rechtbank Noord-Nederland,

omdat verdachte werkzaam was bij het arrondissementsparket Noord-Nederland. De zaak is vervolgens aangebracht bij de rechtbank Overijssel. Aan deze beslissing lag geen verwijzing als bedoeld in artikel 46b van de Wet op de Rechterlijke Organisatie (hierna: Wet RO) van de rechtbank Noord-Nederland ten grondslag.

Vervolgens is de zaak van verdachte op de terechtzitting van 1 augustus 2023 behandeld door de rechtbank Overijssel. Door de officier van justitie en de verdediging is toen geen verweer gevoerd over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank Overijssel. Ter terechtzitting van 24 juni 2026 is door de raadsman van verdachte te kennen gegeven dat het destijds een bewuste keuze was om niet een beroep te doen op de onbevoegdheid van de rechtbank Overijssel, nu de verdediging er een belang bij had dat de zaak niet bij de rechtbank Noord-Nederland zou worden behandeld.

Na het vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 augustus 2023 en het daarop volgende appel van de officier van justitie, is de zaak op 17 maart 2025 behandeld door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof). Het Hof heeft op 31 maart 2025 het vonnis van de rechtbank Overijssel vernietigd en de zaak van verdachte terugverwezen naar diezelfde rechtbank, teneinde met inachtneming van haar arrest recht te doen (artikel 423, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, hierna: Sv).

De zaak is vervolgens in eerste aanleg (opnieuw) aangebracht op de terechtzitting van 24 juni 2026. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte al gedurende lange tijd niet meer werkzaam is bij het arrondissementsparket Noord-Nederland. De verdediging heeft naar voren gebracht er nog steeds geen bezwaar tegen te hebben dat de zaak van verdachte wordt behandeld bij de rechtbank Overijssel. Ook de officier van justitie heeft te kennen gegeven het wenselijk te achten dat de zaak wordt behandeld bij de rechtbank Overijssel.

De beslissing van de rechtbank

Op grond van de besproken feiten en omstandigheden overweegt de rechtbank als volgt.

Voorop wordt gesteld dat de rechtbank haar relatieve bevoegdheid te allen tijde ambtshalve dient te beoordelen. Het Wetboek van Strafvordering kent anders dan bijvoorbeeld artikel 108 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen forumkeuze. De wensen van de officier van justitie en de verdediging op dit punt zijn derhalve irrelevant. De beslissing daarover kan dan ook nimmer tardief zijn, zoals de raadsman lijkt te bepleiten.

Naar vaste rechtspraak dient een beroep op de (relatieve) onbevoegdheid van de rechtbank te worden gedaan bij de behandeling van de zaak in eerste aanleg.Een dergelijk beroep is door de raadsman of de officier van justitie niet gedaan tijdens de behandeling van de zaak in eerste aanleg in augustus 2023. De rechtbank (andere rechters dan de huidige meervoudige strafkamer) heeft zich in het vonnis van 15 augustus 2023 niet uitgelaten over de relatieve bevoegdheid, dus moet worden verondersteld dat zij zich bevoegd achtte. Vervolgens is de zaak in hoger beroep behandeld bij het Hof. Het Hof heeft in haar arrest van 31 maart 2025 de ontvankelijkheid van het OM beoordeeld, zijnde de tweede vraag van artikel 348 Sv, zonder zich uit te laten over de relatieve bevoegdheid van de rechtbank. Het Hof heeft hiermee de impliciete bevoegdheidsbeoordeling van de rechtbank in stand gelaten. Het Hof heeft in haar arrest vervolgens specifiek terugverwezen naar de rechtbank Overijssel (en niet een andere rechtbank), teneinde met inachtneming van haar arrest recht te doen. Uit de formulering van haar beslissing volgt dat het Hof ook na het terugverwijzen van de zaak heeft beoogd dat de rechtbank Overijssel de zaak (opnieuw) zou behandelen.

Daarnaast acht de rechtbank het aannemelijk dat - indien de zaak was aangebracht bij de rechtbank Noord-Nederland, terwijl verdachte op dat moment werkzaam was bij het Arrondissementsparket Noord-Nederland - de zaak van verdachte op grond van de criteria neergelegd in artikel 46b Wet RO zou zijn verwezen door de rechtbank Noord-Nederland naar de rechtbank Overijssel. Die beslissing zou daarna van kracht blijven, ook als niet meer wordt voldaan aan de criteria. Het is om die reden ook niet van belang dat verdachte niet meer werkzaam is bij het arrondissementparket Noord-Nederland.

Gelet op voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank Overijssel van oordeel dat zij bevoegd is kennis te nemen van de zaakvan verdachte.

Prejudiciële vraag

Door de raadsman is de rechtbank verzocht om op grond van artikel 553 Sv de Hoge Raad de volgende prejudiciële vraag te stellen:

“of stukken waarvan de rechter-commissaris en raadkamer in het licht van een beklagprocedure ex artikel 98 Sv onherroepelijk hebben beslist dat het geheimhoudersstukken zijn en deze vernietigd moeten worden, toch alsnog mogen worden gebruikt in het opsporingsonderzoek en in het eindprocesverbaal, indien het Hof als zittingsrechter, anders dan Rechter-Commissaris en de raadkamer, oordeelt dat dit toch geen geheimhoudersstukken betreffen”.

Met inachtneming van wat de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest van 3 februari 2026en met inachtneming van wat het Hof heeft overwogen in de zaak van verdachte in haar arrest van 31 maart 2025, is de rechtbank van oordeel dat zij (als zittingsrechter) te zijner tijd bij de inhoudelijke behandeling van de zaak, indien noodzakelijk en eventueel aan de hand van eventuele verweren van de verdediging, de opgeworpen vraag kan behandelen of bepaalde stukken die zich in het dossier bevinden wel of niet onder het verschoningsrecht vallen en daar eventueel, op de voet van artikel 359a Sv, enig rechtsgevolg aan verbinden. Nu de naar voren gebrachte rechtsvraag door de raadsman niet noodzakelijk is voor het nemen van enige beslissing in de zaak van verdachte, zoals omschreven in artikel 553, eerste lid, Sv,wijst de rechtbank het verzoektot het stellen van een prejudiciële vraagaf.

Niet-ontvankelijkheid feit 3

Door de raadsman is voorts aangevoerd dat de beslissing om voor feit 3 te vervolgen uiterst onzorgvuldig is geweest en dat in strijd met de hoorplicht van artikel 167a Sv en de Aanwijzing Zeden is gehandeld. Volgens de raadsman is het OM door deze schendingen niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3.

Voor de rechtbank heeft als uitgangspunt te gelden dat de door de raadsman verzochte niet-ontvankelijkheidsverklaring van het OM slechts in zeer uitzonderlijke gevallen wordt toegewezen. Ook vraagt (de inhoud van) het verweer van de raadsman om een inhoudelijke beoordeling van de relevante bewijsmiddelen en de wijze waarop die tot stand zijn gekomen. Daarvoor is het huidige stadium van de procedure - de regiebehandeling - naar het oordeel van de rechtbank té vroeg. De rechtbank verklaart het verweerom deze redenenontijdig(artikel 283, vijfde lid, Sv) en zal daarover bij de einduitspraak beslissen.

De ingediende onderzoekswensen

Te horen getuigen

De raadsman heeft verzocht om de volgende na te noemen personen als getuigen te horen, waartegen de officier van justitie zich niet heeft verzet.

De rechtbank wijst toehet verzoek tot het horen van de volgende personen als getuige:

[getuige 1], wonende aan de [adres 1];

[getuige 2];

[getuige 3], geboren op [geboortedatum 2] 1984, wonende aan de [adres 2];

[getuige 4], geboren op [geboortedatum 3] 1962, wonende aan de [adres 3];

[getuige 5], geboren op [geboortedatum 4] 1980, wondende aan de [adres 4];

[getuige 6], wonende te [plaats];

[getuige 7], wondende aan de [adres 4];

[getuige 8], geboren op [geboortedatum 5] 1971, wonende aan het [adres 5].

De rechtbank overweegt dat de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 6] ouderlingen van de Jehovah’s getuigen zijn. In deze zaak is reeds geprocedeerd over het verschoningsrecht. Het verschoningsrecht hangt samen met de geheimhoudingsplicht; verdachte moet erop kunnen vertrouwen dat wat hij de ouderling heeft medegedeeld geheim blijft. Nu de getuigen worden gehoord op verzoek van verdachte, moet worden verondersteld dat verdachte een belang heeft bij de antwoorden van deze getuigen. Verdachte zal daartoe de getuigen moeten ontslaan van hun geheimhoudingsplicht. Verdachte dient in dat geval een schriftelijke verklaring inhoudende het ontslaan van de geheimhoudingsplicht over te leggen aan de rechter-commissaris en de desbetreffende ouderling, zodat de ouderling niet verweten kan worden dat hij de geheimhoudingsplicht heeft geschonden.

De rechtbank geeft de verdediging de opdracht om de ontbrekende NAW-gegevens van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 6] en [getuige 7], voor zover zij deze kan achterhalen, binnen 14 dagen door te geven aan de rechter-commissaris en het OM.

Toevoegen BOB-stukken inzake parketnummers 08.952753.18 en 05.000421.23

Gelet op de toezegging van de officier van justitie in de e-mail 23 juni 2026 om, indien aanwezig, de verzochte BOB-stukken toe te voegen aan het dossier, zal de rechtbank geen beslissing nemen op dit verzoek.

Kennisname dossier met parketnummer 05.740392.17 met bijbehorende BOB-stukken

Gelet op toelichting van de officier van justitie in de e-mail van 23 juni 2026 en de daarop volgende reactie van de raadsman ter terechtzitting van 24 juni 2026, inhoudende dat hij het verzoek laat vervallen, is er geen aanleiding voor de rechtbank om een beslissing te nemen op het verzoek.

Kennisname verhoorregistraties

De rechtbank wijst toehet verzoek tot kennisname van alle verhoorregistraties, voor zover er van de verhoren (nog) audio-opnames beschikbaar zijn, nu deze kennisname in het belang van de verdediging is. De kennisname dient plaats te vinden op het hoofdbureau van de Politie Zwolle (Koggelaan 8, 8017 JN, Zwolle).

Verzoek open verwijzing naar de rechter-commissaris

De rechtbank wijst afhet verzoek van de raadsman om de zaak open te verwijzen naar de rechter-commissaris. Met inachtneming van wat door de raadsman en de officier van justitie hierover is aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding voor inwilliging van dit verzoek.

Schorsing onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd

De rechtbank:

schorst het onderzoektot de terechtzitting van22 oktober 2026. Dit betreftde inhoudelijke behandeling;

beveelt de oproeping van verdachte, zijn raadsmanen debenadeelde partijen [getuige 3]en[getuige 7]voor die terechtzitting;

stelthet dossier in handen van de rechter-commissaris teneinde de toegewezen getuigen te horen en voor het overige in handen van de officier van justitie.

Aldus beslist door mr. B.T.C. Jordaans, voorzitter, mr. S.H. Peper en mr. V. Wolting, rechters, in aanwezigheid van mr. M.S. de Bruin, griffier.

Hoge Raad, 6 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU6094.

Hoge Raad, 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:171, r.o. 3.7.2 en 3.7.3.

Mai Multe Decizii