Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2025:15805

Instanță

Rotterdam

Data

28 March 2025

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Rotterdam

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2

Parketnummer: 10-155418-24

Datum uitspraak: 28 maart 2025

Tegenspraak

Verkort vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,

ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres

[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,

ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in

de Penitentiaire Inrichting [naam P.I.] ,

raadsman mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.1. Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2025.2. Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, zoals deze op

de terechtzitting overeenkomstig de vordering van de officier van justitie is gewijzigd.

De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.3. Procesafspraken

Het Openbaar Ministerie en de verdachte, bijgestaan door zijn raadsman, hebben op 3 maart 2025 een overeenkomst gesloten waarbij procesafspraken zijn gemaakt over de afdoening van deze strafzaak. De rechtbank is niet betrokken geweest bij de totstandkoming daarvan. De procesafspraken zijn voorafgaand aan de zitting naar de rechtbank gestuurd.

Op zitting hebben de verdachte en de officier van justitie bevestigd dat het - voor zover relevant - gaat om de volgende afspraken:

het Openbaar Ministerie zal bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde vorderen;

het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting een gevangenisstraf van 38 maanden vorderen met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=;

de verdachte/de verdediging ziet af van het indienen van onderzoekswensen, zal geen bewijsverweren voeren en doet afstand van alle inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen;

door de verdediging en het Openbaar Ministerie wordt geen hoger beroep ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/de verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken en de verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken.

Tijdens de zitting heeft de rechtbank de gemaakte afspraken met de verdachte, zijn raadsman en de officier van justitie, mr. B.J.G. Leeuw, besproken. De verdachte heeft vervolgens verklaard dat hij betrokken is geweest bij de totstandkoming van de procesafspraken en dat hij goed begrijpt wat de gemaakte afspraken inhouden en welke gevolgen deze voor hem en zijn strafzaak kunnen hebben.

Oordeel rechtbank

Gelet op het voorgaande is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat de verdachte vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan het afdoeningsvoorstel en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Ook is sprake van een eerlijk proces en wordt voldaan aan de eisen die artikel 6 van het EVRM stelt. De beantwoording van de vragen van artikel 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering in deze strafzaak is leidend. Die beantwoording volgt hierna.4. Bewijs

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie mr. B.J.G. Leeuw heeft gevorderd dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen wordt verklaard.

Standpunt van de verdediging

De verdediging refereert zich voor de bewezenverklaring aan het oordeel van de rechtbank, voor zover dit aansluit bij de inhoud van de gemaakte procesafspraken.

Bewezenverklaring

De overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan is gegrond op de inhoud van de wettige bewijsmiddelen, houdende tot bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Het vonnis zal in die gevallen waarin de wet dit vereist worden aangevuld met een later bij dit vonnis te voegen bijlage, met daarin de inhoud dan wel de opgave van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:

1. hij in of omstreeksde periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021te Rotterdam, althansin Nederland, tezamen en in vereniging met(een)ander(en),althans alleen (van)

een voorwerp, althans een of meervoorwerpen, te weten:

  • een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;

  • een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;sub a

  • de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

  • heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

  • heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)sub b

  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet,en/of

  • gebruik heeft gemaakt,terwijl hij, verdachte, en/ofzijn mededader(s)wist(en)datdat/die voorwerp(en)- onmiddellijk of middellijk - afkomstigwas/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte en/ofzijn mededader(s)van het plegen van witwassen een gewoonteheeft/hebben gemaakt.

2. hij op of omstreeks4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 49,3kilogram cocaïne,in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne,zijndecocaïneeen middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.5. Strafbaarheid feiten

De bewezen feiten leveren op:

1. medeplegen van het plegen van witwassen een gewoonte maken;

2. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van

de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar.6. Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.7. Strafmotivering

Eis officier van justitie

De officier van justitie heeft een gevangenisstraf geëist voor de duur van 38 maanden met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 100.000,=, subsidiair 365 dagen hechtenis.

Standpunt verdediging

De verdediging verzoekt primair de rechtbank om de procesafspraken op het punt van de gevorderde gevangenisstraf te volgen en om de gevorderde geldboete met 25% te matigen.

Subsidiair verzoekt de verdediging de procesafspraken - en daarmee de eis van de officier van justitie - te volgen.

Oordeel rechtbank

De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten,

de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ernst van de feiten en straffen in soortgelijke zaken

De verdachte heeft in zijn woning en de daarbij behorende berging ruim 49,3 kilogram cocaïne voorhanden gehad. Daarnaast heeft hij zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het (gewoonte)witwassen van grote contante geldbedragen. Cocaïne vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde en heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Verdovende middelen zijn verslavend en kunnen de gezondheid schaden. Bovendien hangt het gebruik van en de handel in en verspreiding van verdovende middelen samen met allerlei bijkomende vormen van schadelijke en overlastgevende (zware) criminaliteit.

Het witwassen van crimineel geld faciliteert de onderliggende criminaliteit en tast het vertrouwen aan dat men moet kunnen hebben in het financieel-economische verkeer. Daarmee wordt ook het legale handelsverkeer ondermijnd en gecorrumpeerd. Bij de bepaling van de soort en duur van de straffen heeft de rechtbank ook rekening gehouden

met straffen die in min of meer vergelijkbare zaken zijn opgelegd.

Persoonlijke omstandigheden

De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 20 februari 2025, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Dit betekent dat het strafblad niet strafverzwarend meeweegt. In strafverminderende zin weegt de rechtbank mee dat de verdachte geen sturende rol had binnen de organisatie en op de zitting openheid van zaken heeft gegeven.

Conclusies

Alles afwegend, tegen de achtergrond van de gemaakte procesafspraken, acht de rechtbank de door de officier van justitie geëiste straf passend en geboden. Het primaire verzoek van de raadsman zal daarom worden afgewezen.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv.8. In beslag genomen voorwerpen

Ter zitting heeft de verdachte bevestigd dat hij afstand heeft gedaan van alle onder hem in beslag genomen goederen.

Dit brengt met zich dat er binnen deze procedure geen beslag meer ligt waarover de rechtbank een beslissing moet nemen.9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 23, 24c, 47, 57 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.10. Bijlage

De in dit vonnis genoemde bijlage maakt deel uit van dit vonnis.11. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 38 (achtendertig) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 100.000,= (honderdduizend euro), bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door 365 (driehonderd-vijfenzestig dagen) hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.M. van Beckhoven, voorzitter,

en mr. H. Wielhouwer en mr. J.C. Oord, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. H.C. Fraaij, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting op 28 maart 2025.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Bijlage I

Tekst gewijzigde tenlastelegging

Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat

1. hij in of omstreeks de periode van 29 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen (van)

een voorwerp, althans een of meer voorwerpen, te weten:

  • een contant geldbedrag van € 499.900,- op 3 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 1.065.000,- op 5 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 1.000.000,- op 13 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 267.000,- op 24 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 721.350,- op 25 februari 2021;

  • een contant geldbedrag van € 384.900,- op 1 maart 2021;

  • een contant geldbedrag van € 855.000,- op 6 maart 2021;

sub a

  • de werkelijke aard, de herkomst de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of heeft verhuld, dan wel

  • heeft verborgen en/of heeft verhuld wie de rechthebbende(n) op dat /die voorwerp(en) was/waren, en/of

  • heeft verborgen en/of heeft verhuld wie dat/die voorwerp(en) voorhanden had(den)

sub b

  • heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet, en/of

  • gebruik heeft gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dat/die voorwerp(en) -

onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf en hij, verdachte en/of zijn mededader(s) van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

2. hij op of omstreeks 4 december 2024 te Rotterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad

ongeveer 49,3kilogram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Mai Multe Decizii