ECLI:NL:RBROT:2026:6917
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 12192159 VV EXPL 26-222
datum uitspraak: 10 juni 2026
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser] ,
woonplaats: [woonplaats 1] , België,
eiser,
gemachtigde: mr. K.S.L. van Vliet,
tegen
1.. [gedaagde 1] ,
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen,
2. [gedaagde 2],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.J. van Smaalen,
3. [gedaagde 3]die handelt onder de naam[handelsnaam],
vestigingsplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
die niet in de procedure is verschenen,
4. [gedaagde 4],
woonplaats: [woonplaats 2] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. H.J. van Smaalen,
5. zij die verblijven in de onroerende zaak aan de [adres] in Rotterdam of een gedeelte daarvan,
verblijfplaats: [verblijfplaats] ,
gedaagden,
die niet in de procedure zijn verschenen.
De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’, ‘ [gedaagde 1] ’, ‘ [gedaagde 2] ’, ‘ [gedaagde 3] ’, ‘ [gedaagde 4] ’ en ‘de overige gedaagden’ genoemd.
1. De procedure1.1.. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 28 april 2026, met producties 1 t/m 7 (waaronder een usb-stick met videobeelden);
de e-mail van de gemachtigde van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] van 26 mei 2026, met producties 1 t/m 7;
de e-mail van de gemachtigde van [eiser] van 26 mei 2026, met een akte en producties 8
het antwoord, met producties 7 t/m 9, waaronder videobeelden;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [eiser] ;
de spreekaantekeningen van de gemachtigde van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] .
1.2.. Op 27 mei 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was [eiser] aanwezig, bijgestaan door mr. Van Vliet en mr. E.A.H. ten Berge. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] waren aanwezig, vergezeld door een tolk en bijgestaan door mr. Van Smaalen en mr. S.A. Smit.
1.3..
[gedaagde 1] , [gedaagde 3] en de overige gedaagden zijn niet in de procedure verschenen. Tegen hen is verstek verleend. Dit vonnis geldt, omdat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] wel zijn verschenen, als vonnis op tegenspraak (artikel 140 lid 3 Rv).
2. De beoordeling
Waar gaat deze zaak over?
2.1..
[eiser] heeft een woning aan de [adres] in Rotterdam verhuurd aan [gedaagde 1] . [gedaagde 1] moet maandelijks een prijs van € 875,- aan [eiser] betalen (waarvan € 639,68 aan kale huur).
2.2.. Gebleken is dat [gedaagde 3] – wiens positie hierna in r.o. 2.14 e.v. wordt beoordeeld – de woning (of een deel daarvan) heeft (onder)verhuurd aan [gedaagde 2] . [gedaagde 4] is de partner van [gedaagde 2] en woont bij haar. Volgens [eiser] wonen er nog meer – hem onbekende – personen in het gehuurde. [gedaagde 2] heeft met [gedaagde 3] aanvankelijk een maandelijkse prijs van € 1.350,- (huur en servicekosten) afgesproken, welke huurprijs later is verminderd met een onbekend bedrag wegens het ontbreken van een (werkende) internetaansluiting.
2.3..
[gedaagde 1] heeft vanaf februari 2026 geen huur meer betaald aan [eiser] . [gedaagde 3] accepteert sinds enige tijd geen huurbetalingen meer van [gedaagde 2] .
2.4..
[eiser] eist in dit kort geding:
ontruiming van de woning door alle gedaagden;
betaling door [gedaagde 1] van de huurachterstand tot en met april 2026 van € 2.625,- plus € 875,- per maand (de lopende huur) vanaf 1 mei 2026 tot ontruiming van het gehuurde;
betaling door [gedaagde 1] en [gedaagde 3] (hoofdelijk) van € 2.882,26 tot en met april 2026 plus € 360,32 per maand vanaf 1 mei 2026 op basis van winstafdracht (artikel 6:104 BW);
betaling van de proceskosten door alle gedaagden (hoofdelijk).
2.5..
[eiser] beroept zich op de huurachterstand die [gedaagde 1] heeft laten ontstaan en het contractuele onderhuurverbod dat hij heeft geschonden. [gedaagde 3] heeft volgens [eiser] onrechtmatig gehandeld door te profiteren van deze tekortkoming van [gedaagde 1] , omdat [gedaagde 3] de woning voor een hogere huurprijs aan [gedaagde 2] heeft verhuurd. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] verblijven volgens [eiser] zonder recht of titel in het gehuurde en datzelfde geldt voor andere personen die in het gehuurde zouden verblijven.
2.6.. Volgens [eiser] kan [gedaagde 2] zich niet beroepen op het bepaalde in artikel 7:269 BW, omdat in haar huurovereenkomst met [gedaagde 3] staat dat zij een kamer huurt en dat is geen zelfstandige woonruimte. Voor zover dit artikel wel van toepassing is, staat volgens [eiser] vast dat hij de huurovereenkomst op grond van alle redenen als genoemd in artikel 7:269 lid 2 BW niet hoeft voort te zetten.
Het beoordelingskader in kort geding
2.7.. Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat [eiser] heeft bij toewijzing van zijn eisen worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagden als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
De vorderingen tegen [gedaagde 1] worden toegewezen
2.8.. De kantonrechter wijst de vorderingen tegen [gedaagde 1] deels toe, voor zover deze niet onrechtmatig of ongegrond lijken (artikel 139 Rv). Voor zover de vorderingen worden afgewezen, licht de kantonrechter dat hieronder toe.
2.9.. Het is niet aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden vanwege de huurachterstand die [gedaagde 1] heeft laten ontstaan. [eiser] is verplicht om de acties uit te voeren die staan onder a tot en met d van artikel 2 Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening en om aan de gemeente de hoogte van de huurachterstand van [gedaagde 1] te melden. Bij de dagvaarding zaten geen stukken waaruit blijkt dat [eiser] hieraan voldaan heeft en op de zitting bleek dat [eiser] zo’n melding niet gedaan heeft. Het ontbreken van zo’n melding betekent dat de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en de vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen in een bodemprocedure zullen worden afgewezen.
2.10.. Het is wel aannemelijk dat de huurovereenkomst in een bodemprocedure zal worden ontbonden omdat [gedaagde 1] het gehuurde aan iemand anders in gebruik gegeven, zonder dat hij daarvoor toestemming heeft gevraagd (en gekregen) van [eiser] . [gedaagde 1] is daarom tekort geschoten in het nakomen van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst en die tekortkoming is ernstig genoeg voor ontbinding van de huurovereenkomst. Vooruitlopend daarop wordt [gedaagde 1] in dit kort geding veroordeeld om het gehuurde te ontruimen. [eiser] heeft namelijk gezegd dat hij niet kan uitsluiten dat [gedaagde 1] nog in het gehuurde woont, omdat hij daar nog staat ingeschreven. De ontruimingstermijn wordt bepaald op veertien dagen na betekening van dit vonnis.
2.11.. De vordering tot betaling van de huurtermijnen die zijn vervallen na het uitbrengen van de dagvaarding worden afgewezen vanwege het ontbreken van de in 2.9. bedoelde melding op grond van het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
2.12.. De verplichting van [gedaagde 1] om aan winstafdracht een bedrag van € 360,32 per maand te betalen eindigt op de dag dat het gehuurde is ontruimd. [eiser] eist ook een vergoeding voor de rest van de maand, maar heeft niet uitgelegd waarom [gedaagde 1] die moet betalen. Daarom wordt dit deel van de vordering afgewezen.
2.13.. De kantonrechter machtigt [eiser] niet om de woning zelf te ontruimen. Alleen de deurwaarder mag namelijk gedwongen ontruimen (artikel 556 Rv). De kantonrechter machtigt [eiser] ook niet om de woning door een deurwaarder te laten ontruimen, want daar is geen machtiging voor nodig. In de wet staat namelijk al dat de deurwaarder dat mag (artikel 556 Rv). Daarbij kan de deurwaarder de hulp van politie en justitie inroepen (artikel 444 en 557 Rv).
De vorderingen tegen [gedaagde 3] worden afgewezen
2.14.. De kantonrechter wijst de ontruimingsvordering tegen [gedaagde 3] af. [eiser] heeft gesteld dat [gedaagde 3] onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld door het gehuurde aan [gedaagde 2] te verhuren, zonder zich ervan te vergewissen dat de eigenaar daarvoor toestemming heeft verleend en dat hij daarom het gehuurde moet ontruimen. Het enkele onrechtmatig handelen levert echter geen ontruimingsverplichting op. [gedaagde 3] moet het gehuurde ontruimen als hij het zonder recht of titel gebruikt. Dat heeft [eiser] niet gesteld; hij heeft alleen over het gebruik van [gedaagde 2]gesteld dat dit zonder recht of titel plaatsvindt, omdat hij de huurovereenkomst die zij met [gedaagde 3] heeft gesloten niet zou hoeven voortzetten. De kantonrechter voegt hier nog aan toe dat [gedaagde 3] ook op een ander adres dan dat van de woning is gedagvaard en ingeschreven staat.
2.15.. Met zijn betoog gaat [eiser] voorbij aan de schakel [gedaagde 1] – [gedaagde 3] . Aannemelijk is dat [gedaagde 1] het gehuurde aan [gedaagde 3] heeft onderverhuurd. [gedaagde 2] heeft een printscreen overgelegd van een whatsappgesprek tussen ‘ [naam 1] ’ (de voornaam van [gedaagde 1] ) en ‘ [naam 2] ’ (de voornaam van [gedaagde 3] ). In dat gesprek vraagt [gedaagde 3] om een bevestiging van [gedaagde 1] dat hij (cash) heeft betaald en dat de huur door [gedaagde 1] aan de eigenaar is doorbetaald). [eiser] heeft de huurovereenkomst overgelegd die [gedaagde 3] met [gedaagde 2] heeft gesloten. In die huurovereenkomst staat niet [gedaagde 1] als verhuurder vermeld, maar [gedaagde 3] . [eiser] heeft in de dagvaarding benoemd dat [gedaagde 1] het gehuurde feitelijk niet zelf bewoont en daarin geen hoofdverblijf heeft. Dit alles wijst erop dat [gedaagde 3] de woning van [gedaagde 1] heeft gehuurd. Dat is dan een huurovereenkomst voor zelfstandige woonruimte, aangezien [gedaagde 1] volgens [eiser] zelf niet meer in het gehuurde woont. De onderhuurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 3] wordt door [eiser] op grond van artikel 7:269 BW voortgezet op het moment dat de hoofdhuurovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde 1] wordt beëindigd.
2.16..
[eiser] heeft niets gesteld over de voortzetting van de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 3] . Zelfs als de kantonrechter er al vanuit gaat dat in kort geding kan worden vooruitgelopen op een vordering op grond van artikel 7:269 lid 2 BW (hoewel die vordering door [eiser] pas in een bodemprocedure kan worden ingesteld als een eventueel ontbindingsvonnis onherroepelijk is geworden), is vanwege het ontbreken van enige stelling van [eiser] daarover als het gaat om de verhouding [gedaagde 1] – [gedaagde 3] onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure die vordering zal worden toegewezen. Daarom kan in dit kort geding de ontruimingsvordering tegen Kan niet worden toegewezen.
2.17.. Van zodanige overlast van [gedaagde 2] en/of [gedaagde 4] dat een (voortgezette) huurovereenkomst met [gedaagde 3] in een bodemprocedure ontbonden zal worden, is niet gebleken. Op de filmpjes die [eiser] heeft overgelegd is niet te zien dat [gedaagde 2] en [gedaagde 4] overlast veroorzaken aan omwonenden. [eiser] heeft specifiek benoemd dat er in de hal van het gebouw gespuugd zou zijn en heeft daarbij een filmpje van een bepaalde datum en tijd genoemd, maar daarop ziet de kantonrechter, ook na herhaalde bestudering, niet dat er gespuugd is. De door [eiser] overgelegde klachten zijn geanonimiseerd en zijn in een periode van vijf dagen gestuurd. De klachten lijken – zoals [gedaagde 2] en [gedaagde 4] stellen – van één persoon afkomstig. Het bericht van de beheerder, dat pas één dag voorafgaand aan de mondelinge behandeling van deze zaak aan [eiser] is gestuurd, is ook weinig concreet over hoeveel bewoners klagen en hoe lang al sprake zou zijn van overlast. De – als een konijn uit de hoge hoed getoverde – suggestie die [eiser] tijdens de zitting deed, namelijk dat sprake zou zijn van prostitutie vanuit het gehuurde, volgt nergens uit. De kantonrechter kan de eventuele aanwezigheid en ernst van de gestelde overlast niet beoordelen en daarmee is onvoldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure de huurovereenkomst van [gedaagde 3] ontbonden zal worden.
2.18.. De vordering tot winstafdracht tegen [gedaagde 3] wordt ook afgewezen. Uit niets blijkt welke huurprijs [gedaagde 3] met [gedaagde 1] heeft afgesproken en dat [gedaagde 3] dus winst heeft behaald door de onderverhuur aan [gedaagde 2] .
De vorderingen tegen [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden afgewezen
2.19.. Uit het voorgaande volgt dat er (nog) sprake is van een huurovereenkomst van [gedaagde 3] , waarvan onvoldoende aannemelijk is dat die niet door [eiser] wordt voortgezet als de huurovereenkomst met [gedaagde 1] wordt beëindigd. Ook is op dit moment onvoldoende aannemelijk dat de huurovereenkomst van [gedaagde 3] ontbonden zal worden vanwege de gestelde overlast. Dit betekent dat de huurovereenkomst tussen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] nog bestaat en vooralsnog blijft bestaan en dat [gedaagde 2] niet zonder recht of titel in het gehuurde verblijft. Haar partner [gedaagde 4] mag bij haar in het gehuurde verblijven. De vraag of de huurovereenkomst die [gedaagde 2] met [gedaagde 3] heeft gesloten door [eiser] moet worden voortgezet nadat de huurovereenkomst met [gedaagde 1] is beëindigd én vervolgens de onderhuurovereenkomst met [gedaagde 3] ook tot een einde is gekomen, hoeft daarom niet te worden beantwoord; die discussie is prematuur.
De vordering tegen de overige gedaagden wordt afgewezen
2.20.. Volgens [eiser] verblijven naast [gedaagde 2] en [gedaagde 4] nog anderen in het gehuurde. Daarvan is niet gebleken. [gedaagde 2] en [gedaagde 4] hebben toegelicht dat op de videobeelden die [eiser] heeft overgelegd familieleden en vrienden te zien zijn, die hen komen bezoeken in het gehuurde en daar ook soms blijven slapen. Van enig gebruik van het gehuurde door anderen dan [gedaagde 2] en [gedaagde 4] dat zonder recht of titel zou plaatsvinden, is niet gebleken. Daarom wordt ook deze vordering afgewezen.
[gedaagde 1] en [eiser] moeten proceskosten betalen
2.21.. De kantonrechter ziet aanleiding voor een veroordeling van [gedaagde 1] in de proceskosten van [eiser] , omdat [gedaagde 1] voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde 1] aan [eiser] moet betalen op € 153,02 aan dagvaardingskosten (€ 125,57 plus eenmaal informatiekosten BRP € 0,89 + 21% btw), € 265,- aan griffierecht, € 577,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.139,02. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend. De wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis. Het staat nog niet vast of er kosten gemaakt gaan worden voor een ontruiming door een deurwaarder en zo ja, hoe hoog die kosten zijn. Daarom worden er geen ontruimingskosten toegewezen.
2.22.. De kantonrechter veroordeelt [eiser] in de proceskosten van [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en de overige gedaagden. Omdat [gedaagde 3] en de overige gedaagden niet zijn verschenen, worden hun kosten begroot op nihil. De kosten van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden begroot op € 1.154,- aan salaris voor de gemachtigde en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.298,-.
Dit vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.23.. Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dat eist en [gedaagde 1] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
3. De beslissing
De kantonrechter:
3.1.. veroordeelt [gedaagde 1] om binnen veertien dagen na de datum waarop dit vonnis is betekend de woning aan de Slinge 584G in Rotterdam te ontruimen met alle zaken die zich daar vanwege [gedaagde 1] bevinden;
3.2.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen € 2.625,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald;
3.3.. veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] te betalen € 2.882,56,- met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 28 april 2026 tot de dag dat volledig is betaald, te vermeerderen met € 360,32 per maand vanaf 1 mei 2026 tot de dag van ontruiming van de woning, met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over elke termijn vanaf de eerste van elke maand tot de dag dat volledig is betaald;
3.4.. veroordeelt [gedaagde 1] in de proceskosten, die aan de kant van [eiser] worden begroot op € 1.139,02 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
3.5.. veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde 2] en [gedaagde 4] worden begroot op € 1.298,-;
3.6.. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.7.. wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. P. de Bruin en in het openbaar uitgesproken.
51909