ECLI:NL:RBROT:2026:7499
Rezumatul Cauzei
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Uitspraak
Rotterdam
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1037
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Roos),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, UWV
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het UWV terecht de aanvraag van eiser heeft afgewezen.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Het UWV heeft de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering met het primaire besluit van 22 juli 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser is het UWV bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.. De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. S.C. van Paridon als waarnemer van de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Totstandkoming bestreden besluit
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1992 in [geboorteplaats] . Op zijn dertiende is hij naar [stad] verhuisd waar hij tot en met zijn vijfentwintigste heeft gewoond.
3.1.. Op 12 juli 2024 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Wajong.
3.2.. Met het besluit van 22 juli 2024 heeft het UWV de aanvraag afgewezen, omdat eiser op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland of een land van de EU, EER of Zwitserland woonde. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3.3.. Met het bestreden besluit van 17 december 2024 op het bezwaar van eiser heeft het UWV de afwijzing van de aanvraag gehandhaafd. Het UWV stelt zich op het standpunt dat eiser niet als ingezetene van Nederland kan worden aangemerkt omdat hij op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woonde. Volgens het UWV is ook niet gebleken van een duurzame band van persoonlijke aard tussen eiser en Nederland.
Wettelijk kader
4. De wet- en regelgeving die van belang is voor deze zaak, staat in de bijlage bij deze uitspraak.
Beoordeling door de rechtbank
Ingezetene in de zin van de Wajong
5. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser op [datum] 2010, de dag dat hij achttien jaar is geworden, niet in Nederland woonde maar in [stad] . Wat partijen nog verdeeld houdt is de vraag of eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en hij dus als ingezetene in de zin van de Wajong moet worden aangemerkt.
5.1.. Eiser voert aan dat de duurzame band van persoonlijk aard tussen hem en Nederland altijd heeft blijven bestaan. Hierbij is volgens eiser van belang dat hij in Nederland is geboren, alleen de Nederlandse nationaliteit heeft, enkel de Nederlandse taal spreekt en dat hij tot zijn dertiende in Nederland heeft gewoond. Hij is gevormd naar het in Nederland geldende gemeenschappelijk systeem van normen en waarden. Eiser heeft zich altijd alleen maar Nederlander gevoeld. De enkele omstandigheid dat eiser vanaf zijn dertiende tot en met zijn vijfentwintigste buiten Nederland heeft gewoond is volgens eiser onvoldoende om te kunnen concluderen dat er geen sprake is van een duurzame band van persoonlijke aard tussen hem en Nederland. Alle feiten en omstandigheden moeten worden meegenomen en eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juli 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:2838).
5.2.. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep komt het er bij de beoordeling naar de omstandigheden van ingezetenschap op aan of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland. Die duurzame band hoeft niet sterker te zijn dan de band met enig ander land, zodat voor een woonplaats hier te lande niet noodzakelijk is dat het middelpunt van iemands maatschappelijke leven zich in Nederland bevindt.
5.3.. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval niet kan worden geconcludeerd dat eiser op zijn achttiende verjaardag een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had en dus als ingezetene kan worden aangemerkt. Weliswaar heeft hij een groot deel van zijn jeugd in Nederland doorgebracht, maar dat gegeven maakt niet dat eiser op zijn achttiende een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland had. Ook het in bezit zijn van de Nederlandse nationaliteit, het spreken van de Nederlandse taal en de enkele stelling dat eiser de intentie had om naar Nederland te verhuizen en zich altijd Nederlander heeft gevoeld, maken niet dat sprake is van een dergelijke band.
5.4.. Naar het oordeel van de rechtbank is de situatie van eiser niet vergelijkbaar met de door eiser aangehaalde uitspraak van de Raad van 22 juli 2016. In die zaak was de betrokkene door zijn ouders gedurende een periode bij familie in het buitenland ondergebracht in de hoop dat hij op een alternatieve wijze kon worden geholpen om van zijn aandoening af te komen. De ouders van de betrokkene bleven in Nederland wonen en bezochten hem diverse keren per jaar. Ook verbleef de betrokkene jaarlijks in de zomer gedurende twee maanden bij zijn ouders in Nederland en bleef hij voor de ziektekosten meeverzekerd bij zijn ouders. Van soortgelijke omstandigheden is in het geval van eiser niet gebleken.
5.5.. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
6. Eiser heeft verder een beroep gedaan op het evenredigheidsbeginsel en verwijst hierbij naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 mei 2024.Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere omstandigheden omdat hij vanaf zijn geboorte tot en met zijn dertiende levensjaar in Nederland heeft verbleven en niet uit eigen wil Nederland heeft verlaten. Hij was afhankelijk van de keuze die zijn ouders hebben gemaakt om naar [stad] te verhuizen. Volgens eiser heeft de wetgever deze gevolgen, namelijk dat eiser onder deze omstandigheden niet in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering, niet dan wel onvoldoende overzien en niet als zodanig geaccepteerd. Om die redenen is er in dit geval aanleiding om tot een andere uitkomst te komen dan de uitkomst waartoe strikte toepassing van de wet leidt.
6.1.. De rechtbank overweegt dat de Wajong, een wet in formele zin, niet kan worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel. Dit is slechts anders als in bepaald geval de toepassing van een bepaling vanwege bijzondere omstandigheden waarmee de wetgever bij het maken van de wetgeving geen rekening heeft gehouden, in strijd zou kunnen komen met een fundamenteel rechtsbeginsel of (ander) ongeschreven recht. Dit is bijvoorbeeld het geval als de gevolgen van de toepassing van de wettelijke bepaling niet overeenkomt met wat de wetgever kan hebben bedoeld of voorzien.
6.2.. Naar het oordeel van de rechtbank is van zo’n situatie geen sprake. Het is de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever geweest om de kring van uitkeringsgerechtigden te beperken tot personen die op hun achttiende verjaardag als ingezetenen van Nederland kunnen worden beschouwd.De Wajong geeft de wetgever ook de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur de kring van ingezetenen uit te breiden en te beperken.Niet in geschil is dat eiser ook op grond daarvan niet kan worden aangemerkt als ingezetene. Er moet dus worden aangenomen dat de wetgever de gevolgen van het begrip ingezetene in aanmerking heeft genomen, namelijk dat iemand die voor zijn achttiende verjaardag naar het buitenland is verhuisd en op zijn achttiende verjaardag niet in Nederland woont, geen recht heeft op een Wajong-uitkering. Dat eiser als dertienjarig kind volledig afhankelijk was van zijn ouders die hebben besloten om met hem naar [stad] te verhuizen, is dus geen bijzondere omstandigheid waarmee de wetgever geen rekening heeft gehouden en waarvan hij de gevolgen niet heeft overzien.
6.3.. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het UWV terecht de aanvraag van eiser voor een Wajong-uitkering heeft afgewezen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Shahani, rechter, in aanwezigheid van E.J. van den Doel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 mei 2026.
de griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wettelijke regels
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten
Artikel 1:2 Ingezetene
1. Ingezetene in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de natuurlijke persoon, die in Nederland woont.
2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het eerste lid, uitbreiding dan wel beperking worden gegeven aan het begrip ingezetene.
3. Voor de persoon die op grond van het tweede lid als ingezetene wordt aangemerkt, doch buiten Nederland woont, gelden de bepalingen van deze wet, met inachtneming van de specifieke regels die in deze wet ten aanzien van deze persoon zijn gesteld.
Artikel 1:3 Woonplaats
1. Waar een natuurlijk persoon woont wordt naar de omstandigheden beoordeeld.
(…)
Artikel 1a:1 Jonggehandicapte
1. Jonggehandicapte is de ingezetene die:
a. op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft;
b. na de in onderdeel a bedoelde dag als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft en in het jaar, onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop dit is ingetreden, gedurende ten minste zes maanden studerende was.
2. De ingezetene die op de dag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a of b, beperkingen ondervindt als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling, maar op grond van het eerste lid niet aangemerkt wordt als jonggehandicapte, wordt alsnog jonggehandicapte in de zin van dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen, indien hij binnen vijf jaar na die dag duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling ondervond, op de dag, bedoeld in onderdeel a of b.
Besluit uitbreiding en beperking kring ingezetenen Wajong
Artikel 2. Uitbreiding van de kring van ingezetenen
Voor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: de persoon, die buiten Nederland woont en die op grond van artikel 2, 3, 5 of 8 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999 verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen.
Artikel 3. Eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind van ontwikkelingswerker
1. Voor de toepassing van de wet wordt mede verstaan onder ingezetene: het eigen kind, het aangehuwde kind of het pleegkind van de persoon, die is uitgezonden om door de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking aan te wijzen werkzaamheden in het kader van ontwikkelingssamenwerking te verrichten, dat gedurende het tijdvak, waarin bedoelde werkzaamheden worden verricht tot de huishouding van die persoon behoort, tenzij het kind gedurende bedoeld tijdvak werkzaamheden verricht.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op het pleegkind van de aldaar bedoelde persoon, dat eerst gedurende het tijdvak, waarin de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden worden verricht, tot diens huishouding is gaan behoren.
3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder pleegkind verstaan een kind dat als een eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten.
ECLI:NL:CRVB:2012:BX5908 r.o. 4.3.
ECLI:NL:CRVB:2021:2901 r.o. 4.3.
ECLI:NL:CRVB:2024:1119.
ECLI:NL:CRVB:2017:2622 en ECLI:NL:CRVB:2025:1508.
ECLI:NL:CRVB:2024:1119 r.o. 4.5.
Artikel 1:2, tweede lid, van de Wajong.