Skip to main content

ECLI:NL:RBROT:2026:7864

Instanță

Dordrecht

Data

16 April 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Dordrecht

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

Rechtbank RotterdamZittingsplaats Dordrecht

Meervoudige kamer strafzaken

Parketnummer: 10/087549-25

Datum uitspraak: 16 april 2026

Datum zitting: 2 april 2026

Tegenspraak

Verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,

ingeschreven op het adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] ,

Advocaat van de verdachte: mr. G.A.J. Purperhart

Officier van justitie: mr. H.H. Balk

Benadeelde partij: [benadeelde partij]

Advocaat van de benadeelde partij: mr. J.V. van Blitterswijk

Kern van het vonnis

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling. De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 90 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 89 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een taakstraf voor de duur van 100 uren. De vordering van de benadeelde partij wordt gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij [slachtoffer] zwaar heeft mishandeld. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging tot zware mishandeling en meer subsidiair als een mishandeling. De volledige tenlastelegging houdt in dat:

Primair:

hij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht door

  • die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

  • ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te slaan

subsidiair

hij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

aan een ander, te weten [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel toe te brengen

  • die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

  • ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam heeft geslagen en/of geschopt,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

meer subsidiair

hij op of omstreeks 4 september 2024 te Capelle aan den IJssel

[slachtoffer] heeft mishandeld door

  • die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

  • ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te slaan,

terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge had;2. Bewijs2.1..

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor het primair ten laste gelegde.2.2..

Conclusie van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor alle varianten van het ten laste gelegde feit.2.3.. Oordeel van de rechtbank2.3.1..

Bewezenverklaring en bewijsmiddelen

Bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan zware mishandeling. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3. De bewezenverklaring is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelenen de onderstaande bewijsmotivering.

1. Verklaring van de verdachte

Het klopt dat ik het slachtoffer heb geslagen en geschopt. Het slachtoffer kwam daardoor ten val. Het klopt ook dat ik het slachtoffer heb geslagen en geschopt toen hij op de grond lag.

2. Verklaring van de verdachte

Ik heb de man zeker twee keer goed geraakt met mijn rechter vuist in zijn gezicht.

3. Proces-verbaal van de politie, bevindingen

Op 4 september 2024 kwamen wij, verbalisanten, ter plaatse op de parkeerplaats bij [winkelcentrum] in Capelle aan den IJssel ter hoogte van de Albert Heijn. Wij zagen dat er meerdere mensen bij een voertuig stonden. Wij zagen dat in dit voertuig een man zat en zagen dat deze man een wond op zijn hoofd had en dat er bloed uit kwam. Ook zagen wij dat de man glazig uit zijn ogen keek en wij roken een alcohol lucht. Ik, verbalisant, vroeg de man op een op naam gesteld identiteitsbewijs. De man overhandigde mij een op naam gesteld identiteitsbewijs. De man betrof: ----- [slachtoffer]

4. Verklaring van de getuige [getuige 1]

Toen liep ik naar de auto op de parkeerplaats van [winkelcentrum] , bij de Albert Heijn, was het al begonnen tussen een oudere man en een jongere man. Ze gingen vechten. Toen ik in de auto zat zag ik dat de oude man meerdere keren op zijn hoofd werd geschopt. De oude man lag op de grond. Het tegen het hoofd schoppen zag ik uit de linker zijkant van de auto en dat geluid hoorde ik ook echt zelfs in de auto. Er is 6 of 7 keer geschopt denk ik. Of dat allemaal tegen het hoofd was durf ik niet met zekerheid te zeggen.

5. Verklaring van de getuige [getuige 2]

Ik ging boodschappen ging doen bij de AH. Het slachtoffer lag op zijn zij op de grond met zijn handen voor zijn gezicht en werd tegen zijn achterkant op zijn rug geschopt en naar mijn idee tegen zijn gezicht geslagen. Verdachte ging met zijn knie bovenop hem zitten en bleef hem slaan.

6. Verklaring van de getuige [getuige 2]

Ik ging boodschappen doen bij de Albert Heijn bij het [winkelcentrum] . Een blanke man (rechtbank: slachtoffer) en een getinte man (rechtbank: verdachte) stonden tegenover elkaar. Ik zag dat het slachtoffer meerdere klappen kreeg richting het hoofd en bovenlichaam. Het slachtoffer viel vervolgens naar de grond en de tegenpartij (rechtbank: verdachte) bleef slaan en schoppen naar het slachtoffer. Er is ook geschopt tegen het lijf van het slachtoffer. Hij raakte hem waar hij hem raken kon.

7. Schriftelijk stuk, FARR-verklaring

18-11-24, betreffende [slachtoffer] .

S Informatie ontvangen van IJsselland Ziekenhuis afdeling kaakchirurgie, betreffende een bezoek aan de polikliniek aldaar op 05-09-2024. O Bij lichamelijk en beeldvormend onderzoek werd gezien: - Huidbeschadigingen in het aangezicht (aantal, precieze locatie en afmetingen niet nader gespecificeerd); - Een breuk van de hoek van de onderkaak aan de linkerzijde, waarbij de boven- en onderkaak niet meer recht op elkaar stonden, E Bij lichamelijk onderzoek was tevens sprake van een verminderd gevoel in de onderlip. Er werd op 05-09-2024 een operatie uitgevoerd waarbij de breuk van de kaak werd hersteld met een metalen plaat en vier schroeven. Betrokkene kreeg antibiotica en een zacht dieet voorgeschreven. Na de operatie vond een controle plaats op de polikliniek. De breuk was genezende en de kaken stonden weer recht op elkaar, wel was er nog sprake van het verminderde gevoel in de onderlip. Ook was er niet voldoende weefsel over de plaat en schroeven heen gegroeid waardoor dit bloot lag. Er zal later een operatie moeten plaatsvinden om de plaat en schroeven te verwijderen. P De genezingsduur betreft tenminste zes weken, ten tijde van opstellen van dit rapport is de behandeling nog niet afgerond. Er bestaat een kans op blijvend letsel (verminderd gevoel aan de onderlip).

8. Schriftelijk stuk, aanvullend verhoor aangever [aangever]

Op 27 februari 2025 werd door mij gehoord de aangever. Ik kan niet goed kan praten. Ik heb nog steeds een plaat in mijn kaak. Ik heb de hele tijd het gevoel dat de helft van mijn gezicht verdoofd is. Ik heb sinds een paar dagen een ontsteking op de plaats waar de plaat zit.2.3.2..

Bewijsmotivering

Vast staat dat de verdachte de aangever tegen het hoofd en het gezicht, dat een onderdeel van het hoofd is, en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen. Het geweld was zo hard dat de aangever hierdoor is gevallen. Toen hij op de grond lag, is de verdachte nog doorgegaan met schoppen en slaan. Hij is pas opgehouden toen zijn toenmalige partner hem wegtrok.

De aangever heeft hierdoor letsel aan zijn gezicht en een gebroken kaak opgelopen waaraan hij moest worden geopereerd. Uit de (medische) stukken blijkt dat de aangever direct na de operatie kampte met zenuwschade in zijn gezicht, welke schade ook maanden na het incident nog niet was hersteld. Op de terechtzitting heeft de aangever verteld dat het gevoel aan die kant van zijn gezicht nu – zo’n anderhalf jaar later – nog steeds niet terug is en dat hij een tweede operatie heeft moeten ondergaan om de plaat en schroeven te laten verwijderen. De rechtbank ziet geen reden hieraan te twijfelen.

Zwaar lichamelijk letsel

Gezien de aard van het letsel, de noodzaak van medische behandelingen en het nog niet volledige herstel merkt de rechtbank het letsel aan als zwaar lichamelijk letsel. De rechtbank acht het opgelopen traumatisch hersenletsel niet bewezen. De verdachte wordt daarvan partieel vrijgesproken.

Opzet

De verdediging heeft aangevoerd dat het opzet op het teweegbrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting niet worden vastgesteld dat de verdachte vol opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. De vraag is dus of de verdachte daar wel voorwaardelijk opzet op heeft gehad. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Uit de diverse verklaringen volgt dat de verdachte de aangever meerdere keren met kracht tegen het gezicht en tegen het lichaam heeft geschopt en geslagen, ook toen hij op de grond lag. Het hoofd – en meer in het bijzonder het gezicht – is een kwetsbaar deel van het menselijk lichaam. Als men daar met kracht op slaat en tegenaan schopt en daar zelfs mee doorgaat terwijl het slachtoffer weerloos op de grond ligt, zoals de verdachte heeft gedaan, is naar algemene ervaringsregels de kans dat dit slachtoffer zwaar lichamelijk letsel oploopt aanmerkelijk. Door op deze wijze te handelen, heeft de verdachte deze kans ook bewust aanvaard. Daarmee is het voorwaardelijk opzet op het zwaar lichamelijk letsel gegeven.

De verdediging heeft daarnaast bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat hem een beroep op noodweer toekomt. De aangever bleef alsmaar de confrontatie met de verdachte opzoeken en haalde als eerste uit. De verdachte mocht zich hiertegen verweren.

Voor een geslaagd beroep op noodweer moet aannemelijk zijn geworden dat het handelen van de verdachte was geboden voor de noodzakelijke verdediging van zijn eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding.

Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding. Uit het dossier blijkt dat de aangever de verdachte aan het uitdagen was, de confrontatie met hem opzocht en ook als eerste uithaalde. Echter, uit het dossier blijkt ook dat de aangever onder invloed was en missloeg. Onder die omstandigheden bestond voor de verdachte geen noodzaak meerdere keren te slaan en te schoppen en daarmee door te gaan toen de aangever op de grond lag. Bovendien bevond de verdachte zich niet in een kleine ruimte waaruit hij moeilijk weg kon, maar op de rijbaan van een parkeerplaats buiten op straat. Daarmee had de verdachte de mogelijkheid zich van de situatie te distantiëren door weg te lopen, zoals hij eerst ook deed, of in zijn auto te gaan zitten (en weg te rijden). Hij had dus anders kunnen en moeten reageren. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voor de verdachte niet noodzakelijk was zich tegen de aanranding te verdedigen en zijn handelen ook niet in verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Het beroep op (putatief) noodweer wordt derhalve verworpen.2.3.3.. Volledige bewezenverklaring

Bewezen is dat:

Primair:

hij op of omstreeks4 september 2024 te Capelle aan den IJssel

aan [slachtoffer]

opzettelijk

zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak en/of traumatisch hersenletsel, heeft toegebracht door

  • die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/ofhet lichaam te slaan, waardoor die [slachtoffer] ten val is gekomen en/of

  • ( vervolgens) terwijl die [slachtoffer] op de grond lag, die [slachtoffer] meermalen in/op/tegen het hoofd en/ofhet lichaam te schoppen en/ofte slaan3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..

Kwalificatie

Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:

Primair: zware mishandeling

3.2..

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

De rechtbank heeft het beroep op noodweer in paragraaf 2.3.2. verworpen. Nu geen sprake was van een noodweersituatie kan ook geen sprake zijn van noodweerexces. Dit verweer wordt daarom ook verworpen.4. Straf4.1..

Eis van de officier van justitie

De verdachte moet worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest.4.2..

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een taakstraf op te leggen van 180 uren, al dan niet gedeeltelijk voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, of anders een voorwaardelijke gevangenisstraf.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..

Ernst en omstandigheden van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan zware mishandeling door het slachtoffer meermalen te schoppen en te slaan, onder andere tegen zijn gezicht. Dit is een ernstig feit, dat onder meer heeft geleid tot een kaakbreuk, waarvoor een operatie noodzakelijk was, en zenuwschade. Het slachtoffer heeft door de mishandeling veel pijn gehad, kon zekere periode niet werken en heeft beperkingen gehad bij onder meer het praten. Ter terechtzitting heeft het slachtoffer verklaard dat hij nog steeds last heeft van wat hem die dag is aangedaan. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zich op klaarlichte dag op de parkeerplaats van een winkelcentrum zo agressief heeft gedragen. Hij heeft zich niet laten weerhouden door omstanders die riepen ermee te stoppen en is er pas mee opgehouden toen zijn toenmalige partner hem wegtrok. Dit soort geweld roept gevoelens van onveiligheid en angst op in de samenleving, met name bij de slachtoffers, maar ook bij getuigen van dit geweld en omwonenden.4.3.2..

Persoon en persoonlijke omstandigheden

Strafblad

Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 17 februari 2026 blijkt dat de verdachte eerder, maar niet recentelijk, onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.4.3.3..

Oplegging straf

De ernst van het feit rechtvaardigt, mede gelet op de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd, in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Echter, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zie de rechtbank aanleiding om het overgrote gedeelte van deze gevangenisstraf voorwaardelijk op te leggen. De rechtbank verbindt aan deze voorwaardelijke gevangenisstraf de voorwaarde die hierna wordt genoemd. Dit voorwaardelijke strafdeel dient er tevens toe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen. Om de ernst van het feit tot uitdrukking te brengen, zal de rechtbank de verdachte daarnaast veroordelen tot een onvoorwaardelijke taakstraf.5. Vordering van de benadeelde partij5.1..

Vordering [benadeelde partij]

heeft als benadeelde partij € 18.500,- als vergoeding voor immateriële schade gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.5.2..

Standpunt van de officier van justitie

De vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij kan niet-ontvankelijk worden verklaard in het overige deel van de vordering aangezien dit overige deel ziet op een eventueel hoger beroep.5.3..

Standpunt van de verdediging

De benadeelde partij moet, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. Verder heeft de verdediging met een beroep op de Rotterdamse schaal toewijzing van een lager bedrag (€ 7.500,-) bepleit.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1..

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft als gevolg van het strafbare feit rechtstreeks schade geleden. Hij heeft namelijk lichamelijk letsel opgelopen, waardoor hij op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van zijn immateriële schade.

De vergoeding voor immateriële schade wordt toegewezen tot een bedrag van € 3.000,-. Hierbij is in het bijzonder rekening gehouden met de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt en de aanleiding van het incident. Verder is acht geslagen op bedragen die in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.5.4.2..

Wettelijke rente, proceskosten en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. De rechtbank wijst de wettelijke rente toe vanaf 4 september 2024.

De rechtbank veroordeelt de verdachte in de proceskosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en die hij bij de tenuitvoerlegging nog zal maken, omdat de vordering van de benadeelde partij wordt toegewezen. Deze kosten worden tot vandaag begroot op nihil.

De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel op als bedoeld in artikel 36f Sr. Dit betekent dat de verdachte de schadevergoeding aan de staat moet betalen en de staat het bedrag uitkeert aan de benadeelde partij. Als dwangmiddel kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 30 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.6. Wettelijke voorschriften

De oplegging van deze straf is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht.7. Beslissingen

De rechtbank:

verklaart bewezen dat de verdachte het feit, zoals in hoofdstuk 2.3.3. is omschreven, heeft gepleegd;

stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert het in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feit;

verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 90 (negentig) dagen;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;

bepaalt dat 89 dagen van deze gevangenisstrafniet ten uitvoer zullen worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;

verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;

stelt als algemene voorwaarde dat:

  • de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;

veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 100 (honderd) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;

beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechteniszal worden toegepast voor de duur van 50 dagen;

veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde partij] te betalen een bedrag van € 3.000,-als vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2024 tot de dag van volledige betaling;

verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van zijn vordering en bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;

veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op nihil, en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;

legt aan de verdachte voor het feit de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij] aan de staat€ 3.000,-te betalen, alsmede de wettelijke rente hierover vanaf 4 september 2024 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat, indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal30dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat de verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij de schade aan de benadeelde partij of aan de staat heeft vergoed.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening

Dit vonnis is gewezen door:

mr. I. Bouter, voorzitter,

en mrs. A.M. van der Leeden en T. Urbanus, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.P. de Jong, griffier,

en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 16 april 2026.

Mr. T. Urbanus is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.

De exacte vindplaatsen van de bewijsmiddelen zijn genoemd in de bijbehorende voetnoot. Als wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het zaaksdossier met nummer [dossiernummer] .

Gedaan op de terechtzitting van 2 april 2026.

Pagina’s 31-37.

Pagina’s 6-8.

Proces-verbaal van getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris.

Proces-verbaal van getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris.

Pagina’s 19-20.

Pagina’s 17-18

Pagina 14.

Mai Multe Decizii