ECLI:NL:RBROT:2026:8030
Rezumatul Cauzei
Strafrecht
Uitspraak
Rotterdam
Rechtbank Rotterdam
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-292536-25
Datum uitspraak: 7 juli 2026
Datum zitting: 23 juni 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1990 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats]
gedetineerd in [naam P.I.] .
Advocaat van de verdachte: mr. M. Schmit
Officier van justitie: mr. K. Broere
Benadeelde partijen: [benadeelde 1] , [benadeelde 2] , [benadeelde 3] , [benadeelde 4] , [benadeelde 5] , bijgestaan door advocaat mr. F.J.M. Hamers en [benadeelde 6] en [benadeelde 7] , bijgestaan door advocaat
mr. S. Epema
Kern van het vonnis
De verdachte heeft op 1 november 2025 een vuurwapen in handen genomen, geladen en doorgeladen en dat vuurwapen is op enig moment afgegaan. Hierdoor is het slachtoffer [slachtoffer] in de borst geraakt en ten gevolge daarvan overleden. De verdachte wordt vrijgesproken van doodslag. De verdachte wordt veroordeeld voor dood door schuld (roekeloosheid) tot een gevangenisstraf van 3 jaar met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen worden gedeeltelijk toegewezen.1. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij - samengevat - het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd (primair) dan wel dat het aan zijn schuld te wijten is dat het slachtoffer [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft opgelopen, als gevolg waarvan [slachtoffer] is overleden. Daarnaast wordt hij ervan beschuldigd dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad.
De volledige tenlastelegging houdt in dat:
1 primair
hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met een vuurwapen een kogel af te vuren/af te schieten in de borst, althans het bovenlichaam, van die [slachtoffer] ;
subsidiair
hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, roekeloos in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te richten en/of te houden in de richting van die [slachtoffer] en/of - vervolgens het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst, althans het bovenlichaam heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;
2
hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam, althans in Nederland, - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II en/of III van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber en/of - munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie II onder 1º en/of categorie III, te weten één of meer kogelpatr(o)on(en) van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber, voorhanden heeft gehad.2. Bewijs2.1..
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de feiten 1 primair en 2.2.2..
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor feit 1 primair, omdat het vereiste opzet op de dood van het slachtoffer ontbreekt. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde heeft de verdediging bepleit dat vrijspraak moet volgen, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de trekker heeft overgehaald. Het wapen kan zomaar zijn afgegaan en dan kan niet worden gesproken van enige verwijtbaarheid. In ieder geval kan de ten laste gelegde roekeloosheid niet worden bewezen. De verdediging heeft zich ten aanzien van feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.2.3..
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak feit 1 primair
Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is dat de verdachte het slachtoffer opzettelijk van het leven heeft beroofd. Op basis van het dossier en het verhandelde op de terechtzitting is niet vast te stellen dat de verdachte de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald zodat niet kan worden bewezen dat de verdachte, zoals tenlastegelegd, met (voorwaardelijk) opzet een kogel heeft afgevuurd of afgeschoten. De verdachte wordt daarvan dus vrijgesproken.
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte
1. subsidiair
op 1 november 2025 te Rotterdam roekeloos heeft gehandeld, zulks terwijl hij zich samen met [slachtoffer] bevond in de keuken van zijn - verdachtes - woning, door: - een vuurwapen in zijn handen te nemen, - dit vuurwapen door te laden, - dit vuurwapen te houden in de richting van die [slachtoffer] en
- het vuurwapen af te laten gaan, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat die [slachtoffer] een schotwond in de borst heeft bekomen, met als gevolg dat deze [slachtoffer] is overleden;
2
hij op of omstreeks 1 november 2025 te Rotterdam - een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 van categorie II van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber en
- munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van de categorie III, te weten kogelpatronen van een tot op heden onbekend merk/type/kaliber, voorhanden heeft gehad.
De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft feit 2 bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor dit feit de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven.
Feit 2
1. Verklaring van de verdachte
2. Deskundigenverslag
3. Proces-verbaal van politie
De bewezenverklaring van feit 1 subsidiair is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Feit 1 subsidiair
1. Verklaring van de verdachte
Op 1 november 2025 zat ik met drie personen waaronder [slachtoffer] in de keuken van mijn woning in Rotterdam. De keuken is een kleine ruimte met een tafel in het midden. Ik had veel sterke drank gedronken die avond en nacht. Ik heb het vuurwapen uit mijn kelderbox gepakt om stoer te doen. Ik zat een beetje te spelen met het vuurwapen. Ik heb het vuurwapen in mijn handen genomen en vastgehouden. Ik heb het magazijn, dat gevuld was met kogels, er meerdere keren in gedaan en er uit gehaald. Ik heb de slede naar achteren gehaald. Ik heb de anderen laten zien hoe je een vuurwapen doorlaadt. Op een gegeven moment ging het wapen af toen ik het vasthad. Het slachtoffer was toen ongeveer 2 meter van mij vandaan, de tafel zat ertussen.
Het vuurwapen heb ik niet eerder in mijn handen gehad.
2. Proces-verbaal van de politie, verklaring [naam 1]
Het geweer ging van de oom naar de vader en weer terug. Ze deden alsof ze op elkaar aan het richten waren. Ze zeiden ik ga je schieten. [naam 2] en ik zeiden dat ze moesten stoppen. Toen hoorde ik een knal. Ik zag [naam 2] zijn vader zijn hoofd naar achteren vallen.
3. Proces-verbaal van politie
De medewerkers van de ambulancedienst zagen op 1 november 2025 te Rotterdam dat het slachtoffer een gat in zijn lichaam had ter hoogte van zijn linkerborst. Ik hoorde een van de ambulancemedewerkers zeggen dat het een schotwond was. Ik zag een gat in zijn rug.
4. Deskundigenverslag
Bij forensisch pathologisch onderzoek op het lichaam van [slachtoffer] wordt het overlijden zonder meer verklaard door één doorschot door de borstkas.
Bewijsmotivering
De vraag die mede gelet op het gevoerde verweer moet worden beantwoord is of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als - kort gezegd - roekeloos of (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig of onoplettend, waardoor het aan zijn schuld te wijten is dat
[slachtoffer] als gevolg van dat handelen is overleden. Onder roekeloosheid als zwaarste schuldvorm moet worden verstaan een buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, terwijl de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn.
De verdachte heeft verklaard dat de dood van [slachtoffer] een ongeluk is geweest. Hoewel voor de rechtbank met voldoende zekerheid vaststaat dat de verdachte nooit heeft gewild dat het wapen zou afgaan en het slachtoffer zou komen te overlijden, zijn de fatale gevolgen wel aan zijn schuld te wijten.
Door zijn handelen heeft de verdachte de voorwaarden geschapen voor het laten afgaan van het vuurwapen. De verdachte heeft bewust meerdere handelingen verricht met een vuurwapen, zoals het met kogels gevulde magazijn erin doen en het vuurwapen door te laden. Het slachtoffer is door een uit het vuurwapen verschoten kogel in de borstkas geraakt, wat maakt dat de verdachte het wapen in de richting van het slachtoffer heeft gehouden. Dit heeft hij gedaan in een relatief kleine keuken waarin zich drie anderen personen bevonden, terwijl hij sterk onder invloed was van alcohol. De verdachte had het wapen nooit eerder in handen gehad, wat maakt dat hij de werking van dit vuurwapen niet kende. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte door zo te handelen zich buitengewoon onvoorzichtig heeft gedragen waardoor een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen en de verdachte had zich daarvan bewust moeten zijn. De verdachte had het risico van zijn handelen in behoren te zien en hij had anders moeten en kunnen handelen. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is de rechtbank van oordeel dat dit gedrag als de zwaarste vorm van onvoorzichtig en gevaarzoekend gedrag is aan te merken en daarmee als schuld in de zin van roekeloosheid. Feit 1 subsidiair is daarmee bewezen.3. Kwalificatie en strafbaarheid3.1..
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
1. subsidiair
aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid;
de eendaadse samenloop van
2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie II;
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
3.2..
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.4. Straf4.1..
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de feiten worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar met aftrek van het voorarrest.4.2..
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte in strafverminderende zin te laten meewegen.4.3.. Oordeel van de rechtbank4.3.1..
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft nadat hij veel sterke drank had gedronken, in een kleine ruimte met een door hem doorgeladen vuurwapen gespeeld in het bijzijn van zijn zwager (het latere slachtoffer), diens 18-jarige zoon (neef van de verdachte) en diens 17-jarige vriend. Als gevolg van dit roekeloze gedrag is het wapen afgegaan en is een kogel in de borst van het slachtoffer terecht gekomen, waardoor het slachtoffer is overleden. Het is daarmee aan de schuld van de verdachte te wijten dat het slachtoffer op deze tragische wijze zijn leven is ontnomen.
Op de zitting hebben de vrouw van het slachtoffer, de ouders en de neef van het slachtoffer verteld hoeveel verdriet en onherstelbaar leed de onverwachte dood van het slachtoffer bij hen, zijn kinderen en andere familie en vrienden heeft veroorzaakt. De nabestaanden voelen de pijn van het verlies van het slachtoffer dagelijks.
De verdachte heeft daarnaast een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Deze zaak laat zien dat het bezit van een vuurwapen gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan. Alleen al daarom moet tegen vuurwapenbezit streng worden opgetreden. De vrouw van het slachtoffer (tevens zus van de verdachte) heeft in haar verklaring op zitting het gevaar van vuurwapens treffend verwoord. Zij heeft opgeroepen uit de buurt te blijven van wapens, geen wapens voor anderen te bewaren en wapens niet vast te pakken uit nieuwsgierigheid, omdat één moment van onoplettendheid of één verkeerde keuze levens voorgoed kan verwoesten.4.3.2..
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 26 maart 2026 blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Rapport van deskundige
In het rapport van psycholoog drs. T. ’t Hoen van 26 maart 2026 staat het volgende. Bij de verdachte is sprake van een lichte stoornis in het gebruik van alcohol waarvan ook sprake was tijdens de ten laste legde feiten. Het advies is om de feiten volledig toe te rekenen aan de verdachte, omdat bij de verdachte mag worden aangenomen dat hij zich voldoende bewust is van de invloed die alcohol op hem heeft.4.3.3..
Oplegging straf
Gelet op de aard en ernst van de strafbare feiten is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. De rechtbank zal aan de verdachte een lagere straf opleggen dan geëist, omdat de rechtbank niet uitgaat van doodslag zoals de officier van justitie. De maximale gevangenisstraf voor dood door schuld door roekeloos handelen, is vier jaar. De rechtbank houdt rekening met de impact die deze zaak op de verdachte heeft; hij zal moeten leven met het besef dat het slachtoffer, die zijn zwager was en iemand die de verdachte als een broer beschouwde, door zijn handelen is overleden. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte spijt heeft en oog voor het verdriet en het leed dat door zijn handelen bij de nabestaanden is veroorzaakt. Alles afwegend wordt een gevangenisstraf van drie jaren opgelegd.
De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend.5. Vordering van de benadeelde partijen5.1..
De vorderingen
In dit strafproces hebben zeven nabestaanden, te weten de partner, de vier kinderen, de vader en de moeder van het slachtoffer immateriële schadevergoeding van de verdachte gevorderd voor feit 1. Al deze partijen hebben verzocht om de toegekende bedragen te vermeerderen met de wettelijke rente en om de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De rechtbank heeft de vorderingen samengevat in het hieronder opgenomen overzicht.
Benadeelde partij
Immateriële schade
Totaal
[benadeelde 1]
€ 20.000/€ 17.500 (affectieschade)
€ 20.000/€ 17.500
[benadeelde 2]
€ 20.000/€ 17.500 (affectieschade) +
€ 40.000 (schokschade)
€60.000/€ 57.500
[benadeelde 3]
€ 20.000/€ 17.500 (affectieschade) +
€ 30.000 (aantasting in de persoon ‘op andere wijze’)
€50.000/€ 47.500
[benadeelde 4]
€ 20.000/€ 17.500 (affectieschade)
€ 20.000/€ 17.500
[benadeelde 5]
€ 20.000/€ 17.500 (affectieschade)
€ 20.000/€ 17.500
[benadeelde 6]
€ 17.500 (affectieschade)
€ 17.500
[benadeelde 7]
€ 17.500 (affectieschade) + € 20.000 (schokschade)
€ 37.5005.2..
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie is van oordeel dat de vorderingen kunnen worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van de hoogte van de bedragen heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.5.3..
Standpunt van de verdediging
De benadeelde partijen moeten primair niet-ontvankelijk verklaard worden in de vorderingen gelet op de bepleite vrijspraak. Subsidiair voert de verdediging geen verweer tegen de vorderingen.5.4.. Oordeel van de rechtbank5.4.1.. Algemene uitgangspunten
Affectieschade
Affectieschade is de immateriële schade die bestaat uit het verdriet en de pijn die is veroorzaakt doordat een persoon waarmee men een affectieve band heeft, overlijdt. In artikel 6:108 lid 4 BW staat een opsomming van personen die hiervoor in aanmerking komen. Indien een persoon niet onder één van deze categorieën valt, kan een beroep worden gedaan op de zogenoemde hardheidsclausule van artikel 6:108 lid 4 aanhef en onder g BW waarin de mogelijkheid tot het toekennen van affectieschade is geopend voor een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat deze persoon voor de toepassing van artikel 6:108 lid 3 BW als naaste wordt aangemerkt.
Schokschade
Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt kan - afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan plaatsvinden - ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweegbrengt. Dit wordt schokschade genoemd.
Gezichtspunten die hierbij een rol spelen zijn:
de aard, toedracht en gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad;
de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;
de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer.
Aan de hand van (onder meer) deze gezichtspunten dient de rechtbank van geval tot geval te beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid en daarmee of de nabestaanden in aanmerking komen voor vergoeding van schokschade. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel.
Aantasting in de persoon ‘op andere wijze’
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake als bij de benadeelde partij geestelijk letsel is vastgesteld, dan wel indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat van een dergelijke aantasting zonder meer kan worden uitgegaan. Buiten die (uitzonderlijke) situaties zal de benadeelde partij de aantasting in persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.5.4.2..
Beoordeling van de vorderingen
Hieronder zal de rechtbank de vorderingen achtereenvolgens bespreken.
[benadeelde 1]
De benadeelde partij is de levensgezel van de overledene. Vast is komen te staan dat zij met de overledene ruim twintig jaar een affectieve relatie had en dat zij samen duurzaam een gemeenschappelijke huishouding voerden. Zij hadden op papier beiden een eigen woning, maar leefden met elkaar en hun kinderen als gezin samen. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.
[benadeelde 2]
Affectieschade
De benadeelde partij is de (meerderjarige) thuiswonende zoon van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van
€ 20.000,-.
Schokschade
Vast is komen te staan dat er tussen de benadeelde (zoon van het slachtoffer) en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. De benadeelde was bij het slachtoffer toen hij door de kogel in zijn borst werd geraakt. De benadeelde heeft geprobeerd het slachtoffer te reanimeren, maar het slachtoffer is in zijn bijzijn overleden. Het recht op vergoeding van schokschade is beperkt tot de schade die het gevolg is van geestelijk letsel dat in voldoende mate is geobjectiveerd. Onvoldoende is onderbouwd dat van dergelijk letsel sprake is. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.
[benadeelde 3]
Affectieschade
De benadeelde partij is de minderjarige dochter van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 20.000,-.
Aantasting in de persoon ‘op andere wijze’
De benadeelde partij heeft een vergoeding gevorderd voor schade door aantasting in de persoon op andere wijze, bestaande uit het verlies van een vaderfiguur, wat een ernstige inbreuk op haar zelfvertrouwen en ontwikkeling oplevert.
In het vonnis van 21 maart 2024heeft de rechtbank Rotterdam met verwijzing naar de totstandkoming van de wettelijke systematiek van derdenschade, overwogen dat de afzonderlijke kwalificatie van aantasting in de persoon op andere wijze wegens het verlies van een ouder als grond voor toekenning van vergoeding van immateriële schade niet voor toewijzing in aanmerking komt. Om als derde boven op de regeling van de affectieschade aanspraak te kunnen maken op een hogere vergoeding van immateriële schade, dient sprake te zijn van een zelfstandige grondslag voor aansprakelijkheid. Dat daarvan sprake is, kan zonder nadere concrete onderbouwing, die ontbreekt, niet worden aangenomen. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.
[benadeelde 4] en [benadeelde 5]
De benadeelde partijen zijn de kinderen van de levensgezel van de overledene. Zij hebben een andere biologische vader dan de overledene. Vast is komen te staan dat het slachtoffer duurzaam in gezinsverband voor de benadeelde partijen heeft gezorgd vanaf dat zij één jaar oud waren. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding affectieschade, worden toegewezen voor een bedrag van € 20.000,-.
[benadeelde 6]
De benadeelde partij is de vader van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding
affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij
hem inwoonde.
[benadeelde 7]
Affectieschade
De benadeelde partij is de moeder van de overledene. De gevorderde affectieschade zal conform artikel 6:108 BW, gelezen in samenhang met artikel 1 van het Besluit vergoeding
affectieschade, worden toegewezen tot een bedrag van € 17.500,-, nu het slachtoffer niet bij
haar inwoonde.
Schokschade
Vast is komen te staan dat er tussen de benadeelde partij, de moeder van het slachtoffer, en het slachtoffer een nauwe relatie bestond. Zij stelt dat zij bij de uitvaartverzorger is geconfronteerd met de verwondingen aan het lichaam van haar zoon en de gevolgen van het pathologisch onderzoek. Ook stelt zij dat zij vlak nadat zij had vernomen dat haar zoon was overleden via de media informatie vernam over wat zou zijn voorgevallen. De rechtbank begrijpt dat het op deze wijze verliezen van een kind onbegrijpelijk is en kan leiden tot geestelijk letsel. De rechtbank moet echter vaststellen dat de vordering op dit punt onvoldoende is onderbouwd, anders dan de voorlopige diagnose door een psycholoog dat sprake is van een rouwstoornis, depressieve klachten en trauma-gerelateerde klachten. Niet kan worden vastgesteld dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het strafbare feit. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit onderdeel nadere bewijslevering vraagt en daarmee een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij zal voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.
5.4.3..
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partijen een schadevergoeding betalen zoals hieronder vermeld. De schadevergoedingen zullen vermeerderd worden met de wettelijke rente vanaf 1 november 2025. Daarnaast wordt oplegging van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht. De gijzeling wordt, rekening houdend met artikel 36f, vijfde lid van het Wetboek van Strafrecht, bepaald op 364 dagen. Het aantal dagen gijzeling per vordering zal naar evenredigheid worden vastgesteld.
Benadeelde partij
Toegewezen immateriële schade
Totaal
[benadeelde 1]
€ 20.000
€ 20.000
[benadeelde 2]
€ 20.000
€ 20.000
[benadeelde 3]
€ 20.000
€ 20.000
[benadeelde 4]
€ 20.000
€ 20.000
[benadeelde 5]
€ 20.000
€ 20.000
[benadeelde 6]
€ 17.500
€ 17.500
[benadeelde 7]
€ 17.500
€ 17.500
€ 135.0006. Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 36f, 55, 57 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.7. Beslissingen
De rechtbank:
Vrijspraak
verklaart niet bewezen dat de verdachte het feit 1 primair heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Bewezenverklaring
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1 subsidiair en 2, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
Kwalificatie en strafbaarheid
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
Vorderingen benadeelde partijen
[benadeelde 1]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 1] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 2]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 2] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 3]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 3] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 4]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 4] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 4] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 5]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 5] (feit 1), te betalen een bedrag van € 20.000,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 5] aan de staat€ 20.000,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal54 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 6]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 6] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 6] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
[benadeelde 7]
veroordeelt de verdachte aan de benadeelde partij [benadeelde 7] (feit 1), te betalen een bedrag van € 17.500,-, als vergoeding van immateriële schade, en de wettelijke rente hierover vanaf 1 november 2025 tot de dag van volledige betaling;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering (feit 1); bepaalt dat dit deel van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte proceskosten, tot op vandaag begroot op € 0 en in de nog te maken kosten voor de tenuitvoerlegging van dit vonnis;
legt aan de verdachte voor feit 1 de maatregel tot schadevergoedingop, wat inhoudt dat de verdachte de verplichting heeft om ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 7] aan de staat€ 17.500,-te betalen, en de wettelijke rente vanaf 1 november 2025 tot aan de dag van de gehele betaling. Bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt,gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal47 dagen. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.8. Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. C. Sikkel, voorzitter,
en mrs. W.J. de Veld en M.C. Spoormaker, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Knook, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 7 juli 2026.
Mr. Spoormaker is niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.
Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 209 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .
Pagina 98 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 1] van onderzoek [naam onderzoek] .
Verklaard tijdens de zitting van 23 juni 2026.
pagina 53 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 2] van onderzoek [naam onderzoek] .
Pagina 15 e.v. van het proces-verbaalnummer [nummer proces-verbaal 3] van onderzoek [naam onderzoek] .
Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut, pagina 46 e.v. van onderzoek [naam onderzoek] .
HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405.
ECLI:NL:RBROT:2024:2282.