Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5087

Instanță

Breda

Data

4 February 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Burgerlijk procesrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Burgerlijk procesrechtType: uitspraak

RECHTBANK Zeeland-West-Brabant

Civiel recht

Zittingsplaats Breda

Zaaknummer: C/02/435794 / HA ZA 25-310

Vonnis van 4 februari 2026

in de zaak van

[eisende partij],

wonende in [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eisende partij] ,

advocaat: mr. K.M. van Wijngaarden,

tegen

[gedaagde partij] handelend onder de naam [bedrijf],

wonende/gevestigd in [plaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde partij] ,

advocaat: mr. A.M.M. de Waal.

1. De zaak in het kort

1.1..
[eisende partij] en de heer [persoon] (hierna te noemen: “ [persoon] ) zijn ex-partners, die samen twee kinderen hebben. [persoon] is bij beschikking van 28 november 2017 veroordeeld tot betaling van kinderalimentatie aan [eisende partij] . [persoon] heeft de kinderalimentatie niet betaald. [eisende partij] heeft daarom ten laste van [persoon] loonbeslag gelegd onder [gedaagde partij] , de werkgever van [persoon] . [gedaagde partij] heeft hierna een verklaring afgelegd dat zij maandelijks € 318,18 aan [persoon] moet betalen. [eisende partij] betwist dat die verklaring juist is. [eisende partij] stelt dat het loon van [persoon] hoger moet zijn. [eisende partij] wil daarom dat [gedaagde partij] voor de rechtbank een nieuwe verklaring aflegt. Ook eist [eisende partij] dat [gedaagde partij] veroordeeld wordt tot betaling van het bedrag dat zij aan [eisende partij] moet betalen. De rechtbank wijst deze vorderingen af.

2. De procedure

2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • de dagvaarding met producties van 16 mei 2025;

  • de akte in aanvulling op de conclusie van eis van 2 juli 2025 van [eisende partij] ; - de conclusie van antwoord met producties van 13 augustus 2025; - de conclusie van repliek met producties van 24 september 2025; - de conclusie van dupliek met producties van 5 november 2025; - de akte uitlating producties en overlegging productie 11 van 3 december 2025 van [eisende partij] ;

  • de antwoordakte uitlaten productie 11 van 24 december 2025 van [gedaagde partij] .

2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

3.1..
[gedaagde partij] drijft een eenmanszaak onder de naam [bedrijf] . Deze eenmanszaak richt zich op arbeidsbemiddeling en de detachering van personeel.

3.2..
[gedaagde partij] is de echtgenote van [persoon] . Voordat [gedaagde partij] met [persoon] een relatie kreeg, heeft [eisende partij] een relatie gehad met [persoon] . [eisende partij] en [persoon] hebben samen twee minderjarige kinderen. Deze relatie is in 2015 geëindigd.

3.3..
[eisende partij] heeft op 9 oktober 2017 een verzoekschrift ingediend bij de rechtbank tot vaststelling van de kinderalimentatie. Dit verzoek is bij beschikking van 28 november 2017 toegewezen. Op grond van deze beschikking moet [persoon] kinderalimentatie betalen aan [eisende partij] .

3.4..
[persoon] heeft de kinderalimentatie niet betaald. De deurwaarder heeft daarom onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de kinderalimentatie betaald te krijgen door [persoon] .

3.5.. Uit dit onderzoek is in februari 2025 gebleken dat [persoon] in loondienst is bij [bedrijf] , de eenmanszaak van [gedaagde partij] .

3.6.. Op 28 februari 2025 heeft [eisende partij] executoriaal loonbeslag gelegd onder [gedaagde partij] ten laste van [persoon] .

3.7..
[gedaagde partij] heeft op 29 maart 2025 een verklaring afgelegd over het bedrag dat [gedaagde partij] aan [persoon] verschuldigd is en zal zijn. In de verklaring staat dat [gedaagde partij] per vier weken een brutoloon van € 500,00 betaalt aan [persoon] . Bij de verklaring zijn drie loonspecificaties gevoegd. In de loonspecificaties is een brutoloon van € 1.600,00 opgenomen, waarop maandelijks uren in mindering worden gebracht tot een bedrag van ongeveer € 1.300,00. Er resteert daardoor een nettoloon van tussen de € 313,18 tot € 335,55 per vier weken. De beslagvrije voet bedraagt volgens de verklaring € 341,00. Verder is in de verklaring vermeld dat er schulden zijn bij [website] en de Belastingdienst, die op 18 en 20 maart 2025 eveneens loonbeslag zouden hebben gelegd.

3.8..

Op het LinkedIn-profiel van [persoon] stond dat hij Maintenance Supervisor is.

Uit informatie van de Nationale Vacaturebank blijkt dat het salaris van een Maintenance Supervisor tussen de € 3.395,00 en 4.019,00 bruto per maand bedraagt.

4. Het geschil

4.1..
[eisende partij] vordert - samengevat – om [gedaagde partij] te bevelen een gerechtelijke verklaring te doen naar aanleiding van het beslag van 28 februari 2025. Daarnaast vordert [eisende partij] om [gedaagde partij] te veroordelen tot betaling of afgifte van hetgeen zij aan [eisende partij] verschuldigd is.

4.2..
[eisende partij] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij betwist dat [gedaagde partij] als derde-beslagene een juiste verklaring heeft afgelegd over het bedrag dat zij maandelijks verschuldigd is aan [persoon] .

4.3..
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure.

4.4..
[gedaagde partij] bestrijdt dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd over het bedrag dat zij per maand moet betalen aan [persoon] . [gedaagde partij] blijft bij de door haar afgelegde verklaring, die zij in deze procedure verder toelicht en aanvult.

4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

[gedaagde partij] wordt niet veroordeeld tot het afleggen van een gerechtelijke verklaring

5.1.. De rechtbank wijst de vordering van [eisende partij] om [gedaagde partij] te bevelen om een gerechtelijke verklaring te verstrekken af. De reden daarvoor is dat [gedaagde partij] in deze procedure heeft volhardt in de door haar afgelegde verklaring. [gedaagde partij] heeft deze verklaring verder toegelicht en aangevuld in de door haar ingediende processtukken. [gedaagde partij] heeft daarmee al een gerechtelijke verklaring afgelegd, zodat [eisende partij] geen belang meer heeft bij deze vordering. De rechtbank gaat hierna inhoudelijk op de verklaring van [gedaagde partij] in.

De vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling wordt afgewezen

5.2.. De vordering van [eisende partij] tot veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van het bedrag dat zij verschuldigd is aan [eisende partij] wordt ook afgewezen. Hoewel [eisende partij] de verklaring van [gedaagde partij] heeft betwist, moet de rechtbank uitgaan van de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] . Uit die verklaring volgt dat [gedaagde partij] geen bedrag aan [eisende partij] hoeft te betalen. De rechtbank zal dit oordeel hierna uitleggen.

[eisende partij] heeft onvoldoende betwist dat de verklaring van [gedaagde partij] juist is

5.3..
[eisende partij] betwist de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] van 29 maart 2025. [eisende partij] betwist ook de toelichting en de aanvulling die [gedaagde partij] in deze procedure op haar verklaring heeft gegeven.

5.4..
[eisende partij] stelt zich op het standpunt dat het door [gedaagde partij] opgegeven loon van [persoon] van € 500,00 bruto per vier weken onevenredig laag is. Volgens [eisende partij] is [persoon] werkzaam als Maintenance Supervisor.Het gemiddeld salaris van een Maintenance Supervisor bedraagt tussen de € 3.395,00 en 4.019,00 bruto per maand.[eisende partij] acht een vergoeding van € 3.800 bruto per maand daarom redelijk voor de werkzaamheden van [persoon] . Hierdoor zou per maand € 1.200,00 door het beslag getroffen zijn in plaats van het door [gedaagde partij] opgegeven bedrag van gemiddeld € 500,00 bruto per maand.

5.5.. Daarnaast trekt [eisende partij] de loonspecificaties in twijfel. De reden daarvoor is dat in de loonspecificaties een salaris van € 1.600,00 bruto per maand is opgenomen, maar daarop maandelijks uren in mindering worden gebracht tot een bedrag van € 1.300,00 bruto per maand.

5.6.. De rechtbank stelt voorop dat de stelplicht en bewijslast voor de stelling dat de verklaring van [gedaagde partij] onjuist is op [eisende partij] als beslaglegger rusten.[gedaagde partij] dient op haar beurt gemotiveerd te betwisten dat haar verklaring onjuist is. Daarnaast mag in een verklaringsprocedure zoals deze van [gedaagde partij] als derde-beslagene verwacht worden dat zij haar verklaring met redenen omkleedt en haar verklaring zo veel mogelijk vergezeld doet gaan met stukken ter onderbouwing van die verklaring.

5.7.. De rechtbank concludeert dat [gedaagde partij] gemotiveerd heeft betwist dat haar verklaring onjuist is en dat zij haar verklaring heeft onderbouwd met verschillende stukken. [eisende partij] heeft onvoldoende onderbouwd dat de verklaring van [gedaagde partij] desondanks onjuist is. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

5.8..
[gedaagde partij] heeft gemotiveerd weersproken dat zij een onjuiste verklaring heeft afgelegd. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de functieomschrijving van [persoon] op LinkedIn verouderd is. [persoon] is van 30 juni 2024 tot 1 mei 2025 in dienst geweest bij [gedaagde partij] in de functie van monteur metaaltechniek voor gemiddeld zeven uur per week. [gedaagde partij] heeft dit onderbouwd door de tussen [gedaagde partij] en [persoon] gesloten arbeidsovereenkomst.Het lage inkomen van [persoon] kan volgens [gedaagde partij] worden verklaard, doordat [persoon] gemiddeld maar zeven uur per week werkt omdat hij vooral voor de kinderen en het huishouden zorgt.

5.9..
[gedaagde partij] heeft daarbij het formulier van de deurwaarder ingevuld. Bij dat formulier heeft zij drie loonspecificaties gevoegd, waarop zij in deze procedure een nadere toelichting heeft gegeven. [gedaagde partij] heeft toegelicht dat er maandelijks uren in mindering zijn gebracht op de loonspecificaties van [persoon] , omdat in het boekhoudsysteem standaard wordt gerekend met 152 uur per vier weken terwijl [persoon] gemiddeld 7 uur per week werkt. [gedaagde partij] heeft een e-mailbericht van de boekhouder overgelegd, waarin hij dit uitlegt.De boekhouder heeft ook bevestigd dat de door [gedaagde partij] aan de deurwaarder toegestuurde verklaring juist is.

5.10..
[gedaagde partij] heeft door deze onderbouwing voldaan aan haar verplichting om haar verklaring met feitelijke gegevens te staven.5.11..
[eisende partij] heeft tegen de stellingen van [gedaagde partij] uitsluitend ingebracht dat [persoon] al vanaf 2018 in dienst was bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft erkend dat [persoon] al vanaf 2018 voor haar werkzaam was, maar dat [persoon] pas vanaf 30 juni 2024 bij haar werkzaam is als monteur metaaltechniek. Dit maakt niet dat de verklaring van [gedaagde partij] onjuist is. [eisende partij] heeft namelijk geen verweer gevoerd tegen de stellingen van [gedaagde partij] dat [persoon] vanaf 30 juni 2024 werkzaam was in de functie van monteur metaaltechniek voor gemiddeld zeven uur per week. [eisende partij] heeft de beperkte omvang van het dienstverband van [persoon] en de toelichting daarop van [gedaagde partij] niet betwist. Daarmee staat vast dat [persoon] gemiddeld zeven uur per week als monteur metaaltechniek werkte bij [gedaagde partij] . Door [eisende partij] is niet gesteld waarom het in de verklaring genoemde loon van € 500,00 bruto per vier weken voor een monteur metaaltechniek die zeven uur per week werkt onredelijk laag is. [eisende partij] heeft verder niets ingebracht tegen de verklaring van [gedaagde partij] over de redenen waarom en de wijze waarop er minderuren worden verrekend. [eisende partij] heeft ook niet gesteld dat er nog andere redenen zijn om aan te nemen dat de door [gedaagde partij] afgelegde verklaring en/of de informatie uit de loonspecificaties onjuist zijn. De enkele stelling van [eisende partij] dat de verklaringen van [gedaagde partij] leugenachtig zijn is niet voldoende, omdat die stelling niet nader is onderbouwd. Om die reden is niet vast komen te staan dat [persoon] tegen een onevenredig lage vergoeding voor [gedaagde partij] werkzaamheden heeft verricht.

[gedaagde partij] hoeft niets aan [eisende partij] te betalen

5.12.. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verklaring van [gedaagde partij] over de hoogte van het inkomen van [persoon] en het door het beslag getroffen bedrag onjuist is. De rechtbank moet daarom uitgaan van de juistheid van de verklaring van [gedaagde partij] .

5.13..
[gedaagde partij] heeft verklaard dat zij maandelijks € 318,18 aan [persoon] verschuldigd is. Uit de verklaring volgt daarnaast dat de beslagvrije voet € 341,00 bedraagt. [eisende partij] heeft niet betwist dat die beslagvrije voet juist is. Doordat het maandelijkse salaris van [persoon] lager is dan de beslagvrije voet, hoeft [gedaagde partij] niets aan [eisende partij] af te dragen.

Het dienstverband van [persoon] bij een andere werkgever is niet relevant

5.14.. Over het nieuwe dienstverband van [persoon] bij een andere werkgever overweegt de rechtbank voor de goede orde nog dat de discussie daarover relevantie mist. Zelfs als vast zou komen te staan dat [persoon] in dienst is gebleven bij [gedaagde partij] , is [gedaagde partij] niet gehouden om bedragen aan [eisende partij] te betalen gelet op de conclusie van de rechtbank bij rechtsoverweging 5.13. Tot slot geldt dat de rechtbank moet beoordelen of de door [gedaagde partij] afgelegde verklaring van 29 maart 2025 over het bedrag dat zij aan [persoon] verschuldigd is juist is. Het nieuwe dienstverband staat daar los van, nog daargelaten dat [eisende partij] niet met feitelijke gegevens heeft onderbouwd dat [persoon] vanaf 1 mei 2025 nog in dienst is geweest bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft daarbij verschillende stukken ingediend waarmee wordt onderbouwd dat [persoon] sindsdien in dienst is bij een andere werkgever.

[eisende partij] moet de proceskosten van [gedaagde partij] vergoeden

5.15.. Hoewel het gaat om de executie van een beschikking tot betaling van kinderalimentatie en de proceskosten in familierechtelijke geschillen in beginsel worden gecompenseerd, wordt in deze zaak een proceskostenveroordeling uitgesproken.De reden daarvoor is dat [eisende partij] [gedaagde partij] heeft aangesproken als derde-beslagene. [gedaagde partij] is dus geen partij bij het geschil over de kinderalimentatie, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de proceskosten te compenseren.

5.16..
[eisende partij] is in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:

  • griffierecht

331,00

  • salaris advocaat

1.535,00

(2,5 punten × € 614,00)

  • nakosten

178,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

2.044,00

6. De beslissing

De rechtbank

6.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,

6.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 2.044,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

6.3.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Van den Heuvel en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2026.

Artikel 477a lid 2 Wetboek van Rechtsvordering (Rv).

Productie 5 bij dagvaarding.

Productie 6 bij dagvaarding.

Artikel 150 Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.

Artikel 476a lid 2 en 476b Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.

Productie 1 bij conclusie van antwoord.

Productie 3 bij conclusie van antwoord.

Productie 3 bij conclusie van antwoord.

Artikel 476b lid 2 Rv; Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5256.

Productie 2 conclusie van antwoord en productie 4-10 conclusie van dupliek.

Artikel 237 Rv.

Mai Multe Decizii