ECLI:NL:RBZWB:2026:5143
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Goederenrecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/437632 / HA ZA 25-405
Vonnis van 10 juni 2026
in de zaak van
1. [eiser] ,
te [plaats] , 2. [eiseres],
te [plaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] .,
advocaat: mr. H.H.G. Theunissen,
tegen
1. [gedaagde 1] ,
te [plaats] , 2. [gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: [gedaagden] ,
advocaat: mr. C. van Aken.
1. De zaak in het kort
1.1..
[eisers] . en [gedaagden] zijn buren van elkaar. [gedaagden] hebben in 2019 een aanbouw laten plaatsen. Toen [eisers] . dat ook wilden gaan doen, bleek dat de aanbouw van [gedaagden] over de kadastrale grens staat. [eisers] . vorderen dat [gedaagden] het gedeelte van de aanbouw dat op het perceel van [eisers] . staat, afbreken. Die vordering wordt afgewezen. De rechtbank stelt vast dat [eisers] . de aanbouw hebben geplaatst op grond die door verjaring hun eigendom is geworden. Hieronder legt de rechtbank dit oordeel uit.
2. De procedure
2.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 5 november 2025 met de daarin genoemde stukken;
het bericht van 10 november 2025 met productie 9 in kleur van [eisers] .; - de mondelinge behandeling van 18 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt; - de spreekaantekeningen van mr. Theunissen.
2.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
3. De feiten
3.1..
[eisers] . zijn sinds 1 december 2022 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 1] in [plaats] . [gedaagden] zijn sinds 3 mei 2016 gezamenlijk eigenaar van de woning aan de [adres 2] in [plaats] . Partijen zijn dus buren van elkaar.
3.2.. De woningen van [eisers] . en [gedaagden] zijn in 1993 gebouwd dan wel opgeleverd.
3.3.. In 2019 hebben [gedaagden] een aanbouw geplaatst.
3.4..
[eisers] . willen ook een aanbouw plaatsen. In dat kader hebben zij op 5 juli 2024 een grensreconstructie laten uitvoeren door Kadasterdata. Daaruit kwam naar voren dat de aanbouw van [gedaagden] over de kadastrale grens staat.
3.5.. De gemachtigde van [eisers] . heeft [gedaagden] bij brief van 23 oktober 2024 gesommeerd om de aanbouw, voor zover die op het perceel van [eisers] . staat, te verwijderen.
3.6.. Op 7 april 2025 heeft het Kadaster een grensreconstructie uitgevoerd. Volgens deze grensreconstructie staat de aanbouw van [gedaagden] 12 centimeter op het perceel van [eisers] ..
4. Het geschil
4.1..
[eisers] . vorderen – samengevat – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen om binnen twee maanden na betekening van het vonnis het deel van de aanbouw dat over de perceelgrens staat, te verwijderen en verwijderd te houden op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag (of een gedeelte daarvan) met een maximum van € 50.000,00;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 540,00 aan [eisers] .;
[gedaagden] hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten te vermeerderden met de wettelijke rente.
4.2..
[eisers] . leggen aan de vordering het volgende ten grondslag. De aanbouw van [gedaagden] staat 12 centimeter op het perceel van [eisers] .. Daarmee maken [gedaagden] inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] . en dat is onrechtmatig.
4.3..
[gedaagden] voeren verweer. [gedaagden] concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [eisers] ., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eisers] ., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eisers] . in de kosten van deze procedure te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4..
[gedaagden] voeren het volgende aan. Zij hebben de aanbouw, in overleg met de toenmalige buren, op de plek van de schutting gerealiseerd. Die schutting stond er al sinds 1993. Er is daarom sprake van verjaring. Voor zover er geen sprake is van verjaring, moet de vordering van [eisers] . worden afgewezen, omdat [gedaagden] onevenredig benadeeld zouden worden als zij de aanbouw gedeeltelijk moeten afbreken.
4.5.. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Er is sprake van verjaring
5.1.. Het meest verstrekkende verweer van [gedaagden] tegen de vordering van [eisers] . is dat de juridische grens tussen de percelen door verjaring op de plek van de voormalige schutting is komen te liggen. Omdat de aanbouw in het verlengde van de schutting is gebouwd, kan [eisers] . geen verwijdering vorderen. Dat verweer slaagt. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot dat oordeel is gekomen.
5.2.. Op grond van artikel 3:99 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een bezitter die te goeder trouw tien jaar het onafgebroken bezit van een onroerende zaak heeft, eigenaar van die onroerende zaak (verkrijgende verjaring). In artikel 3:105 lid 1 BW is bepaald dat degene die een goed bezit op het moment dat de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit verjaart, dat goed verkrijgt, ook al was zijn bezit niet te goeder trouw (bevrijdende verjaring). De verjaring van deze rechtsvordering begint te lopen op de dag na het verlies van het bezit door de rechthebbende (artikel 3:314 lid 2 BW) en is voltooid na twintig jaar (artikel 3:306 BW).
5.3.. Voor zowel de bevrijdende als voor de verkrijgende verjaring is bezit nodig. Voor de beantwoording van de vraag of iemand een goed in bezit heeft genomen, is bepalend of hij zich de feitelijke macht over dat goed heeft verschaft (artikel 3:113 lid 1 BW). Voor inbezitneming van een goed dat in het bezit van een ander is, geldt dat enkele op zichzelf staande machtsuitoefeningen ontoereikend zijn (artikel 3:113 lid 2 BW). Vereist is dat de machtsuitoefening zodanig is dat naar verkeersopvatting het bezit van de oorspronkelijke bezitter wordt tenietgedaan. Het antwoord op de vraag of iemand de voor bezit vereiste feitelijke macht uitoefent, wordt, evenals de vraag of hij voor zichzelf of voor een ander houdt, beoordeeld naar verkeersopvatting en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). De rol van de verkeersopvatting brengt mee dat daarbij de aard en de bestemming van het betrokken goed in aanmerking moeten worden genomen.
5.4..
[gedaagden] hebben gesteld dat de woningen in 1993 zijn gebouwd dan wel zijn opgeleverd en dat de aannemer toen de houten schutting tussen de percelen heeft geplaatst. De aanbouw is gebouwd in het verlengde van / op de dezelfde plek als de voormalige houten schutting. Ter onderbouwing daarvan hebben [gedaagden] verschillende verklaringen van buurtbewoners, maar ook fotomateriaal overgelegd.
5.5.. In het algemeen wordt een schutting naar verkeersopvatting geplaatst als erfafscheiding. Uit de foto’s volgt dat de houten schutting tussen de [adres 1] en [adres 2] naar zijn uiterlijke vorm ook bedoeld is als erfafscheiding. Partijen en hun rechtsvoorgangers hebben de feitelijke macht uitgeoefend over de grond aan hun zijde van de schutting door die grond te gebruiken als tuin. [eisers] . hebben dat niet betwist. Dat betekent dat in 1993 een verjaringstermijn is gaan lopen voor zover de grond die aan de zijde van de [adres 2] in gebruik was, de kadastrale grens met de [adres 1] overschreed. Die verjaringstermijn is in ieder geval in 2013 voltooid, waardoor (de rechtsvoorgangers van) [gedaagden] eigenaar zijn geworden van het stukje grond tot aan de houten schutting dat (voorheen) kadastraal deel uitmaakte van het perceel van de [adres 1] .
5.6.. In 2016 hebben [gedaagden] naar eigen zeggen de aanbouw geplaatst in het verlengde van de houten schutting. [eisers] . betwisten dit, maar ongemotiveerd. Zij zeggen alleen dat zij van ‘derden’ vernomen hebben dat de aanbouw verder is gebouwd dan de in 1993 gebouwde schutting. [gedaagden] daarentegen hebben als productie 2 bij conclusie van antwoord fotomateriaal overgelegd van zowel de plaatsing van de schutting in 1993 als van de verbouwingswerkzaamheden in 2019. Op de foto’s die gevoegd zijn bij de verklaringen van voormalige bewoners – met name de verklaring van de [persoon] , naar eigen zeggen bewoner van de [adres 1] van 1992 tot 2011 – is te zien dat de schutting is geplaatst rechts naast de regenpijp. Op de foto van [gedaagden] van de bouw van de aanbouw is te zien dat de vloer van de aanbouw is gestort in het verlengde van de schutting en binnen de aftekening die is te zien op de gevel waar voorheen de (regenpijp en) schutting stond. Gelet hierop hebben [gedaagden] voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de aanbouw hebben geplaatst op plek waar voorheen de schutting heeft gestaan (en niet daaroverheen).
5.7.. Uit wat hiervoor staat volgt dat [gedaagden] de aanbouw hebben geplaatst op grond die door verjaring hun eigendom was geworden. De vordering tot verwijdering van (een gedeelte van) de aanbouw moet daarom worden afgewezen.
5.8.. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de vordering tot afbraak ook misbruik van recht zou opleveren. De aanbouw is maar 12 cm over de kadastrale grens gebouwd. Afbraak van dit gedeelte zou hoge kosten met zich brengen. Toen [eisers] . de woning aan de [adres 1] kochten, stond de aanbouw er al. [eisers] . hebben er twee jaar gewoond voordat ze een probleem maakten van de aanbouw. Dat heeft te maken met het feit dat zij nu zelf een aanbouw willen plaatsen. Zij hebben onvoldoende onderbouwd dat dit niet kan. Anders dan [eisers] . stellen, hoeven [gedaagden] ook geen beroep te doen op artikel 5:54 lid 1 BW. Dit artikel werkt niet exclusief. Een beroep op misbruik van recht blijft mogelijk.
De kosten van de grensreconstructie worden afgewezen
5.9..
[eisers] . vorderen ook dat [gedaagden] worden veroordeeld in de kosten die zij hebben moeten maken voor de grensreconstructie door het Kadaster op grond van artikel 6:96 lid 2 onder b BW. Omdat de rechtbank de hoofdvordering afwijst en dus geen grondslag voor aansprakelijkheid van [gedaagden] heeft vastgesteld, zal ook deze (neven)vordering worden afgewezen.
[eisers] . worden veroordeeld in de proceskosten
5.10..
[eisers] . zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:
- griffierecht
€
331,00
- salaris advocaat
€
1.306,00
(2 punten × € 653,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.826,00
5.11.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
6. De beslissing
De rechtbank
6.1.. wijst de vorderingen van [eisers] . af,
6.2.. veroordeelt [eisers] . in de proceskosten van € 1.826,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisers] . niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.. veroordeelt [eisers] . tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.. verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Römers en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2026.
HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1606, r.o. 3.2.
HR 15 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8194, r.o. 3.7.2.