ECLI:NL:RBZWB:2026:5311
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant
Civiel recht
Zittingsplaats Breda
Zaaknummer: C/02/442494 / HA ZA 25-650
Vonnis van 17 juni 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. D. Marcus,
tegen
STICHTING [gedaagde partij],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
advocaat: mr. A.C. Beijering-Beck en mr. I.M. de Vries.
1. De procedure
1.1.. Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 18 februari 2026 en de daarin vermelde stukken
de mondelinge behandeling van 2 juni 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
2.1..
[eisende partij] heeft een autismespectrumstoornis (ASS). Hij is op 1 juli 2016 op grond van een zorg- en dienstverleningsovereenkomst bij [gedaagde partij] in zorg gekomen, laatstelijk op de locatie [locatie 1] in [woonplaats] . De locatie is toegerust voor personen met ASS. [eisende partij] bewoonde daar zelfstandig een appartement. [eisende partij] is per 18 februari 2021 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-1 toegekend en per 24 juni 2025 een Wlz-indicatie met zorgprofiel GGZ-3.
2.2.. Na 2021 is [eisende partij] klachten gaan uiten over de door [gedaagde partij] verleende zorg. [eisende partij] heeft hierover in november 2023 bij de Geschillencommissie Gehandicaptenzorg (hierna: de Geschillencommissie) een klacht ingediend tegen [gedaagde partij] . De klacht hield met name in dat door [gedaagde partij] te weinig werd gedaan om aan de zorgvraag van [eisende partij] te voldoen. De Geschillencommissie heeft op 22 maart 2024 een bindend advies uitgebracht. [gedaagde partij] heeft geen uitnodiging voor de zitting van de Geschillencommissie ontvangen. De Geschillencommissie heeft de klacht gegrond verklaard en daartoe onder andere het volgende overwogen.
“De commissie overweegt dat cliënt een indicatie heeft op grond van de Wlz. Dit betekent onder meer dat de zorgaanbieder verantwoordelijk is voor het opstellen én het uitvoeren van een zorgplan. Daarnaast dient de zorgaanbieder aan cliënt dagbesteding aan te bieden, dan wel de cliënt dient te ondersteunen bij zijn pogingen om aan zijn dagen een voor hem zinvolle invulling te geven. De commissie is van oordeel dat de zorgaanbieder op beide punten tekort is geschoten. Alhoewel er op de locatie dagelijks begeleiding aanwezig is, verricht deze niet dan wel onvoldoende inspanning om aan de zorgvraag van cliënt tegemoet te komen en het opgemaakte zorgplan uit te voeren. Dat in het verleden tussen cliënt en deze begeleiding strubbelingen zijn geweest, doet hier niet aan af. Van de zorgaanbieder als professionele organisatie mag immers worden verlangd dat hij zijn zorgtaken uitvoert zoals deze in het zorgplan staan vermeld. Daarbij merkt de commissie op dat bepaalde zorgtaken die wellicht minder passend zijn binnen deze locatie, zoals het assisteren bij het maken van video’s, kunnen worden uitgevoerd door vrijwilligers, die ook binnen de organisatie van de zorgaanbieder aanwezig en actief zijn. Het is aan de zorgaanbieder om dit voor cliënt te faciliteren. Gezien het vorenstaande zal de commissie de klachten van cliënt gegrond verklaren.
De commissie begrijpt dat de zorgaanbieder het vertrouwen van cliënt heeft beschaamd, gezien het ontbreken van persoonlijke begeleiding op de locatie en een dagstructuur, en dat cliënt om die reden op zoek is naar een andere begeleid wonen voorziening. De commissie geeft de zorgaanbieder in overweging om in contact te treden met het zorgkantoor, teneinde het vinden van een passende woonruimte te bespoedigen.”
2.3.. In de periode daarna heeft uitvoerige (e-mail)correspondentie plaatsgevonden tussen partijen.
2.4.. Bij brief van 20 juni 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een eerste waarschuwing gegeven in verband met zijn taalgebruik en houding ten opzichte van haar medewerkers. Daarbij heeft [gedaagde partij] medegedeeld dat als deze waarschuwing niet leidt tot verbetering er weer een waarschuwing zal volgen en dat bij de derde en tevens laatste waarschuwing zal worden overgegaan tot beëindiging van de zorg- en dienstverleningsovereenkomst. Daarbij heeft [gedaagde partij] aangegeven dat in dat geval ook de beschikbaarheid van het door [eisende partij] bewoonde appartement vervalt.
2.5.. In juli 2024 heeft [gedaagde partij] [eisende partij] verblijf aangeboden op haar locatie [locatie 2] in [plaats 1] . [eisende partij] heeft dit aanbod afgewezen.
2.6..
[gedaagde partij] heeft bij brief van 5 november 2024 aan [eisende partij] een tweede waarschuwing gegeven in verband met de beschadigde vertrouwensrelatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat zij, om uit deze lastige situatie te komen, hem nog één keer een andere voorziening binnen [gedaagde partij] aanbiedt en dat, als hij die optie weigert, dat gevolgen heeft voor zijn verblijf binnen [gedaagde partij] . Zij zal dan het proces starten om tot beëindiging van de zorgovereenkomst te komen, wat tot gevolg zal hebben dat er voor hem geen woonplek meer beschikbaar is en hij de locatie [locatie 1] moet verlaten.2.7.. Op 18 december 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een woonplek aangeboden in een appartement aan de [locatie 3] te [woonplaats] . Zij heeft daarbij meegedeeld dat dit haar laatste aanbod is en dat [eisende partij] , als hij daar geen gebruik van wil maken, niet langer in zorg kan blijven bij [gedaagde partij] en de zorgovereenkomst zal worden beëindigd.
2.8.. Bij e-mail van 8 januari 2025 heeft [gedaagde partij] herhaald dat als [eisende partij] onvoldoende meewerkt aan de zorglevering en de aangeboden zorg blijft weigeren, zij genoodzaakt is om de zorgovereenkomst te beëindigen en [eisende partij] door te verwijzen naar een andere zorgaanbieder.
2.9..
[eisende partij] heeft de woning in de [locatie 3] niet geaccepteerd. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] in januari 2025 nog een woning aangeboden in de [locatie 4] in [plaats 2] . Op 14 maart 2025 heeft zij hem een woning in de [locatie 5] in [plaats 3] aangeboden. [eisende partij] heeft het aanbod voor deze woonlocaties afgewezen.
2.10.. Bij brief van 18 februari 2025 heeft [eisende partij] bij de Regionale Klachtencommissie Zorg de volgende klachten geuit over de zorgverlening door [gedaagde partij] .
“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg
[gedaagde partij] is bij bindend advies van de Geschillencommissie Zorg op 22 maart 2024 veroordeeld om passende zorg te leveren. Tot op heden heeft [gedaagde partij] deze uitspraak niet nageleefd. Ondanks toezeggingen om de uitspraak op te volgen, is er structureel zorgverzuim en weigert [gedaagde partij] uitvoering te geven aan de zorgdoelen.
(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg
In plaats van herstelzorg te bieden en passende begeleiding te realiseren, heeft [gedaagde partij] een koers ingezet om mij uit de zorg te zetten. Dit blijkt onder meer uit dreigementen tot beëindiging van de zorgovereenkomst en het opleggen van onrechtmatige voorwaarden. Hierdoor ben ik onder druk gezet om te verhuizen naar een locatie waar geen passende zorg geboden kan worden.
(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en Indicatie
Het zorgplan is onzorgvuldig en eenzijdig aangepast, zonder voldoende overleg of instemming van mijn kant. Daarnaast wordt mijn Wlz-indicatie (GGZ-Wonen) niet correct nageleefd, aangezien essentiële ondersteuning wordt afgebouwd zonder overleg en onder dreiging van stopzetting van zorg.
(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding
Ondanks herhaaldelijke verzoeken wordt er geen invulling gegeven aan de volgende noodzakelijke zorg:
• Actieve begeleiding bij daginvulling, waaronder ondersteuning bij videografie en sociale
interactie.
• Een zorgvuldig afgestemde aanpak om mijn dag/nachtritme te verbeteren.
(5) Onrechtmatige druk en dreigementen
Ik ervaar dat [gedaagde partij] misbruik maakt van haar zorgpositie door zorg onder voorwaarden te stellen, mij onder druk te zetten om akkoord te gaan met een onvolledig zorgplan, en door waarschuwingsbrieven te sturen waarin wordt gesuggereerd dat zorg beëindigd zal worden als ik niet meewerk aan de eisen van [gedaagde partij] .”
2.11..
[gedaagde partij] heeft hierop als volgt gereageerd.
“(1) Niet-naleving van het bindend advies van de Geschillencommissie Zorg
Verweer: [gedaagde partij] heeft passende zorg geboden aan de heer [eisende partij] . Wij verwijzen hierbij naar de Tijdlijn in Bijlage 1. Hierin is te lezen op welke manier wij aanhoudend zorg hebben aangeboden en wij voortdurend in gesprek zijn gebleven met de heer [eisende partij] .
Omdat de heer [eisende partij] steeds opnieuw onvrede uitte over de begeleiding, beschuldigingen deed over de zorg en over de rapportage, klachten indiende bij onze interne Klachtenfunctionaris en begeleiders manipuleerde is het wederzijds vertrouwen tussen hem en het team begeleiders van de [locatie 1] dermate geschaad, dat met hem is afgesproken om te zoeken naar een andere zorgaanbieder, dan wel een ander verblijf elders binnen [gedaagde partij] . Zie ook de uitspraak van de geschillencommissie, waar in de samenvatting staat: ‘cliënt wenst een andere woonruimte’. In het hele traject daarna heeft de heer [eisende partij] verschillende keren begeleiders aan de kant gezet, omdat hij de zorg van hen niet accepteerde en heeft hij andere woonruimte geweigerd. Ondanks alles, hebben diverse begeleiders steeds opnieuw getracht de begeleidingsrelatie te herstellen en vorm te geven.
(2) Beëindigingstraject zonder herstelzorg
Verweer: De zorg, ondersteuning en bemiddeling die [gedaagde partij] heeft aangeboden heeft niet geleid tot het herstel van vertrouwen in de hulpverleningsrelatie en heeft niet geleid tot werkbare afspraken tussen de heer [eisende partij] en de begeleiding.
[gedaagde partij] heeft een aantal keren een passend alternatief verblijf aangeboden. Daarnaast zijn er mogelijkheden bij andere zorgaanbieders onderzocht. De heer weigert medewerking tot overplaatsing. Omdat de heer geen of nauwelijks gebruik maakt van de aangeboden zorg, omdat de heer ontevreden blijft over de zorg, omdat er geen zorgplan tot stand komt, c.q. afspraken over de zorgverlening achterwege blijven, is het onmogelijk dat de heer nog langer verblijft op de huidige locatie de [locatie 1] . De heer [eisende partij] heeft eind 2024 een advocaat ingeschakeld, heeft het Zorgkantoor ingeschakeld en heeft een cliëntondersteuner van MEE ingeschakeld. [gedaagde partij] heeft met deze instanties en personen overlegd om tot een oplossing te komen. [gedaagde partij] heeft de heer een laatste passend aanbod gedaan, onder voorwaarde dat de heer akkoord gaat met het opgestelde zorgplan. Indien de heer dit aanbod weigert, dan gaat [gedaagde partij] over tot het traject ‘einde zorg’.
(3) Onzorgvuldige omgang met zorgplannen en indicatie
Verweer: Het zorgplan is keer op keer besproken, op de schaarse momenten dat de heer dit toeliet, waarbij door de heer [eisende partij] aan begeleiders onmogelijke en voortdurend wisselende eisen werden gesteld. Er is geen duurzaam akkoord op het zorgplan tot stand gekomen.
Het is in de zorg gebruikelijk dat de Wlz GGz 1 in een ambulante vorm met 24-uurs bereikbaarheid wordt uitgevoerd. Het zorgkantoor heeft dit naar ons bevestigd. Een deskundig team heeft de situatie en hulpvraag van de heer beoordeeld en is gekomen tot een pakket van passende zorg die binnen deze indicatie past én die passend is voor de persoonlijke hulpvraag van de heer [eisende partij] , gezien zijn gebruik van zorg en gezien zijn problematiek. Deze zorg wordt aangeboden.
(4) Structurele weigering van passende zorg en begeleiding
[gedaagde partij] biedt passende zorg aan. De heer [eisende partij] weigert deze zorg af te nemen. Afspraken, als deze al tot stand komen, worden geweigerd en afgezegd.
(5) Onrechtmatige druk en dreigementen
De voorwaarden die [gedaagde partij] aan de zorg stelt zijn aller sinds redelijk. Enige medewerking van cliënten in de uitvoering is vereist. De medewerking van de heer [eisende partij] missen de begeleiders volledig.
Regelmatig gaat de heer [eisende partij] over de grens van begeleiders heen, waarop wij hem een
waarschuwing hebben gegeven. Begeleiders ervaren geen medewerking. Er wordt geen druk uitgeoefend, laat staan dreigementen geuit. [gedaagde partij] vraagt medewerking aan zorguitvoering van de heer [eisende partij] .”
2.12..
[gedaagde partij] heeft vanaf maart 2025 de begeleiding van [eisende partij] door het vaste team van de locatie [locatie 1] gestopt en in plaats daarvan een kernteam ingezet.
2.13.. Bij brief van 9 april 2025 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] medegedeeld dat de zorgovereenkomst op 1 juni 2025 eindigt. Als redenen voor de beëindiging heeft [gedaagde partij] genoemd: de zorgweigering door [eisende partij] , zijn weigering om mee te werken aan overplaatsing naar een door deskundigen van [gedaagde partij] beoordeelde beter passende locatie, de wederzijdse vertrouwensbreuk en de weigering van [eisende partij] om mee te werken aan het aanpassen van zijn indicatie. [gedaagde partij] heeft [eisende partij] meegedeeld dat hij per 1 juni 2025 geen recht meer heeft op begeleiding, ondersteuning en zorg van [gedaagde partij] en dat hij niet meer in de woning op de locatie [locatie 1] mag verblijven. Hij moet op zoek gaan naar andere huisvesting en begeleiding.
2.14.. Bij vonnis van 28 mei 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank de vorderingen van [eisende partij] , die onder andere luidden [gedaagde partij] te verbieden de zorgverlening per 1 juni 2025 te beëindigen, [gedaagde partij] te gelasten de zorgverlening onverkort voort te zetten op de huidige woonlocatie ( [locatie 1] ) en te gelasten dat geen afschaling van zorg wordt doorgevoerd, [gedaagde partij] te gelasten integrale begeleiding aan [eisende partij] te bieden door het vaste team op locatie [locatie 1] , dan wel door een in overleg met [eisende partij] aan te wijzen persoonlijk begeleider en [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024, afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder andere het volgende overwogen.
“conclusie
6.14. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [gedaagde partij] op grond van het vorenstaande voldoende aannemelijk gemaakt dat [eisende partij] niet heeft meegewerkt aan de geboden zorgverlening en zonder goede reden niet bereid is geweest een andere passende locatie te aanvaarden. Dit heeft geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk. Dit zijn gewichtige redenen die de opzegging van de zorgovereenkomst – en daarmee ook de beëindiging van het verblijf van [eisende partij] in een appartement op een locatie van [gedaagde partij] – rechtvaardigen.
zorgvuldigheid
6.15. De voorzieningenrechter stelt vast dat [gedaagde partij] [eisende partij] herhaaldelijk (in brieven van 20 juni 2024, 5 november 2024 en 18 december 2024 aan [eisende partij] en in de email van 14 januari 2025 aan de advocaat van [eisende partij] ) heeft gewaarschuwd voor opzegging van de zorgovereenkomst als hij niet zou meewerken aan de zorgverlening en aan de verhuizing naar een andere locatie. Daarnaast heeft zij actief gezocht naar passende zorgverlening voor [eisende partij] op een andere locatie, zowel intern als extern. Dat [eisende partij] nu wel bereid is zijn medewerking te verlenen aan een hogere indicatie betekent niet dat [gedaagde partij] op de opzegging moet terugkomen. De andere twee redenen zijn ernstig en zwaarwegend genoeg. Het bindend advies staat aan opzegging niet in de weg vanwege de situatie zoals die zich daarna heeft ontwikkeld.”
2.15.. Bij vonnis van 9 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder andere overwogen dat het vonnis van 28 mei 2025 niet op een kennelijke feitelijke of juridische misslag berust en heeft hij de ontruimingsdatum bepaald op 1 september 2025.
2.16..
[eisende partij] verblijft per 1 september 2025 op een zorglocatie in [plaats 4] .
3. Het geschil
3.1..
[eisende partij] vordert - samengevat - na vermindering van eis ter zitting om, uitvoerbaar bij voorraad:
1. te verklaren voor recht dat de zorgovereenkomst tussen partijen door [gedaagde partij] ten onrechte is beëindigd;
2. [gedaagde partij] te gelasten de zorgovereenkomst te hervatten en passende begeleiding te bieden op een locatie van [gedaagde partij] binnen de gemeente [woonplaats] ;
3. [gedaagde partij] te veroordelen tot nakoming van het bindend advies van de Geschillencommissie van 22 maart 2024;
4. [gedaagde partij] te gelasten uitvoering te geven aan een viertal benoemde zorgdoelen;
5. [gedaagde partij] te gelasten binnen 7 dagen na betekening van het vonnis aan het onder 2 t/m 4 gevorderde te voldoen;
6. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van een dwangsom indien zij niet aan de op grond van 2 t/m 5 te geven veroordelingen voldoet;
7. [gedaagde partij] te veroordelen tot het betalen van € 5.000,00 aan [eisende partij] als voorschot op schadevergoeding;
8. te verklaren voor recht dat [gedaagde partij] gehouden is schadevergoeding aan [eisende partij] te betalen op te maken bij staat;
9. [gedaagde partij] te veroordelen binnen 3 dagen na betekening van het vonnis aan [eisende partij] te betalen € 15.346,00 als schadevergoeding;
10. [gedaagde partij] te veroordelen in de proceskosten van [eisende partij] .
3.2..
[eisende partij] heeft aan zijn vorderingen de volgende verwijten, die elkaar grotendeels overlappen, ten grondslag gelegd.
[gedaagde partij] heeft haar zorgplicht jegens [eisende partij] geschonden door:
zorg af te schalen;
niet over te gaan tot zorgherstel na het bindend advies;
geen deugdelijk zorgplan te hebben;
ten onrechte de zorgovereenkomst op te zeggen;
geen zorgopvolging en/of zorgoverdracht te laten plaatsvinden.
[gedaagde partij] is toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van het bindend advies op de punten:
het opstellen en uitvoeren van een zorgplan;
het aanbieden van dagbesteding dan wel het bieden van ondersteuning bij pogingen van [eisende partij] daartoe.
[gedaagde partij] heeft de zorgovereenkomst onrechtmatig beëindigd vanwege:
beëindiging zonder passende overdracht naar een andere aanbieder;
structurele afbouw van zorg zonder indicatie-aanpassing of deugdelijke motivering;
ondeugdelijk, eenzijdig en juridiserend zorgplanproces zonder instemming;
framing van autistisch gedrag als verwijtbaar gedrag;
sturende verslaglegging zonder hoor en wederhoor vanaf juni 2024;
onvoldoende zorgvuldigheid bij voorstellen voor alternatieve locaties.
Het handelen van [gedaagde partij] heeft tot diverse soorten van schade bij [eisende partij] geleid.
3.3..
[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. De verweren van [gedaagde partij] worden bij de navolgende beoordeling en de motivering daarbij betrokken.
4. De beoordeling
4.1..
[eisende partij] vordert enerzijds herstel van de zorgovereenkomst met [gedaagde partij] en hervatting van zorg op een locatie van [gedaagde partij] in de gemeente [woonplaats] . Daaraan ligt ten grondslag dat geen sprake is van gewichtige redenen die beëindiging van de zorgovereenkomst rechtvaardigen. Anderzijds vordert [eisende partij] schadevergoeding. Daaraan ligt ten grondslag dat [gedaagde partij] geen goede zorg heeft verleend en de zorgovereenkomst op ondeugdelijke gronden heeft beëindigd, en dat dit (wanprestatie en onrechtmatig handelen) schade voor [eisende partij] tot gevolg heeft gehad.
4.2..
De vorderingen van [eisende partij] nopen tot beantwoording van de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst met [eisende partij] op goede gronden heeft mogen beëindigen. De rechtbank zal bij de beoordeling echter ook meteen de voor de schadevordering relevante vraag of [gedaagde partij] al dan niet goede zorg heeft verleend betrekken, omdat uit het debat tussen partijen duidelijk blijkt dat de beoordeling hiervan ook relevant is voor de vraag of [gedaagde partij] de zorgovereenkomst mocht beëindigen.
In de kern gaat deze zaak over de vraag of zowel [gedaagde partij] als [eisende partij] de op hen rustende verbintenissen die voortvloeien uit de tussen hen bestaande zorgovereenkomst over en weer voldoende deugdelijk zijn nagekomen.
4.3.. Bij de beoordeling of [gedaagde partij] en [eisende partij] hun verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst voldoende deugdelijk zijn nagekomen zijn de volgende juridische regels relevant.
Volgens een van de kernbepalingen van de WGBO, artikel 7:453 BW, moet de hulpverlener ( [gedaagde partij] ) bij zijn werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht nemen en daarbij handelen in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiend uit de voor hulpverleners geldende professionele standaard. Op grond van artikel 2 Wkkgz moet de zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Dat is zorg van goede kwaliteit en goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Ook moet de zorg voldoen aan de professionele standaard en de kwaliteitsstandaarden. Daarnaast omvat goede zorg de plicht om de rechten van de cliënt zorgvuldig in acht te nemen en de cliënt ook overigens respectvol te behandelen.
Op grond van artikel 7:452 BW rust op de patiënt ( [eisende partij] ) de verplichting de hulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking te geven die deze redelijkerwijs voor het uitvoeren van de overeenkomst behoeft.
4.4.. Voorgaande regels laten zich samenvatten in die zin dat [gedaagde partij] de zorg dient te verlenen zoals een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot dat zou hebben gedaan en dat [eisende partij] [gedaagde partij] daarbij behulpzaam moet zijn en medewerking moet verlenen om die zorg aan hem te kunnen verlenen. Daarbij gaat het voor [gedaagde partij] om een inspanningsverplichting en niet om een resultaatsverplichting. Dit brengt mee dat, anders dan [eisende partij] bepleit, de enkele omstandigheid dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie gedurende de looptijd van de beëindigde zorgovereenkomst geen nieuw zorgplan, geen volledige uitvoering van een (oud of nieuw) zorgplan, geen dagbesteding zoals videografie en geen alternatieve huisvesting heeft gerealiseerd, nog niet de conclusie rechtvaardigt dat [gedaagde partij] is tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenissen op grond van de zorgovereenkomst.
4.5.. De rechtbank constateert dat [eisende partij] zijn verwijten in de dagvaarding nader heeft toegelicht met de producties 8, 9 en 13 waarin hij zijn reactie op in die producties beschreven gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] geeft en concludeert dat [gedaagde partij] na de beslissing van de Geschillencommissie de zorg aan hem heeft afgeschaald, zich heeft gericht op het zoeken naar een andere zorglocatie voor [eisende partij] en hem in verslaglegging negatief laat overkomen. De rechtbank constateert dat [gedaagde partij] tegenover de in 3.2. weergegeven verwijten aan [gedaagde partij] op het punt van de zorg en tegenover voormelde producties van [eisende partij] bij conclusie van antwoord als productie 1 een (als vertrouwelijk aangeduide) tijdlijn met een beschrijving van gebeurtenissen en handelingen van [gedaagde partij] en van [eisende partij] heeft overgelegd.
4.6.. Vanwege de aangeduide vertrouwelijkheid - vanwege patiëntinformatie - van productie 1 van [gedaagde partij] zal de rechtbank in de navolgende motivering hieruit niet citeren. De rechtbank ziet in de opmerkingen en conclusies van [eisende partij] in zijn producties 8, 9 en 13 zijn persoonlijke visie en beleving over/van weergegeven gebeurtenissen en handelingen. Wat daarbij ontbreekt zijn echter feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat [gedaagde partij] geen inspanningen gericht op zorgverlening heeft verricht, dat [gedaagde partij] louter gericht is geweest op verplaatsing van [eisende partij] en dat [gedaagde partij] [eisende partij] in een kwaad daglicht heeft willen plaatsen. Wat resteert is dan de louter persoonlijke beleving van [eisende partij] op deze punten. Dat volstaat echter niet om aan die beleving ook rechtsgevolgen te kunnen verbinden.
4.7..
[gedaagde partij] heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat het debat in het kort geding destijds is gevoerd op grond van dezelfde argumenten als die welke in deze bodemprocedure zijn vermeld, waaronder de door [gedaagde partij] opgestelde tijdlijn van 7 maart 2025. De rechtbank constateert dat de voorzieningenrechter in zijn vonnis van 28 mei 2025 voor zijn motivering heeft geput uit feiten en omstandigheden zoals vermeld in die tijdlijn. Anders dan op de zitting van 2 juni jl. door [eisende partij] is betoogd, acht de rechtbank de motivering van de voorzieningenrechter, voor zover die ziet op onderwerpen die ook in deze bodemzaak aan de orde zijn, inzichtelijk en deugdelijk. Het gaat dan om de overwegingen over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het verlenen van zorg op grond van het bestaande (mondelinge) zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het opstellen en ondertekenen van een nieuw zorgplan, over de houding en het gedrag van [eisende partij] bij de inspanningen van [gedaagde partij] om te komen tot het vinden van een passende zorglocatie elders dan in de [locatie 1] en over het handelen van [gedaagde partij] rondom de beëindiging van de zorgovereenkomst. De rechtbank verwijst naar de overwegingen 6.5. tot en met 6.16 van het kortgedingvonnis van 28 mei 2025 en neemt die over.
4.8.. De rechtbank overweegt aanvullend het volgende. De rechtbank komt op grond van de in 4.5. vermelde producties van beide partijen en uit hetgeen partijen in de processtukken en ter zitting naar voren hebben gebracht tot een aantal constateringen en overwegingen.
4.9.. Allereerst overweegt de rechtbank dat de Geschillencommissie niet heeft beslist dat [gedaagde partij] tekort is geschoten in het opstellen van een zorgplan. De overwegingen in de uitspraak van de commissie vermelden daarover niets. Integendeel, de commissie overweegt dat [gedaagde partij] haar zorgtaken dient uit te voeren zoals die in het zorgplan staan. Verder brengt het standpunt van [eisende partij] dat de uitspraak partijen bindt mee dat [gedaagde partij] ook de overweging dat [gedaagde partij] in overleg met het Zorgkantoor het vinden van een passende zorglocatie elders dient te bespoedigen, dient op te volgen. Reeds hierom is het verwijt van [eisende partij] dat [gedaagde partij] zich na de uitspraak heeft ingespannen een dergelijke zorglocatie te vinden ongegrond. Bovendien is [gedaagde partij] op grond van de zorgovereenkomst bevoegd [eisende partij] op een locatie elders binnen [gedaagde partij] woonruimte en zorg te bieden, welke bevoegdheid zij gelet op de kritiek op de zorg op de locatie de [locatie 1] in redelijkheid kon aanwenden.
4.10..
[gedaagde partij] heeft met de op het gebied van ASS deskundige medewerkers voor [eisende partij] passende zorglocaties uitgezocht en deze aan hem voorgesteld. [eisende partij] heeft zich op het standpunt gesteld dat deze locaties niet passend zijn omdat hem niet de juiste zorg kan worden geboden. De rechtbank constateert dat dit standpunt niet is gemotiveerd met verwijzing naar een zorgplan, hetgeen zich laat verklaren doordat [eisende partij] het laatstelijk door [gedaagde partij] aangehouden zorgplan niet heeft geaccepteerd. Evenmin is het standpunt gemotiveerd met de bevindingen en conclusies van een in ASS gespecialiseerde beroepsbeoefenaar. De persoonlijke mening van [eisende partij] is ontoereikend om de conclusie te rechtvaardigen dat de voorgestelde zorglocaties niet passend zijn.
4.11..
[gedaagde partij] heeft zich (voor en) na de uitspraak van de Geschillencommissie ingespannen om te komen tot het opstellen van een nieuw zorgplan en tot het verlenen van zorg inclusief de door [eisende partij] gewenste individuele dagbesteding, met name het maken van video’s. Dat [gedaagde partij] daadwerkelijk zorg heeft verleend blijkt genoegzaam uit de door [eisende partij] in zijn producties (zie 4.5.) vermelde zorgcontacten. Ook blijkt uit de door [gedaagde partij] overgelegde tijdslijn (productie 1) dat [gedaagde partij] naar meer zorgcontacten heeft gestreefd en een vrijwilliger voor het maken van video’s had gevonden. Tot slot blijkt uit die tijdslijn (en de producties van [eisende partij] ) ook dat [gedaagde partij] heeft gestreefd om met betrokkenheid van [eisende partij] te komen tot het tot stand brengen van een nieuw zorgplan. De rechtbank constateert dat [eisende partij] niet heeft weersproken dat hij meermalen bezoekers ten behoeve van zorgverlening niet heeft toegelaten en dat hij meermalen medewerking aan het tot stand brengen van een nieuw zorgplan heeft geweigerd of toezeggingen en afspraken daarover heeft gewijzigd of ingetrokken. Van bewust afschalen van zorg door [gedaagde partij] is niet gebleken; [gedaagde partij] heeft zich ingespannen passende zorg te bieden.
4.12.. De rechtbank concludeert op grond van al het voorgaande dat [gedaagde partij] aan de op haar op grond van de zorgovereenkomst rustende inspanningsverbintenis heeft voldaan, voor zover de houding en het gedrag van [eisende partij] dat mogelijk maakte. Dat oordeel van de rechtbank zou anders kunnen zijn geweest indien [eisende partij] aanknopingspunten zou hebben geboden die steun bieden voor zijn betoog dat de oorzaak voor zijn hierboven beschreven houding en gedrag is gelegen in zijn aandoening ASS. Dergelijke aanknopingspunten heeft [eisende partij] niet gegeven. Dat was in deze procedure wel van hem te vergen nu tussen partijen vaststaat dat [eisende partij] tot in 2021 vele jaren zonder problemen met dezelfde aandoening bij [gedaagde partij] heeft gewoond en in zorg is geweest en wel op een locatie die speciaal is toegerust voor personen met de aandoening ASS. De rechtbank honoreert daarom niet het verzoek om nu alsnog een deskundige op dit punt onderzoek te laten verrichten. De conclusie is dan ook dat [eisende partij] wel is tekortgeschoten in de nakoming van de op hem rustende verbintenis om aan de zorgverleners de van hem te vergen medewerking te verlenen.
4.13.. Het gevolg van de houding en het gedrag van [eisende partij] is geweest dat [gedaagde partij] aan [eisende partij] niet de zorg heeft kunnen geven die zij op grond van de zorgovereenkomst aan hem had willen geven, dat de verhoudingen op die locatie ernstig zijn verstoord en dat [gedaagde partij] ook geen plaatsing van [eisende partij] op een passende locatie binnen (of buiten) [gedaagde partij] heeft kunnen realiseren. Evenals de voorzieningenrechter is de rechtbank van oordeel dat deze feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van gewichtige redenen als bedoeld in artikel 7:460 BW voor [gedaagde partij] om de zorgovereenkomst te beëindigen.
4.14..
[gedaagde partij] heeft de vereiste zorgvuldigheid betracht door voorafgaand aan de beëindiging meerdere duidelijke waarschuwingen te geven en intussen zich in te spannen om de noodzakelijke zorg te verlenen en een passende zorglocatie elders te zoeken.
4.15.. De conclusie is dat [gedaagde partij] niet is tekort geschoten in de nakoming van de op haar rustende verbintenis tot het verlenen van goede zorg en dat evenmin sprake is van onrechtmatig handelen met betrekking tot de beëindiging van de zorgovereenkomst.
4.15.. Waar geen sprake is van wanprestatie of onrechtmatige daad is er ook geen grond voor schadevergoeding aan [eisende partij] .
4.16.. De slotsom is dat alle vorderingen van [eisende partij] een deugdelijke feitelijke en juridische grondslag ontberen en daarom moeten worden afgewezen.
4.17..
[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde partij] betalen. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
1.672,00
(2 punten × € 836,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
4.856,00
4.18.. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.. wijst de vorderingen van [eisende partij] af,
5.2.. veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 4.856,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.. veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Geloven en in het openbaar uitgesproken op 17 juni 2026.