Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5334

Instanță

Middelburg

Data

18 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Middelburg

Zaaknummer: C/02/444379 / JE RK 26-139

Datum uitspraak: 18 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING REGIO ZEELAND-WEST-BRABANT,locatie Middelburg,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 1] 2009, hierna te

noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren te [geboorteplaats] (Eritrea) op [geboortedag 2] 2012, hierna te

noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt ten aanzien van [persoon] als belanghebbenden aan:

[de vader],

hierna te noemen de vader,

wonende in [plaats] ,

advocaat: mr. N.P.M. Planthof te Goes,

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. R. Wouters uit Middelburg.

De gecertificeerde instelling STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,hierna te noemen de GI, gevestigd te Eindhoven.

1. Het verdere verloop van de procedure

1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

de beschikking van 28 januari 2026 en alle daarin genoemde stukken;

het bericht van de Raad met bijlagen van 16 februari 2026;

de brief van de GI van 10 april 2026, met bijlagen;

de brief van de GI van 15 mei 2026 met bijlagen.

1.2..

Op 18 mei 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet.

Daarbij waren aanwezig:

de vader met zijn advocaat;

de moeder;

een vertegenwoordiger van de Raad;

een vertegenwoordiger van de GI;

1.3.. De ouders zijn tijdens de zitting bijgestaan door een tolk Tigrinya, te weten de heer [tolk] .

2. De feiten

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.1..

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 28 januari 2026

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.

Tevens is een machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van

een jeugdhulpaanbieder met ingang van 28 januari 2026 en tot 28 april 2026.

2.2.. Bij beschikking van 14 april 2026 heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Tevens is de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verlengd met ingang van 28 april 2026 en tot 19 mei 2026. Het resterende deel van het verzoek werd aangehouden tot de zitting van heden.

3. Het verzoek

3.1..

De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van

een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een

accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden.

Thans ter beoordeling ligt nog voor de resterende periode van de ondertoezichtstelling van beide minderjarigen met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 januari 2027, alsmede de resterende periode van het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] met ingang van 19 mei 2026 en tot 28 juli 2026. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

4.1..
[minderjarige 1] heeft tijdens het kindgesprek verteld dat het goed met haar gaat. Ze woont bij haar moeder. [minderjarige 1] heeft haar therapie afgerond. Er wordt gezegd dat het thuis onderling niet goed gaat, maar niet alles daarvan is juist. Over haar broertjes klopt het wel dat het niet zo goed gaat. [persoon] woont tijdelijk bij hen. [minderjarige 2] woont zowel thuis als op de groep. [persoon] vindt het wel fijn als iedereen bij elkaar is. Er is niet per se sprake van ruzie thuis. [minderjarige 1] maakt zich juist meer zorgen als haar broertjes niet thuis wonen. [minderjarige 1] heeft haar vader al een tijd niet meer gezien. Zodra het weer goed gaat met de vader, verwacht [minderjarige 1] dat zij weer aan hun relatie kunnen werken. [minderjarige 2] heeft het verkeerde voorbeeld gehad. De vader zou meer contact met hem moeten zoeken en de moeder zou haar en haar broertjes niet altijd meer moeten zien als vrienden. [minderjarige 2] luistert nu goed thuis en houdt zich aan de regels. Voorheen was er voornamelijk ruzie omdat hij over grenzen heenging. [minderjarige 1] kan met haar moeder praten.

4.2..
[minderjarige 2] heeft tijdens het gesprek met de kinderrechter verteld dat het thuis gewoon normaal gaat. [minderjarige 2] zou het liefst bij zijn moeder blijven wonen. Hij wil niet met iemand praten. Wat hij heeft meegemaakt doet hem niets en weerhoudt hem er ook niet van om verder te leven. Hij belt elke dag met de vader. Hij begrijpt niet waarom mensen zeggen dat het niet goed gaat bij de moeder thuis. [minderjarige 2] is geopereerd geweest aan zijn arm, nadat hij met een gestolen bestelbus een auto-ongeluk heeft gehad. [minderjarige 2] reed overigens zelf niet. [minderjarige 2] vindt de hele situatie overdreven. Het gaat goed thuis. Voordat hij bij [woongroep] werd geplaatst had hij wel vier vechtpartijen gehad, maar dat was uit zelfverdediging. [woongroep] heeft hem zelf laten gaan.

4.3.. De Raad handhaaft het verzoek. [woongroep] was niet de meest passende plek voor [minderjarige 2] . In het rapport heeft de Raad ook geadviseerd om eerst diagnostiek in te zetten, zodat duidelijk zou worden wat het meest passend is voor [minderjarige 2] . De Raad denkt niet dat de thuissituatie van de vader het meest passend is. Er zijn zorgen over het gedrag. Er is veel aan de hand, maar de Raad krijgt onvoldoende helder wát er precies speelt. Daarom vindt de Raad diagnostiek noodzakelijk. De Raad heeft gelezen dat gezinsopname wordt overwogen.

4.4.. De GI heeft tijdens de zitting verklaard dat is geprobeerd om een buddy in te zetten voor [minderjarige 2] , maar daar is hij mee gestopt. De GI vindt het noodzakelijk dat [minderjarige 2] hulp krijgt, maar hij wil nergens aan meewerken. Ook aan diagnostiek zal hij niet gaan meewerken, evenals aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening 1] . Het is een uitdaging om een passende plek te vinden. Van belang is dat er voor [minderjarige 2] een plek komt waar hem veel kaders en duidelijkheid wordt geboden. Er is sprake van een goede band en liefde tussen de moeder en [minderjarige 2] . Daarom heeft de GI een gezinsopname overwogen. Dat wordt echter bemoeilijkt doordat [minderjarige 2] weigert mee te werken. De GI heeft ook een gesloten plaatsing overwogen. Het gedrag van [minderjarige 2] is daarvoor echter niet helemaal passend en er worden ook geen aanmeldingen meer gedaan omdat er geen bedden beschikbaar zijn. De moeder ontvangt wekelijks bezoek vanuit de hulpverlening en zij krijgt daarnaast ondersteuning vanuit [hulpverlening 2] . De moeder verblijft momenteel bij de veilige opvang van [hulpverlening 2] . [hulpverlening 1] komt twee maal per week langs. [hulpverlening 2] kan het standpunt van de GI volgen dat voor [minderjarige 2] een passende setting nodig is. Er zijn ook veiligheidsafspraken gemaakt. Ten aanzien van de vader vraagt de GI zich af of er passende hulpverlening ingezet kan worden, bijvoorbeeld in de vorm van MST, maar zij denkt eigenlijk dat dit niet passend is voor de huidige situatie. Nu de thuissituatie bij de moeder onhoudbaar is geworden, vindt de GI het wel noodzakelijk dat [minderjarige 2] uit huis wordt geplaatst. De GI heeft hiervoor al aanmeldingen gedaan, maar er is geen plek voor hem. Ook de gesloten instelling heeft geen plek. Als [minderjarige 2] niet thuis verblijft heeft de GI geen concrete zorgen over [minderjarige 1] .. Zij wil dit gedurende de ondertoezichtstelling wel goed blijven monitoren. Gelet op de onhoudbare situatie vindt de GI een uithuisplaatsing toch noodzakelijk voor [minderjarige 2] . Als de machtiging is toegewezen kan hij worden aangemeld, hoewel er al eerder – tevergeefs – aanmeldingen zijn gedaan. Er is nu geen plek en ook geen zicht op een plek. Een gezinsopname lijkt ook niet te kunnen, maar de GI wil de huidige situatie ook niet laten voortduren.

4.5.. De vader heeft tijdens de zitting verklaard dat hij zorgen heeft gehad over [minderjarige 2] . Hij is betrokken geweest bij een auto-ongeluk en drugsdeals. Toen [minderjarige 2] nog bij hem woonde gedroeg hij zich anders. Eigenlijk was het toen een prima kind. Op dit moment gaat het wel goed met [minderjarige 2] .

4.6.. Namens de vader is tijdens de zitting naar voren gebracht dat hij geen verweer voert tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Op basis van de huidige zorgen zou een machtiging verleend kunnen worden. Echter is er geen duidelijkheid over een geschikte plek voor [minderjarige 2] en er ligt geen concreet behandelingsplan. Hij verblijft nu bij de moeder. Op het moment dat duidelijk wordt waar [minderjarige 2] geplaatst kan worden, dan kan alsnog een spoedverzoek worden ingediend. Het verzoek ziet nog op een periode van drie maanden. Niet wordt verwacht dat een plaatsing binnen deze periode gerealiseerd kan worden, temeer omdat er nog geen nieuwe aanmeldingen zijn gedaan en er sprake is van wachtlijsten. Het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] zou derhalve afgewezen moeten worden.

4.7.. De moeder heeft tijdens de zitting verklaard dat de mening van de GI niet klopt. Het gezin leeft vredig. Alles is verbeterd met de minderjarigen. De moeder zegt niet dat zij perfect is, maar ze heeft veel geleerd en is veranderd. Ze geeft [minderjarige 2] advies en probeert hem elke zaterdag en zondag mee te nemen naar de kerk. Na het auto ongeluk is hij ook veranderd. Hij ging toen wel het verkeerde pad op. Ze zijn nu elke avond samen. Sinds november is de situatie ten positieve veranderd. [minderjarige 2] erkent zelf ook dat het voorheen niet goed ging.

4.8.. Namens de moeder wordt ten aan zien van het verzoek tot ondertoezichtstelling gerefereerd aan het oordeel van de kinderrechter. De moeder heeft wel bezwaar tegen de uithuisplaatsing van [minderjarige 2] . Het verzoek is weinig concreet. Waar kan hij geplaatst worden? Wat houdt de plaatsing in? Waarom moet hij (daar) geplaatst worden? Welke diagnose heeft [minderjarige 2] ? Wat wordt aangepakt? Wat zijn de doelen? Het verzoek is summier en weinig onderbouwd. Het is aan de GI om het verzoek, indien zij een uithuisplaatsing toch nodig vindt, nader te onderbouwen. Het is niet de bedoeling dat de GI een blanco machtiging wordt gegeven. Binnen de ondertoezichtstelling komt steeds meer zicht op de situatie. Op basis van hetgeen er nu ligt, is de moeder van mening dat het verzoek tot uithuisplaatsing afgewezen moet worden. Daar komt bij dat er nu meer rust is in de situatie.

5. De beoordeling

Bevoegdheid en toegepast recht;

5.1.. De kinderrechter constateert dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en de beide ouders de Eritrese nationaliteit hebben. Dit brengt mee dat deze zaak een internationaal karakter heeft, waardoor de kinderrechter (ambtshalve) dient te beoordelen of hem in deze zaak rechtsmacht toekomt. Indien dit het geval is, dient de kinderrechter het toepasselijk recht te bepalen.

5.2..

Op grond van het bepaalde in artikel 7 lid 1 van de verordening Brussel II-ter zijn

ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid bevoegd de gerechten van de lidstaat op het

grondgebied waarvan de minderjarige zijn gewone verblijfplaats heeft op het tijdstip dat de

zaak bij het gerecht aanhangig wordt gemaakt. Nu de minderjarigen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe.

5.3..

Nu de Nederlandse rechter bevoegd is op het verzoek te beslissen, zal op grond

van het bepaalde in artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 Nederlands

recht op het verzoek worden toegepast.

Inhoudelijke beoordeling;

5.4.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan.Belanghebbenden hebben geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot ondertoezichtstelling. Gelet daarop, alsmede gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot ondertoezichtstelling toewijzen.

5.5.. Ten aanzien van het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] overweegt de kinderrechter als volgt. De kinderrechter merkt allereerst op dat zij zich voor een dilemma voelt staan. De afgelopen periode heeft het gedrag van [minderjarige 2] ervoor gezorgd dat er geen mogelijkheid meer is voor deeltijdplaatsing bij [woongroep] en om die reden woont hij nu weer thuis bij de moeder. De GI, maar ook [hulpverlener] (de betrokken hulpverlener) benadrukken dat het verblijf van [minderjarige 2] bij de moeder geen wenselijke situatie is, gelet op de zorgen die [hulpverlener] , de school en [hulpverlening 2] aangeven. De hulpverlening ervaart dat er dreiging uitgaat vanuit [minderjarige 2] . Uit de gesprekken met [hulpverlener] komt verder naar voren dat [minderjarige 2] erop uit is om te intimideren en afwijzing opzoekt om te voorkomen dat hij iets anders aan moet gaan. [school] , de betrokken school van [minderjarige 2] , geeft aan dat [minderjarige 2] op dit moment geen passend onderwijs geniet. [minderjarige 2] is eerder getest op lager cognitief niveau, maar wil zich nu niet meer laten testen. Hij komt op dit moment niet aan leren toe, omdat het hem ontbreekt aan een intrinsieke motivatie om een vak te leren. [school] weet zich inmiddels geen raad meer met [minderjarige 2] . [hulpverlener] schat het risico op verder criminaliseren van [minderjarige 2] en het ontwikkelen van verdere gedragsproblemen in als groot. Hulpverlening heeft aanleiding om te denken dat bij [minderjarige 2] sprake is van psychische problematiek en er zijn vragen over zijn gewetensontwikkeling. De moeder heeft geen grip op hem. Ook [minderjarige 1] zou lijden onder de situatie, maar durft zich hier volgens de hulpverlening niet goed over uit te laten. Zowel de moeder, als [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zeggen dat het wel goed gaat. De vader maakt zich zorgen, maar vond dat het wel goed met [minderjarige 2] ging toe hij nog bij hem woonde. De kinderrechter stelt aldus vast dat er grote zorgen zijn over [minderjarige 2] , maar ook nog veel onduidelijkheden. Dat [minderjarige 2] weigert zijn medewerking te verlenen aan onderzoek of testen bemoeilijkt het verkrijgen van een beeld over [minderjarige 2] . Het is opmerkelijk dat beide ouders aangeven dat het goed gaat met [minderjarige 2] in de thuissituatie bij de moeder of de vader, terwijl de rondom [minderjarige 2] betrokken hulpverlening een heel ander beeld heeft. Complicerend is dat er op dit moment geen plek is voor [minderjarige 2] en ook nog onduidelijk is welke plek dan het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Hoewel de situatie van [minderjarige 2] dus zeer zorgelijk is, ligt er voor hem op dit moment geen concreet plan. Daarbij komt dat het resterende deel van het verzoek ziet op een periode van drie maanden. Volstrekt onduidelijk is gebleven of [minderjarige 2] binnen die termijn kan worden geplaatst en of deze plek dan ook geschikt is voor [minderjarige 2] . Wel staat voor de kinderrechter vast dat er snel meer nodig is. Echter nu er geen passende plek beschikbaar is en de verwachting bestaat dat deze ook niet op korte termijn kan worden gerealiseerd, zal de kinderrechter het resterende deel van het verzoek tot uithuisplaatsing afwijzen. Dit betekent niet dat de kinderrechter een uithuisplaatsing niet nodig vindt, maar zij voelt zich in verband met het ontbreken van een passend plan voor de plaatsing van [minderjarige 2] genoodzaakt om het verzoek tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] af te wijzen. De kinderrechter vindt het in dit kader wel noodzakelijk dat zicht blijft op de thuissituatie van [minderjarige 2] , de moeder en [minderjarige 1] en dat de komende periode wordt gebruikt om zicht te verkrijgen en onderzoek te doen naar de vraag welke plek het meest tegemoet komt aan de (ontwikkelings)behoeften van [minderjarige 2] . Dit kan binnen de ondertoezichtstelling gebeuren. De kinderrechter wijst de GI erop dat zij de mogelijkheid heeft om een nieuwe (spoed)verzoek in te dienen op het moment dat zij daarvoor aanleiding ziet. De kinderrechter verwacht dan ook van de GI dat zij de situatie rondom [minderjarige 2] nauwlettend volgt en zo nodig ook ingrijpt.

5.6.. Dit betekent dat het verzoek tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen.

5.7.. De kinderrechter verklaart de beslissing tot ondertoezichtstelling uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.8.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

6. De beslissing

De kinderrechter:

Ondertoezichtstelling;

6.1..

verlengt de duur van de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van

19 mei 2026 en tot 28 januari 2027;

6.2.. verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

Uithuisplaatsing van [minderjarige 2] ;

6.3.. wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 mei 2026 door mr. Borm, kinderrechter, in aanwezigheid van Casant als griffier, en op schrift gesteld op 9 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Artikel 1:255 BW.

Artikel 2 Besluit gezagsregisters.

Mai Multe Decizii