ECLI:NL:RBZWB:2026:5382
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446423 / JE RK 26-510
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling JEUGDBESCHERMING BRABANT, locatie Etten-Leur, gevestigd te Etten-Leur,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] ,geboren op [geboortedag 1] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] ,geboren op [geboortedag 2] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat mr. L.A.P. van Haperen uit Breda.
De kinderrechter merkt als informant aan:
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. van Vliet uit Breda.
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ZEELAND-WEST-BRABANT, locatie Breda, hierna te noemen: de Raad, om de rechtbank over het verzoek te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 23 maart 2026.
1.2.. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder en haar advocaat;
de vader en zijn advocaat;
een vertegenwoordigster van de GI;
een vertegenwoordigster van de Raad.
1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
2.1.. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en.
2.2..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 20 mei 2026.
3. Het (gewijzigd) verzoek
3.1.. De GI heeft oorspronkelijk verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter zitting is het verzoek door de GI mondeling aldus gewijzigd, dat zij thans verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2..
Gelet op de nauwe samenhang van deze zaak met de tussen de ouders bij deze rechtbank aanhangige bodemzaak met het kenmerk C/02/407666 / FA RK 23-1360
zijn deze zaken ter zitting gezamenlijk behandeld. In de beide zaken is bij separate beschikking beslist.
4. Het standpunt van de GI
4.1.. Ter onderbouwing van het verzoek is door de GI schriftelijk en mondeling aanvullend - samengevat - aangevoerd dat er in totaal in 2024 acht begeleide contact-momenten hebben plaats gevonden tussen de kinderen en de vader. Ondanks dat die positief zijn verlopen hebben deze geen vervolg gekregen, omdat de moeder nog niet in staat is gebleken de kinderen voldoende emotionele ruimte te geven om het contact met de vader aan te gaan. De kinderen hebben nooit uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. De moeder laat zien dat zij angst blijft houden dat de veiligheid van de kinderen in het gedrang komt als er contact is tussen hen en de vader. Het lukt haar tot op heden onvoldoende om deze angsten en spanningen bij de kinderen weg te houden. Door de betrokken hulpverlening zijn de bij de moeder aanwezige zorgen over de vader niet als zodanig vastgesteld of anderszins bevestigd. Alle betrokkenen, waaronder ook de Raad, zijn van opvatting dat het inschakelen van hulpverlening voor de moeder om haar te ondersteunen in het traject van contactherstel belangrijk is, waarbij er in dat kader ook wordt gewerkt aan het vergroten van haar draagvlak. Het wordt in het belang van de kinderen geacht dat zij de mogelijkheid krijgen om zich zelfstandig een vaderbeeld te kunnen vormen.
4.2.. Gezien de jonge leeftijd van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en omdat beide ouders nog een behoorlijke tijd als ouders van deze kinderen met elkaar te maken (zullen) hebben is het belangrijk dat beide kinderen daadwerkelijk gaan voelen dat hun ouders in staat zijn om in hun belang te handelen. Complicerend in dat verband is dat de ouders niet met elkaar communiceren. In de praktijk informeert de moeder de vader éénmaal in de zes weken kort via haar advocaat over de kinderen.
4.3.. Er kon nog geen vaste jeugdbeschermer worden aangesteld. Wel is in afwachting daarvan de huidige jeugdbeschermer betrokken, die de regie voert over de ingezette en nog in te zetten hulpverlening en gesprekken voert met de ouders en met de kinderen. Gezien wordt bij [minderjarige 2] dat zij een vrolijk meisje is, dat met plezier naar haar moeder en partner gaat. [minderjarige 2] ziet er verzorgd uit, zij praat niet over haar vader. De leerkracht signaleert bij [minderjarige 2] geen veranderd of zorgelijk gedrag. [minderjarige 1] wordt door school omschreven als een heerlijk vrolijk mannetje. Hij let goed op en doet erg zijn best. Hij heeft geen problemen met andere kinderen. Hij praat op school nooit over zijn vader. Wel was hij recent erg van slag toen zijn vader in beeld kwam wegens een gesprek met de Raad voor de Kinderbescherming.
4.4.. Gezien wordt dat beide ouders de intentie hebben het belang van de kinderen voorop te stellen en zich in te willen zetten in het kader van de ondertoezichtstelling. Echter staan hun visies over hun relatie en de breuk lijnrecht tegenover elkaar. De vader laat blijken het eens te zijn met de voorwaarden en doelen van de ondertoezichtstelling en met de inzet van hulpverlening. Hij geeft ook aan niet goed te weten wat hij kan verwachten, aangezien er al zo veel is gebeurd en gezegd. Zijn beleving over de relatie en de breuk is anders dan die van de moeder. Ook wil hij niet teveel terug kijken. Wel wil hij het beste voor zijn kinderen. Hij zou willen weten wat de moeder van hem nodig heeft om verder te kunnen gaan, daaraan wil hij vervolgens meewerken. De moeder geeft aan eveneens mee te willen werken, maar merkt daarbij op dat de situatie voor haar in emotioneel opzicht anders is. Ook heeft zij zorgen over de vader met betrekking tot de kinderen. Verder heeft zij het nodig dat de vader in het vervolg eerlijk en open is met name over wat er in het verleden is gepasseerd.
4.5.. In december 2025 is [praktijk] gestart nadat ook de financiering rond was. Tijdens de start van de hulpverlening hebben er gesprekken plaatsgevonden waarin het genogram en de tijdlijn zijn gemaakt en de Masic is afgenomen bij beide ouders. In maart 2026 hebben de ouders (afzonderlijk van elkaar), [praktijk] en de GI met elkaar gesprekken gehad waarbij door [praktijk] een terugkoppeling is gegeven van de afgelopen periode en waarin een advies wordt gegeven voor de komende periode. Daaruit is gebleken dat praktijk Van de Ende geen veiligheidsrisico’s ziet die aan contact tussen de vader en de kinderen in de weg staan. Hoewel beide ouders qua visie aanzienlijk verschillen over hoe zij de relatie hebben beleefd is er feitelijk, gezien het verloop van de afgelopen twaalf maanden, geen sprake geweest van enige vorm van geweld, dreiging of dwingende controle van de vader naar de moeder en/of de kinderen. De moeder is nogmaals geadviseerd persoonlijke hulpverlening aan te gaan om haar pijn uit het verleden een plekje te geven, maar ook om de vader te kunnen zien als ouder van de kinderen die, los van het verleden, een rol in hun leven dient te spelen.
4.6.. Er is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om tot begeleide contacten tussen de vader en de kinderen te komen. Niet omdat de GI zorgen heeft over de veiligheid van de kinderen bij de vader, maar omdat het lange tijd geleden is dat de kinderen hem voor het laatst hebben gezien en omdat na het eerder abrupt eindigen van de omgang, nadat [jeugdhulp] had geadviseerd naar onbegeleide omgang over te gaan, de kinderen daarover geen duidelijke reden en uitleg hebben gekregen. De GI heeft grote zorgen over het feit dat de kinderen zich geen eigen beeld hebben kunnen vormen van hun vader en zij op dit moment alleen informatie en de (angstige) gevoelens en gedachten meekrijgen van de moeder. In dat verband heeft de moeder aangegeven dat de kinderen geen contact met de vader willen en dat zij regelmatig bang zijn en nachtmerries hebben. De verwachting van de GI is dat de kinderen, die hun vader langere tijd niet hebben gezien of gesproken, een neutrale volwassene nodig hebben in het contact met hem om zich van hem een eigen beeld te kunnen vormen. De kinderen zijn daarom ook aangemeld voor speltherapie met als voornaamste reden dat zij een eigen onafhankelijke plek (zullen) hebben waar zij hun eigen gevoelens en emoties mogen/durven en kunnen uiten. Los daarvan acht de GI het van belang dat de moeder individuele hulpverlening aangaat om de vader een rol te kunnen laten hebben (en houden) in het leven van de kinderen.
4.7.. Tot dusver ondernomen acties, waarbij is geprobeerd door het creëren van zo gunstig mogelijke omstandigheden voor de kinderen om begeleide contacten tussen hen en de vader te laten plaats vinden, hebben geen resultaat gehad. Gezien werd bij beide kinderen in de wachtkamer dat zij als het ware verstijfden van angst en nadrukkelijk steun bij hun moeder zochten zodra (begeleide) contacten met de man ter sprake kwamen. [praktijk] concludeerde dat er bij de kinderen geen enkele ruimte is om te komen tot contactherstel. Zij ziet dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een situatie verkeren, waarin zij feitelijk geen kind kunnen zijn. Ook vindt zij het zorgelijk dat beide kinderen aangeven dat zij de partner van de moeder als hun biologische vader tevens opvoeder beschouwen. Op grond van al deze omstandigheden ziet de GI op dit moment geen heil in het voortzetten van het traject gericht op de tot stand brenging van begeleide contacten. Er zal eerst moeten worden geïnvesteerd in hulpverlening voor beide kinderen in de vorm van speltherapie. Van belang is dat beide kinderen ieder een eigen behandelaar/therapeut zullen krijgen. Los daarvan blijft het van belang dat de moeder daadwerkelijk start met individuele hulpverlening, zodra die beschikbaar is. De GI is bereid om de vrouw te helpen om dit hulpverleningstraject te bespoedigen.
4.8.. De GI acht het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat in de komende periode gewerkt kan (blijven) worden aan (a) de moeder is in staat emotionele toestemming te geven voor het contact tussen de kinderen en de vader, (b) de kinderen hebben een positief en onbelast contact met hun vader en (c) de ouders zijn in staat om met elkaar over de kinderen te communiceren en zij hebben tevens duidelijkheid over het vormgeven van het ouderschap. Daarvoor is in de visie van de GI een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk, zij het voor een langere periode dan aanvankelijk beoogd, te weten door de duur van twaalf maanden. Zij wijzigt daarom mondeling haar verzoek.
5. Het standpunt van [minderjarige 1]
heeft tijdens het afzonderlijke kindgesprek samengevat aangegeven dat hij het moeilijk vindt dit gesprek te voeren en dat hij daarom de avond tevoren kampte met hoofdpijnklachten. Er heeft met hem een gesprek plaats gevonden bij [praktijk] . Dat vond hij niet fijn, vooral omdat hij de indruk had dat men hem ertoe wilde dwingen om mee te werken aan begeleide contacten met zijn vader. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij geen contact met zijn vader wil, omdat hij niet zijn opvoeder was en is. Dat is nu [persoon] , de partner van zijn moeder. Ten slotte heeft [minderjarige 1] opgemerkt dat het thuis goed loopt, maar dat er wel eens ruzie is tussen hem en zijn zusje. Ook op school loopt het goed. Verder speelt hij graag videospelletjes op de PlayStation.
5. De standpunten
5.1.. Door en namens de moeder is - samengevat - opgemerkt dat zij achter het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling kan staan. Zij licht toe dat zij op de wachtlijst staat voor hulpverlening, omdat zij nog altijd kampt met trauma’s en herbelevingen uit het verleden. Hoewel zij graag zou zien dat de vader erkent dat de gebeurtenissen, die daaraan ten grondslag liggen, daadwerkelijk hebben plaatsgevonden is haar gebleken dat hij daarover niet open en eerlijk is. Daarnaast ervaart zij dat bij beide kinderen sprake is van hoofd- en buikpijnklachten, alsook van bedplassen en nachtmerries. Dit trekt een zware wissel op haar, nu zij volledig met de zorg voor de kinderen is belast. De moeder houdt de kinderen voor dat zij er achter staat dat zij begeleid contact hebben met de vader. Ook worden de kinderen daarop door haar voorbereid. Desondanks laten de kinderen blijken geen contact met de vader te willen. Zij ziet niet wat zij nog zou kunnen doen om dit te veranderen. Zij is daarom voorstander van speltherapie. Daaruit kan mogelijk blijken wat er (extra) bij de kinderen speelt. De moeder wenst daarom dat de hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling blijft doorlopen, ook opdat de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de vader en de kinderen bij de GI blijft berusten.
5.2.. Door en namens de vader is - samengevat - naar voren gebracht dat aan de wettelijke vereisten voor ondertoezichtstelling nog steeds wordt voldaan aangezien de doelstellingen van de hulpverlening niet zijn behaald. Er blijkt bij de moeder nog steeds sprake van een blokkade, die maakt dat zij niet of onvoldoende in staat is om aan de kinderen emotionele toestemming te geven om met hun vader contact te hebben. Ook ziet de vader dat het bij de moeder ontbreekt aan voldoende intrinsieke motivatie om te (gaan) werken aan het geven van emotionele instemming. Daardoor beschikken de kinderen niet over mogelijkheden om met de vader contact te hebben en zich van hem een beeld te vormen. Er hebben eerder acht begeleide contactmomenten plaats gevonden, die positief zijn verlopen, maar niettemin geen vervolg hebben gekregen. De kinderen hebben vervolgens geen uitleg gekregen over het abrupt stoppen van de begeleide contacten. Wel blijkt het nog steeds de bedoeling dat de moeder in het kader van de ondertoezichtstelling aan haar trauma’s en angsten zal gaan werken. Verder heeft [praktijk] aangegeven geen veiligheidsrisico’s in relatie tot contacten tussen de vader en de kinderen te zien. Desondanks is er intussen geen vooruitgang geboekt. Er lijkt zelfs sprake van verdere achteruitgang, nu beide kinderen nadrukkelijk blijk geven van weerstand ten aanzien van contacten met de vader. Bij elkaar maakt dit dat er in elk geval zwaarder op hulpverlening ingezet zal moeten gaan worden. Verder dient de regie over het traject gericht op contactherstel tussen de man en de kinderen in handen van de GI te blijven.
6. Het standpunt van de Raad
Namens de Raad is - samengevat - aangevoerd dat er nog steeds sprake is van omstandigheden die maken dat de kinderen zich geen beeld van hun vader kunnen vormen. In het belang van de kinderen en hun (verdere) ontwikkeling dient daaraan gewerkt te blijven worden middels hulpverlening voor de kinderen en individuele hulpverlening voor de moeder. Te denken valt waar het hulpverlening voor de moeder betreft aan Flash forward EMDR. Dit betreft een intensief traject, maar kan de moeder helpen om inzicht te krijgen in haar eigen situatie en die van de kinderen en hoe daarmee om te gaan. De GI kan daarin mogelijk ook een rol vervullen om ervoor te zorgen dat de moeder hoger op de wachtlijst wordt geplaatst. Voor de kinderen adviseert de Raad om in elk geval de Word en Pictures methode te proberen. Van de vader vraagt de Raad dat hij de komende tijd door middel van het sturen van kaartjes en/of videoboodschappen probeert voorzichtig te investeren in herstel van het contact met de kinderen. De oudercommunicatie blijft ook een punt van aandacht, maar heeft op dit moment niet de hoogste prioriteit. Van belang is dat de ouders zich niet langer blijven focussen op het verleden en hun afzonderlijke belevingen daaromtrent, maar dat zij al dat wat de kinderen aangaat zakelijk weten te benaderen en daarbij de belangen van de kinderen steeds voor ogen weten te houden.
7. De beoordeling
7.1.. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan.De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
7.2.. Bij beschikking van 20 mei 2025 zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. In die beschikking is overwogen dat na acht begeleide contactmomenten in 2024 die positief zijn verlopen er desondanks geen contact meer tussen de kinderen en de vader heeft plaatsgevonden. Ook bleek de moeder niet in staat om de kinderen voldoende emotionele ruimte te geven om contact met de vader aan te gaan. De kinderen hebben ook geen uitleg gekregen waarom het contact abrupt is gestopt. Door de GI is in samenspraak met [praktijk] een plan gemaakt, bedoeld om te komen tot contactherstel tussen de vader en de kinderen. De kinderrechter is gebleken dat dit plan niet haalbaar is. Er zijn pogingen ondernomen om de kinderen zo goed mogelijk op begeleide contacten met de vader voor te bereiden. Op die momenten hebben de kinderen laten zien dat zij verstijfden van angst en nadrukkelijk steun zochten bij de moeder. Tijdens het kindgesprek heeft [minderjarige 1] herhaald dat hij geen contact met zijn vader wil en dat hij de partner van de moeder als zijn vader/opvoeder ziet. Gelet hierop is de kinderrechter van oordeel dat de kinderen onverminderd in hun ontwikkeling worden bedreigd.
7.3.. Voorts is de kinderrechter van oordeel dat betrokkenheid en regie van de GI nodig blijft om hulpverlening voor de kinderen in te zetten in de vorm van speltherapie. Tevens dient onderzocht te worden waar de weerstand en klachten van de kinderen in het contact met de vader vandaan komen. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan zal door de GI in samenspraak met alle betrokkenen (kunnen) worden bepaald wat er voor nu en in de (nabije) toekomst wel en niet mogelijk c.q. haalbaar is in het contact tussen de man en de kinderen. De kinderrechter acht het tevens in het belang van de kinderen dat door de moeder hulpverlening voor haar trauma’s en herbelevingen, wordt geaccepteerd. Er zijn immers nog steeds zorgen dat zij onvoldoende emotionele toestemming kan geven voor contact tussen de kinderen en de vader. De moeder wordt geadviseerd om waar mogelijk de hulp van de GI in te roepen om deze hulpverlening te bespoedigen. De GI wordt in overweging gegeven om bij het inzetten van de hulpverlening voor de kinderen en voor de moeder nadrukkelijk ook het namens de Raad mondeling gegeven advies te betrekken. Ten slotte zal door de GI ook geïnvesteerd dienen te worden in hulpverlening ter verbetering van de oudercommunicatie, zij het dat dit doel op dit moment een lagere prioriteit heeft.
7.4.. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twaalf maanden.7.5.. De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
7.6.. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
8. De beslissing
De kinderrechter:
8.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 20 mei 2026 tot 20 mei 2027;8.2.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Maandag, kinderrechter, in aanwezigheid van Baremans als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 2 Besluit gezagsregisters.