ECLI:NL:RBZWB:2026:5385
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummer: C/02/446128 / JE RK 26-453
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Etten-Leur,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedag 1] 2008 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedag 2] 2011 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] .
1. Het verloop van de procedure
1.1.. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 13 maart 2026;
het e-mailbericht van [minderjarige 1] , ontvangen op 12 mei 2026.
1.2..
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026.
Daarbij waren aanwezig:
de vader;
de moeder;
twee vertegenwoordigsters van de GI.
1.3.. De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft namens zichzelf en zijn broertje [minderjarige 2] een brief geschreven. Hierin heeft hij, kort samengevat, naar voren gebracht dat hij het belangrijk vindt dat hulpverlening voor hem en zijn ouders beschikbaar blijft, maar dat deze hulpverlening niet op een dwingende wijze wordt ingezet. [minderjarige 1] heeft aangegeven dat hij de afgelopen periode druk heeft ervaren, mede doordat werd gesproken over een mogelijke uithuisplaatsing of opname, waarbij hij zich niet prettig voelde. Volgens [minderjarige 1] dient meer rekening te worden gehouden met zijn persoonlijke behoeften en tempo, in plaats van met tijdsdruk.
2. De feiten
2.1.. De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2..
[minderjarige 1] woont volledig bij de moeder. [minderjarige 2] verblijft de ene week bij de moeder en
de andere week bij de vader.
2.3.. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij (nadere) beschikking van 21 oktober 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van de GI gesteld tot 21 mei 2026.
3. Het verzoek
3.1.. De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen tot aan zijn meerderjarigheid en die van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
4.1.. Door de GI is in aanvulling op de schriftelijke verzoeken het volgende naar voren gebracht. Er is in de afgelopen periode sprake geweest van een bewogen uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het gezin heeft gedurende enkele maanden op een monitoringslijst gestaan, omdat er in het begin geen jeugdbeschermer beschikbaar was. Rond oktober 2025 is de huidige jeugdbeschermer vanuit het provinciaal jeugdzorgteam betrokken geraakt. Zij heeft onder andere hulpverlening ingezet zoals [hulpverlening 1] en GGZ. Daarnaast is het Regionaal Expertise Team (RET) geconsulteerd vanwege de complexiteit van de situatie. Ondanks de ingezette hulpverlening zijn de gestelde doelen nog onvoldoende behaald. Volgens de GI is daarom meer tijd en verdere inzet van hulpverlening noodzakelijk om verdere stappen te kunnen zetten. Zij heeft hierbij vooral een coördinerende en toezichthoudende rol gehad en zet waar nodig passende hulpverlening in. Zij is van mening dat zonder tussenkomst van derden het de ouders op dit moment onvoldoende lukt om de situatie zelfstandig te verbeteren. Ten aanzien van [minderjarige 1] geeft de GI aan dat het wisselend met hem gaat. [minderjarige 1] is uitgevallen op school en heeft last van paniekklachten, angsten, slecht slapen en van snelle overprikkeling. Daarbij piekert hij veel waardoor hij geen ruimte ervaart om aan zijn ontwikkeling te werken. Ondanks de inzet van GGZ is er nog onvoldoende resultaat. Voor [minderjarige 1] is het zoekende welke hulp het beste passend en helpend is. Verder is het van belang te benoemen dat [minderjarige 1] bijna meerderjarig is. In dat kader moet volgens de GI nadrukkelijk rekening worden gehouden met zijn autonomie en eigen regie. [minderjarige 1] heeft aangegeven behoefte te hebben aan hulpverlening in zijn eigen tempo en ervaart druk wanneer hij te veel wordt gepusht. In die zin is de strekking van de brief van [minderjarige 1] niet verrassend. Door het RET is over de wensen van [minderjarige 1] geadviseerd om het ingezette tempo te verlagen en meer rust in het traject te brengen. Met betrekking tot [minderjarige 2] is [hulpverlening 2] ingezet. Hij ervaart hier steun aan. Het is van belang dat de bij beiden hulpverlening wordt voortgezet.
4.2.. Door de moeder is ter zitting naar voren gebracht dat zij instemt met de verzoeken van de GI. Volgens de moeder is recent hulpverlening opgestart en is het van belang dat deze wordt gecontinueerd. [minderjarige 2] staat positief tegenover de hulpverlening. Ook [minderjarige 1] weet dat hij hulpverlening nodig heeft, mits deze niet als dwingend wordt ervaren, volgens de moeder gaat het momenteel niet goed met hem. Zij geeft aan dat dit mede is ontstaan door de druk die op hem werd gelegd. [minderjarige 1] gebruikt momenteel medicatie, waarvan het effect nog moet blijken, maar de verwachting is dat dit op termijn verbetering kan brengen. Verder heeft de moeder verklaard dat de belastbaarheid van [minderjarige 1] op dit moment nihil is en dat hij niet naar school gaat. Daarnaast heeft zij naar voren gebracht dat de oudercommunicatie tussen de ouders moeizaam verloopt.
4.3.. De vader heeft ter zitting naar voren gebracht dat hij zich niet kan verenigen met de verzoeken van de GI. Volgens hem heeft de ondertoezichtstelling tot op heden niets concreets opgeleverd. Hij heeft een andere visie op de aanpak van de hulpverlening ten aanzien van [minderjarige 1] . Het ontbreekt [minderjarige 1] aan structuur, schoolgang, werk en duidelijkheid, hetgeen juist voor onrust zorgt. De vader kan zich niet vinden in het advies van RET, welk advies door de GI wordt gevolgd. Volgens hem leidt deze aanpak ertoe dat de situatie terugvalt naar het niveau van enkele jaren geleden. De vader is van mening dat [minderjarige 1] onvoldoende uit zichzelf en zonder sturing aan zijn ontwikkeling zal werken. Volgens de vader is het van belang dat [minderjarige 1] leert om ook dingen te doen die hij minder prettig vindt, zodat hij kan ervaren dat dit uiteindelijk tot positieve resultaten leidt. Er is sprake van vermijdende coping, waaraan gewerkt moet worden. [minderjarige 2] zou meer regie over zijn leven moeten krijgen. Hij kan geen keuzes maken omdat hij niet weet wat hij kan, heeft en mag. Verder begrijpt de vader niet waarom er geen hulpverlening wordt ingezet gericht op de communicatie tussen de ouders. Volgens hem gaat de hulpverlening ervan uit dat de ouders niet gezamenlijk in gesprek kunnen, terwijl dit nooit daadwerkelijk is geprobeerd en gebaseerd is op aannames. Tot slot heeft de vader aangegeven dat hij niet het gevoel heeft dat de ouders als gelijkwaardig worden behandeld. Er wordt een slecht beeld van hem geschetst, zowel door de moeder als door de hulpverlening.
5. De beoordeling
Wat zegt de wet
5.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
5.2.. Volgens het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.
Inhoudelijke beoordeling
5.3.. De kinderrechter is van oordeel dat nog steeds wordt voldaan aan de gronden voor de ondertoezichtstelling. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien nog altijd op in een onrustige opvoedsituatie, waarin zij worden belast met de voortdurende strijd tussen de ouders. De ouders verschillen van inzicht over de opvoeding en aanpak van hulpverlening. Het lukt hen niet of onvoldoende om gezamenlijk afspraken te maken en constructief met elkaar samen te werken in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Daarnaast bestaan er zorgen over [minderjarige 1] . Hij is uitgevallen op school en kampt met paniekklachten, angsten, slaapproblemen en overprikkeling. Ondanks de reeds ingezette hulpverlening heeft dit tot op heden nog niet geleid tot het gewenste resultaat. De situatie van [minderjarige 1] vraagt daarom nog steeds om professionele betrokkenheid en begeleiding. Ten aanzien van [minderjarige 2] is inmiddels hulpverlening vanuit [hulpverlening 2] ingezet. Deze hulpverlening richt zich enerzijds op begeleiding in de complexe situatie tussen zijn ouders en anderzijds op het versterken van zijn eigen stem en identiteit.
5.4.. De kinderrechter vindt de verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk om de reeds ingezette hulpverlening voor [minderjarige 2] te laten voortduren, zodat hij een veilige en onafhankelijke plek behoudt waar hij zijn verhaal kan doen en verder kan werken aan het versterken van zijn eigen positie. Voor [minderjarige 1] is het van belang dat wordt onderzocht welke vorm van hulpverlening het beste aansluit bij zijn behoeften, zodat hij weer tot ontwikkeling kan komen, ook hiervoor is de voortzetting van de maatregel noodzakelijk.
5.5.. De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan onvoldoende worden weggenomen met hulpverlening in het vrijwillige kader. Eerder is gebleken dat vrijwillige hulpverlening onvoldoende van de grond kwam. Daarbij hebben de ouders ieder een andere visie op de noodzakelijke hulpverlening en de wijze waarop deze dient te worden ingezet. De kinderrechter vindt het daarom van belang dat de GI de regie blijft voeren en toezicht houdt op de voortgang van de hulpverlening.
5.6.. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlegen tot aan zijn meerderjarigheid, zijnde tot 24 oktober 2026, en de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengen voor de duur van een jaar.
Uitvoerbaar bij voorraad
5.7.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.8.. Dit leidt tot de volgende beslissing.
6. De beslissing
De kinderrechter:
6.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] met ingang van 21 mei 2026 tot 24 oktober 2026;
6.2.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;6.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. Toekoen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Busselaar als griffier, en op schrift gesteld op 2 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.