Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5423

Instanță

Breda

Data

20 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

beschikking

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Breda

Zaaknummers: C/02/447020 / JE RK 26-635

Datum uitspraak: 20 mei 2026

Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING, locatie Rotterdam, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),

over de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2016 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. S.O. Zengin te Den Haag,

DE HEER EN MEVROUW [de pleegouders],

hierna te noemen: de pleegouders,

wonende te [woonplaats 2] .

1. Het verloop van de procedure

1.1.. Het procesverloop bestaat uit de volgende stukken:

  • het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;

  • de bericht van mr. Zengin van 8 mei 2026, betreffende een verzoek om uitstel van de zitting;

  • de brief van de griffier aan mr. Zengin van 11 mei 2026;

  • de brief van [minderjarige 1] , ingekomen bij de griffie op 13 mei 2026.

1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:

de advocaat van de moeder;

een vertegenwoordigster namens de GI.

1.3.. Hoewel daartoe correct opgeroepen zijn de moeder en de pleegouders niet bij de zitting verschenen. Bij aanvang van de zitting meldt de advocaat van de moeder dat haar cliënte niet naar de rechtbank zal komen. De kinderrechter zet de zitting voort bij afwezigheid van de moeder en de pleegouders.

1.4.. De [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken tijdens een zogenoemd ‘kindgesprek’. Hiervan heeft [minderjarige 2] gebruik gemaakt. [minderjarige 1] heeft de kinderrechter een brief geschreven. De kinderrechter heeft de aanwezigen voorgehouden wat [minderjarige 2] heeft verteld en [minderjarige 1] heeft geschreven, waarna zij de gelegenheid kregen om daarop te reageren.

2. De feiten

2.1.. De moeder is belast met het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.2..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn sinds 21 augustus 2020 onder toezicht gesteld van de GI. Sinds 20 november 2020 is sprake van een uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.3.. Laatstelijk, bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 15 mei 2025, beide maatregelen verlengd tot 21 mei 2026.

2.4..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] verblijven in een perspectiefbiedend pleeggezin.

2.5.. De kinderrechter heeft kennisgenomen van de brief van de Raad voor de Kinderbescherming van 3 april 2026 waarin de Raad adviseert om in te stemmen met het voorgenomen besluit om de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing na twee jaar te verlengen.

3. De verzoeken

3.1.. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.

3.2.. De GI verzoekt daarnaast om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

3.3.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. Het standpunt van de GI

4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien al jaren op in het pleeggezin. Zij ervaren daar veiligheid, voorspelbaarheid en continuïteit. Met de pleegouders hebben zij een stevige hechtingsrelatie opgebouwd. In de thuissituatie bij de moeder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onveiligheid meegemaakt, met zorgen over de leefomgeving, het onder invloed zijn van de moeder, schulden en het structureel niet nakomen van afspraken door de moeder.

4.2.. Als gevolg van de thuissituatie bij de moeder hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ieder kind-eigenproblematiek. [minderjarige 1] is gediagnosticeerd met trauma- en hechtingsproblematiek. Er zijn zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling, identiteits- en cognitieve ontwikkeling. Op school laat [minderjarige 1] gedragsproblemen zien. Recent is hij overgestapt naar speciaal onderwijs. [minderjarige 1] is gestart met een behandeltraject bij [jeugdzorginstelling] . Hij heeft baat bij structuur, voorspelbaarheid en een vast ritme. [minderjarige 2] laat kenmerken van verlatingsangst zien. Ook bij hem zijn er zorgen over zijn sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling. Ook [minderjarige 2] is gestart bij [jeugdzorginstelling] voor screening en behandeling. Tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is sprake van interactieproblemen. Er is geadviseerd om middels EMDR-storytelling belastende ervaringen binnen de broerrelatie te verwerken met als einddoel de onderlinge relatie te verbeteren.

4.3.. Vanwege de problemen in de onderlinge relatie tussen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en het elkaar versterken in negatief gedrag, hebben zij sinds kort apart van elkaar contact met de moeder. De frequentie in het contact is vanwege de behandeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aangepast. Inmiddels is dit eens per twee weken, twee uur. Met de omgangsbegeleiding is de moeder tevreden. In december 2025 heeft zich een incident plaatsgevonden tijdens het contact met de moeder waarna [minderjarige 1] ontregeld is geraakt. Onverwachts had de moeder haar nieuwe partner meegenomen. Deze partner had maar één arm. Ook reed de moeder weg in een auto, terwijl [minderjarige 1] wist dat zij geen rijbewijs heeft.

4.4.. De moeder bevindt zich momenteel in een onzekere woonsituatie. Zij is onverwachts uit haar woning gezet. Dit zorgt bij haar voor stress en praktische problemen. De moeder krijgt ondersteuning van [stichting] .

4.5.. De verlenging van de maatregelen is nodig om de plaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de pleegouders te waarborgen, alsook hun behandeltraject bij [jeugdzorginstelling] . Dit is in volle gang. Ook omgangsbegeleiding moet gecontinueerd worden. In de komende periode worden de omgangsmomenten in duur verlengd tot drie uur, afhankelijk van de activiteit die ondernomen wordt. Daarnaast zal er in de komende periode een borgingsplan worden opgesteld, waarbij het de wens is om de casus over te dragen naar een vrijwillig kader en te realiseren dat de moeder en de pleegouders de contactmomenten zelfstandig kunnen regelen.

5. Het standpunt van belanghebbende

5.1.. Namens de moeder is, samengevat, aangevoerd dat zij tevreden is met de huidige vorm van omgang waarbij zij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] los van elkaar ziet. Er is daardoor met beiden meer ‘quality time’. Dat de omgang verder wordt uitgebreid, vindt de moeder fijn. Uiteraard zou de moeder [minderjarige 1] en [minderjarige 2] meer willen zien, maar zij realiseert zich dat dit nu niet kan. Zij accepteert het gegeven advies van [jeugdzorginstelling] en maakt een pas op de plaats. Op een dag zou de moeder willen dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer bij haar komen wonen, maar anderzijds ziet de moeder ook dat zij het goed hebben bij de pleegouders. Om die reden kan de moeder dan ook instemmen met de verzoeken.

6. De beoordeling

Wat zegt de wet?

6.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

6.2.. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.

6.3.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

6.4.. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

Inhoudelijke beoordeling

6.5.. Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onverminderd in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderrechter constateert dat de zorgen over de sociaal-emotionele ontwikkeling en identiteitsontwikkeling nog altijd aanwezig zijn. De situatie ten opzichte van de vorige beschikking is daarin niet veranderd.

6.6..
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben intensieve hulpverlening nodig en bevinden zich in een kwetsbare situatie, ook ten opzichte van elkaar. Behandeling bij [jeugdzorginstelling] is in volle gang en is gericht op het verwerken van belastende ervaringen en het verbeteren van hun onderlinge band. De inzet van deze hulpverlening moet gewaarborgd blijven.

6.7.. Ook de omgangsbegeleiding is op dit moment nog nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien de moeder tweewekelijks, los van elkaar. De aanwezigheid van de omgangsbegeleidster biedt hen rust. Hoewel uit het kindgesprek met [minderjarige 2] en de brief van [minderjarige 1] is gebleken dat zij langer omgang wensen met de moeder, is ter zitting besproken dat de omgang inmiddels al in duur is verlengd. De omgang met de moeder verloopt over het algemeen goed, maar blijft ook risicovol. De kinderrechter verwijst daarbij naar het incident in december 2025, zoals gemeld in rechtsoverweging 4.3.

6.8.. Het voorgaande leidt ertoe dat de kinderrechter de ondertoezichtstelling zal verlengen voor de verzochte duur van een jaar. De ingezette hulpverlening blijft daarmee gewaarborgd en de GI blijft daarmee als regievoerder betrokken. In de komende periode zal, naast het continueren van de hulpverlening voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , ook worden bekeken of en in hoeverre de omgang verder kan worden uitgebreid en zal er een borgingsplan worden opgesteld en toegewerkt worden naar een overdracht naar het vrijwillig kader. Zoals ter zitting uitvoering is besproken staan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al geruime tijd onder toezicht. Er moet dan ook zicht komen op een overdracht naar het vrijwillig kader. Indien en voor zover een nieuwe verlenging nodig is, vraagt de kinderrechter de GI om dit borgingsplan te overleggen, dan wel uitvoerig te onderbouwen waarom het niet is gelukt om een borgingsplan op te stellen én wat daaruit de gevolgtrekking is.

6.9.. Over de machtiging tot uithuisplaatsing kan de kinderrechter kort zijn. Deze maatregel dient verlengd te worden om het verblijf van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij het perspectiefbiedend pleeggezin te waarborgen. Daar ontwikkelen zij zich goed en ervaren zij de veiligheid, voorspelbaarheid en continuïteit die zij nodig hebben.

6.10.. De kinderrechter geeft de GI tot slot nog het volgende mee. Sinds 1 juli 2025 hanteert de rechtbank een lijst met categorieën voor uithuisplaatsing omwille van de rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. De kinderrechter benoemt bij het afgeven van de machtiging tot uithuisplaatsing voor welke categorie die machtiging wordt afgegeven. In het geval van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is verzocht om een machtiging tot uithuisplaatsing ‘in een pleeggezin’. Dit valt in de categorie een ‘voorziening voor pleegzorg’.

Uitvoerbaar bij voorraad

6.11.. De kinderrechter zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren omdat het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is dat de beslissing ondanks een eventueel hoger beroep meteen kan worden uitgevoerd.

Brief aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2]

6.12.. De kinderrechter zal [minderjarige 1] en [minderjarige 2] een brief sturen met daarin uitleg over de beslissing die is genomen. In de brief, die naar het adres van de pleegouders zal worden gestuurd, zullen zij het volgende lezen:

Beste [minderjarige 1] ,

Op 20 mei 2026 is er een zitting geweest over een verlenging van jouw ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ik heb je gevraagd om mij te laten weten wat je daarvan vindt.

Jij hebt mij een brief geschreven en uitgelegd wat jij vindt. Je gaf aan dat je het fijn hebt bij je pleegouders en je daar graag wil blijven wonen. Je wil ook graag dat het contact met je mama wat langer is.

Tijdens de zitting heb ik ook met de jeugdbeschermer, [persoon] en de advocaat van je mama gesproken. Iedereen was het erover eens dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu nog nodig zijn. Ik vind dat ook en daarom heb ik deze worden verlengd met één jaar. Dat betekent dat [persoon] bij jullie betrokken blijft en dat de hulpverlening bij [jeugdzorginstelling] ook door blijft gaan. Je blijft dan bij je pleegouders wonen.

Tijdens de zitting is het ook gegaan over het contact met jullie moeder. Iedereen is het erover eens dat het voor jullie fijn is om jullie moeder te zien met begeleiding. Voorlopig blijft dit zo. Van [persoon] heb ik begrepen dat de duur van het contact met je mama al is uitgebreid.

Ik wens jullie allebei het beste toe en ik hoop dat jullie het bij de hulpverlening goed blijven doen. Dit zal jullie helpen voor de toekomst. Als jullie vragen hebben over deze brief, dan kunnen jullie die stellen aan [persoon] . Zij was bij de zitting aanwezig en weet wat er is besproken.

Vriendelijke groeten, ook namens de griffier,

mr. Sumner

De kinderrechter

En de brief voor [minderjarige 2] :

Beste [minderjarige 2] ,

Op 20 mei 2026 is er een zitting geweest over een verlenging van jouw ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Ik heb je gevraagd om mij te laten weten wat je daarvan vindt.

Ik heb met jou op de rechtbank een gesprek gehad. Ik vond het een fijn gesprek en ik hoop dat jij dat ook vond. Je hebt mij verteld dat je graag bij je pleegouders wil blijven wonen. Je gaf ook aan dat je het contact met je moeder te kort vindt. Ook vertelde je me over jouw hobby’s, zoals vissen. Ik heb hierover veel van je geleerd!

Tijdens de zitting heb ik ook met de jeugdbeschermer, [persoon] en de advocaat van je mama gesproken. Iedereen was het erover eens dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voor nu nog nodig zijn. Ik vind dat ook en daarom heb ik deze worden verlengd met één jaar. Dat betekent dat [persoon] bij jullie betrokken blijft en dat de hulpverlening bij [jeugdzorginstelling] ook door blijft gaan. Je blijft dan bij je pleegouders wonen.

Tijdens de zitting is het ook gegaan over het contact met jullie moeder. Iedereen is het erover eens dat het voor jullie fijn is om jullie moeder te zien met begeleiding. Voorlopig blijft dit zo. Van [persoon] heb ik begrepen dat de duur van het contact met je mama al is uitgebreid.

Ik wens jullie allebei het beste toe en ik hoop dat jullie het bij de hulpverlening goed blijven doen. Dit zal jullie helpen voor de toekomst. Als jullie vragen hebben over deze brief, dan kunnen jullie die stellen aan [persoon] . Zij was bij de zitting aanwezig en weet wat er is besproken.

Vriendelijke groeten, ook namens de griffier,

mr. Sumner

De kinderrechter

6.13.. Dit leidt tot de volgende beslissing.

7. De beslissing

De kinderrechter:

7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;

7.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 21 mei 2026 tot 21 mei 2027;7.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.

Mai Multe Decizii