ECLI:NL:RBZWB:2026:5437
Rezumatul Cauzei
Civiel recht; Personen- en familierecht
Uitspraak
Breda
beschikking
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Breda
Zaaknummers: C/02/447026 / JE RK 26-638
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,
locatie Tilburg, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI),
over de minderjarige:
[minderjarige],
geboren op [geboortedag] 2018 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige]
De kinderrechter merkt in deze zaak als belanghebbende aan:
[de moeder], hierna te noemen: de moeder,
wonende te [woonplaats 1] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende te [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. N. Schietekatte uit Rotterdam,
[de oma],
hierna te noemen: [de oma] ,
wonende in [woonplaats 2] .
Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:
- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidwest Nederland, locatie Breda,
hierna te noemen: de Raad, om de kinderrechter over de verzoeken te adviseren.
1. Het verloop van de procedure
1.1..
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen bij de griffie op 8 april 2026;
het stelbericht van mr. Schietekatte van 14 april 2026;
het bericht van de moeder dat zij niet bij de zitting aanwezig zal zijn, ingekomen bij de griffie op 17 mei 2026.
1.2.. Op 20 mei 2026 heeft de kinderrechter de zaak mondeling behandeld tijdens de zitting met gesloten deuren. Bij die gelegenheid waren aanwezig en zijn gehoord:
de vader, bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;
[de oma] , bijgestaan door mr. M.S. Krol als waarnemend advocaat;
twee vertegenwoordigsters namens de GI;
een medewerker namens de Raad.
1.3.. Hoewel daartoe correct opgeroepen is de moeder, met kennisgeving vooraf, niet bij de zitting aanwezig.
1.4.. Volledigheidshalve merkt de kinderrechter hier op dat mr. Krol heeft toegelicht dat zij, anders dan het stelbericht van mr. Schiettekatte vermeldt, als waarnemend advocaat optreedt voor zowel de vader als [de oma] .
2. De feiten
2.1.. Op [geboortedag] 2023 is [minderjarige] uit de moeder geboren.
2.2..
De vader heeft [minderjarige] erkend. De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het
ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.3..
De vader heeft een relatie en woont samen met [de oma] . [de oma] is
de biologische moeder van de moeder en de oma van [minderjarige] .
2.4..
Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 23 mei 2025 is [minderjarige]
onder toezicht gesteld van de GI tot 23 mei 2026. Daarnaast is een machtiging tot
uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend tot 23 augustus 2025.
2.5.. Bij beschikking van 15 augustus 2026 heeft de kinderrechter van deze rechtbank de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verlengd tot 23 mei 2026.
2.6..
Op grond van voormelde machtiging is [minderjarige] uit huis geplaatst en verblijft zij in een
neutraal pleeggezin.
3. De verzoeken
3.1.. De GI verzoekt om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar.
3.2.. De GI verzoekt daarnaast om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlengen voor de duur van zes maanden.
3.3.. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. Het standpunt van de GI
4.1.. Ter onderbouwing van en in aanvulling op het verzoek voert de GI, samengevat, het volgende aan. [minderjarige] is opgeroeid in een complex familiesysteem en heeft spanningsvolle situaties meegemaakt waarbij sprake was van huiselijk geweld. Op dit moment verblijft [minderjarige] in een pleeggezin van [woongroep] . Daar ontwikkelt zij zich positief. De pleegouders zijn in staat om [minderjarige] de veilige opvoedplek te geven die zij nodig heeft.
4.2.. Gezien wordt dat [minderjarige] veel last heeft van spanningen. Dit komt tot uiting in onrustig slapen. Met name voor en na de omgangsmomenten met de vader en [de oma] – eenmaal per week drie uur onder begeleiding – laat [minderjarige] spanning zien, wat zich uit in schreeuwen, spugen en het op de lip bijten. Voor en na de omgang met de moeder (eveneens eens per week drie uur onder begeleiding) zijn deze uitingen niet zichtbaar. Zij laat een beginnende hechtingsrelatie met de moeder zien. Dit maakt het extra spijtig dat de moeder in maart 2026 om een time-out heeft gevraagd en zij momenteel volledig uit contact is.
4.3.. De GezinsManager (hierna: DGM) komt nog met een advies over hoe het vervolgtraject ten aanzien van de contacten met de ouders er uit moet zien. Op dit moment zijn de ouders zoekende hoe zij, los van het verleden, gezamenlijk vorm kunnen geven aan toekomstgericht ouderschap. Het wantrouwen tussen de ouders blijft een belemmerende factor, evenals de invloed van het bredere familiesysteem. Van gelijkwaardig ouderschap is geen sprake, terwijl dit van belang is voor de bepaling van het toekomstperspectief. De vader en [de oma] moeten leren om de moeder een rol te (blijven) geven in het leven van [minderjarige] .
4.4.. Een verlenging van de maatregelen is nodig. [minderjarige] kan op dit moment niet terug naar een van de ouders. Er zijn forse zorgen over de opvoedsituatie bij de vader en [de oma] . Hierop is nog geen zicht verkregen. Er blijft een zekere onzekerheid over de vraag of [minderjarige] zich kan ontwikkelen om het complexe familiesysteem. Daarnaast heeft DGM extra tijd nodig voor omgangsobservaties vanuit de thuissituatie en ouderschap-reorganisatiegesprekken. De benodigde persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] zijn nog niet afgenomen. De aanmelding voor een persoonlijkheidsonderzoek verloopt moeizaam. Meerdere zorgaanbieders zijn hiervoor benaderd. De gemeente draagt niet bij aan de kosten. De GI heeft een persoonlijkheidsonderzoek nodig naast het advies van DGM. Dit heeft betrekking op het complexe familiesysteem en de keuzes die de vader en [de oma] daarin maken. Hoe de verwekking van [minderjarige] tot stand is gekomen is bijzonder. Er zijn daarin keuzes gemaakt die door de ouders anders worden ervaren. De moeder spreekt van misbruik door de vader. Deze keuzes maken dat er mogelijk sprake is van een onveilige situatie voor [minderjarige] , ook op het gebied van normen en waarden. De vraag is daarbij ook of er bij de vader en [de oma] sprake is van onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Door middel van het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan dit uitgesloten worden.
4.5.. Desgevraagd verklaart de GI bewust voor een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van zes maanden te hebben gekozen. Deze periode is passend, omdat het advies van DGM nog moet komen.
5. Het standpunt van belanghebbenden en het advies van de Raad
5.1..
Door en namens de vader en [de oma] is, kort samengevat, het volgende aangevoerd. Tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten de vader en [de oma] zich niet.
Ten aanzien van de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verzocht om dit verzoek voor drie maanden toe te wijzen, onder aanhouding van het resterende deel. Binnenkort, in juli, volgt een evaluatie van de hulpverlening. Dat dient te worden afgewacht alvorens er verdere beslissingen worden genomen. Ten aanzien van de persoonlijkheids-onderzoeken geldt dat de vader en [de oma] overal aan mee willen werken. In de vorige beschikking wordt onterecht als doel gesteld dat zij aan persoonlijkheidsonderzoeken dienen mee te werken. De kinderrechter kan bij een ondertoezichtstelling doelen opstellen, echter daarbij moet het altijd gaan om het wegnemen van de ernstige ontwikkelingsbedreiging. Het verplicht deelnemen aan een persoonlijkheidsonderzoek valt daar niet onder. Bovendien, al zou dit verplicht kunnen worden, dan is nog de vraag wat dit oplevert, omdat dit alleen zal kijken naar de DSM en dit niets zegt over opvoedvaardigheden. De vragen die de GI beoogt te beantwoorden, namelijk ten aanzien van de normen en waarden van de vader en [de oma] , worden met een persoonlijkheidsonderzoek niet beantwoord. Hiervoor kan andere hulpverlening worden ingezet, zoals systeemtherapie. Dat er sprake is van een complexe situatie wordt niet ontkend. De geschiedenis kan echter niet gewist worden. Met de kennis van nu hadden de vader en [de oma] andere keuzes gemaakt. De vraag is echter hoe met de geschiedenis om wordt gegaan en hoe [minderjarige] hier later in mee wordt genomen. Daar moet meer zicht op komen en dat zicht is er vanuit DGM. Op dit moment is [minderjarige] neutraal geplaatst. De vader staat achter de omgang van [minderjarige] met de moeder. Daar is ook hulpverlening op ingezet. Het contact tussen [minderjarige] , de vader en [de oma] verloopt positief. Concluderend geldt; de vader en [de oma] werken over al mee, er is contact, de vader en [de oma] accepteren de moeder en DGM komt over drie maanden met een conclusie. Er is gelet daarop geen reden voor een toewijzing van het verzoek voor de duur van zes maanden.
5.2.. De Raad adviseert de kinderrechter, samengevat, als volgt. De Raad ondersteunt het verzoek van de GI alsook de koppeling die de GI maakt tussen de resultaten van de hulpverlening door DGM als de persoonlijkheidsonderzoeken bij de vader en [de oma] . De Raad vindt daarnaast systemisch onderzoek van belang. Het is echter niet noodzakelijk dat de twee sporen van persoonlijkheidsonderzoek en systemisch onderzoek gelijktijdig worden gelopen. Dit kan los van elkaar plaatsvinden.
6. De beoordeling
Wat zegt de wet?
6.1.. Op grond van artikel 1:260 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255, eerste lid BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
6.2.. Op grond van artikel 1:255, eerste lid BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;
de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid BW, in staat zijn te dragen.
6.3.. Op grond van artikel 1:265b, eerste lid BW kan de kinderrechter de GI, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.
6.4.. Op grond van artikel 1:265c, tweede lid BW kan de kinderrechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:265b lid 1 BW is voldaan, de duur van de machtiging uithuisplaatsing telkens verlengen met ten hoogste een jaar.
Inhoudelijke beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
6.5.. Gelet op de overgelegde stukken en de zitting is gebleken dat [minderjarige] nog altijd in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Er is sprake van een complex familiesysteem. De vraag is of [minderjarige] zich binnen dit systeem positief kan ontwikkelen. Daarnaast zijn er nog altijd zorgen over onveiligheid en de normen en waarden van de vader en [de oma] . Een nieuwe zorgelijke ontwikkeling is dat de moeder uit contact is getreden en dat [minderjarige] spanningen laat zien na een contactmoment met de vader en [de oma] . Dit moet verder onderzocht worden. Ook statusvoorlichting moet nog plaatsvinden.
6.6.. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de in de beschikking van 23 mei 2025 genoemde zorgen nog altijd aanwezig zijn. Gebleken is verder dat de vader en [de oma] zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling verzetten. Zij zijn bereid om mee te werken aan hulpverlening, alsook aan een persoonlijkheidsonderzoek, en/of systeemtherapie. Hulpverlening vanuit DGM in de vorm van ouderschap-reorganisatiegesprekken en omgangsobservatie is in volle gang. In de komende periode dient deze hulpverlening gecontinueerd te worden. Gelet op het complexe familiesysteem is dit naar het oordeel van de kinderrechter niet mogelijk in het vrijwillig kader. De kinderrechter is daarom van oordeel dat voldaan wordt aan de wettelijke vereisten van een ondertoezichtstelling. De kinderrechter zal het verzoek om verlenging van de ondertoezichtstelling dan ook toewijzen.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
6.7.. Naar aanleiding van de overgelegde stukken en wat er tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is dat zij vooralsnog uit huis geplaatst blijft. De kinderrechter neemt daarbij in aanmerking dat [minderjarige] op dit moment niet bij een van de ouders teruggeplaatst kan worden. De omgangsobservaties zijn in volle gang, alsook ontbreekt het zicht op de opvoedsituatie bij de ouders. DGM is weliswaar betrokken, maar heeft nog langere tijd nodig om tot een advies te komen. Daarnaast blijft de verhouding tussen de vader, de moeder en [de oma] zeer complex.
6.8.. Ten aanzien van de duur van de verlenging zal de kinderrechter aansluiten bij het verzoek en het advies van de Raad. De kinderrechter overweegt daarbij dat is gebleken dat DGM nog tijd nodig heeft om tot een gedegen advies te komen. Wanneer de kinderrechter de verlenging zal toestaan voor de door de vader en [de oma] verzochte periode van drie maanden, zal naar verwachting van de kinderrechter de hulpverlening niet zijn afgerond. Immers, enerzijds is er nog geen duidelijkheid over de omgangsobservatie, anderzijds omdat er nog onvoldoende zicht is op wat de omgang met [minderjarige] doet én hoe de ontwikkelingen ten aanzien van de medewerking van de moeder verlopen. De kinderrechter vertrouwt er daarbij op dat, indien [minderjarige] wel teruggeplaatst kan worden bij een van de ouders, de GI hiertoe overgaat zodra dit kan.
6.9.. Het voorgaande betekent dat de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] zal verlengen voor de verzochte duur van zes maanden. Hiermee blijft de plaatsing van [minderjarige] in haar huidige neutrale pleeggezin gewaarborgd. Gebleken is dat [minderjarige] zich hier goed ontwikkelt.
Doelen ondertoezichtstelling
6.10..
De kinderrechter zal, zoals ter zitting uitvoering is besproken, ingaan op de bij de ondertoezichtstelling gestelde doelen. De kinderrechter zal de doelen zoals genoemd in de beschikking van 23 mei 2025 in rechtsoverweging 5.4 overnemen, met uitzondering van de doelen ‘Er wordt een persoonlijkheidsonderzoek afgenomen bij de vader en de
Wensmoeder en ‘Er wordt een NIKA traject ingezet om meer zicht te krijgen op de interactie/de gehechtheidsrelatie tussen [minderjarige] en de vader, [minderjarige] en de wensmoeder en [minderjarige] en de
moeder’. De kinderrechter benadrukt dat alle overige doelen van kracht blijven. Het is daarbij de GI die bepaalt of en welke hulpverlening er wordt ingezet.
6.11.. Ten aanzien van de persoonlijkheidsonderzoeken volgt de kinderrechter het standpunt van de advocaat van de vader en [de oma] ; een persoonlijkheidsonderzoek kan richting geven aan de in te zetten hulpverlening, maar zal naar verwachting niet de antwoorden brengen waarnaar de GI op zoek is. Deze antwoorden kunnen ook worden gevonden bij de inzet van andere hulpverlening, zoals systeemtherapie. Dit neemt echter niet weg dat een persoonlijkheidsonderzoek wel kan bijdragen aan het krijgen van zicht op het geheel. De kinderrechter volgt de Raad in zijn standpunt dat het afnemen van een persoonlijkheidsonderzoek kan plaatsvinden naast het inzetten van systeemtherapie. Het een hoeft niet te wachten op het ander.
6.12.. Indien de GI het persoonlijkheidsonderzoek noodzakelijk acht geeft de kinderrechter haar het volgende mee. Op grond van de Jeugdwet is de gemeente verantwoordelijk voor de financiering van persoonlijkheidsonderzoeken die nodig zijn in het kader van jeugdhulp aan kinderen en hun ouders (zie de artikelen 2.6 lid 1 sub a juncto 2.4 lid 2 onderdeel b Jeugdwet). Het is aan de GI om te regelen dat het persoonlijkheids-onderzoek plaats kan vinden en betaald wordt. De kinderrechter geeft hierbij uitdrukkelijkaan dat hij de noodzaak van een persoonlijkheidsonderzoek volledig onderschrijft, maar de kinderrechter kan dit niet opleggen in het kader van deze maatregel.
6.13.. Zoals de GI ter zitting naar voren heeft gebracht, blijft het doel terugwerken naar huis. Ten aanzien van de omgang geldt dat de uitbereiding daarvan reeds is ingezet. Dit duidt erop dat in feite al wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing. De kinderrechter geeft de GI mee dat wanneer wordt getwijfeld over de haalbaarheid van een thuisplaatsing, zij de Raad kunnen vragen om een onderzoek naar het perspectief van [minderjarige] . Dit geldt ook voor het geval de GI vasthoudt aan een thuisplaatsing en zij na zes maanden een verlenging van de uithuisplaatsing nog nodig vindt.
Uitvoerbaar bij voorraad
6.14..
De kinderrechter zal, gelet op de aard van de maatregelen, de beslissing uitvoerbaar
bij voorraad verklaren, zoals is verzocht door de GI. Dat betekent dat de beslissing alvast
moet worden gevolgd, ook als daartegen hoger beroep wordt ingesteld.
7. De beslissing
De kinderrechter:
7.1.. verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] met ingang van 23 mei 2026 tot 23 mei 2027;
7.2.. verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 23 mei 2026 tot 23 november 2026;7.3.. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026 door mr. Sumner, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. Vos als griffier, en op schrift gesteld op 5 juni 2026.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch.