Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5441

Instanță

Middelburg

Data

20 May 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Civiel recht; Personen- en familierecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Middelburg

Procedure: UitspraakDomain: Civiel recht; Personen- en familierechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team Familie- en Jeugdrecht

Middelburg

Zaaknummers: C/02/419261 / FA RK 24-764 (echtscheiding met nevenvoorzieningen) C/02/439527 / FA RK 25-4561 (afwikkeling huwelijkse voorwaarden)

beschikking d.d. 20 mei 2026

in de zaak van

[de vrouw],

wonende te [plaats 1] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Kalle, kantoorhoudende te Middelburg,

en

[de man],

briefadres te [plaats 2] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat: voorheen mr. E.A.G. van Acker (gedesisteerd), thans mr. N.P.M. Planthof, kantoorhoudende te Goes.

Ouders van de minderjarigen: - [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009; - [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011; - [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING WEST ZEELAND,

gevestigd te Middelburg,

hierna te noemen de GI.

Op grond van het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

  • de Raad voor de Kinderbescherming, Zeeland-West-Brabant, locatie Middelburg, hierna te noemen: de Raad, om de rechter over de verzoeken te adviseren.

1. Het verdere procesverloop

1.1.. Dit blijkt uit de volgende stukken:

  • de beschikking van deze rechtbank van 27 februari 2025 en alle daarin genoemde stukken;

  • de brief d.d. 1 april 2025 van mr. Kalle, met nadere producties;

  • de brief d.d.13 mei 2025 van mr. Planthof, met nadere producties;

  • het op 13 juni 2025 ingekomen rapport en advies van de Raad d.d. 11 juni 2025;

  • de brief d.d. 17 november 2025 van mr. Planthof tevens houdende aanvullend verzoek, met nadere producties;

  • het F-formulier van mr. Planthof d.d. 19 november 2025;

  • de brief d.d. 5 december 2025 van mr. Kalle, houdende verweerschrift laatste verzoek, tevens aanvulling verzoeken en overlegging stukken, met bijlagen;

  • de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Planthof overgelegde draagkrachtberekening;

  • de tijdens de mondelinge behandeling op 16 december door mr. Kalle overgelegde draagkrachtberekening.

1.2.. De zaak is laatstelijk behandeld op de mondelinge behandeling van 16 december 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaat. De man is verder bijgestaan door zijn forensisch begeleidster. Tevens was aanwezig een vertegenwoordigster van de Raad en een vertegenwoordigster van de GI.

1.3.. Na afloop van de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken ontvangen:

  • het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Kalle;

  • het F-formulier d.d. 6 januari 2026 van mr. Planthof;

  • het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Kalle;

  • het F-formulier d.d. 20 januari 2026 van mr. Planthof;

  • het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Planthof;

  • het F-formulier d.d. 3 februari 2026 van mr. Kalle;

  • het F-formulier d.d. 2 maart 2026 van mr. Planthof;

  • het F-formulier d.d. 3 maart 2026 van mr. Kalle;

  • het F-formulier d.d. 5 maart 2026 van mr. Planthof;

  • het F-formulier d.d. 18 maart 2026 van mr. Kalle;

  • het F-formulier d.d. 31 maart 2026 van mr. Kalle, met daarbij gevoegd een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst;

  • het F-formulier d.d. 1 april 2026 van mr. Planthof.

1.4.. De minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zijn in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken en [minderjarige 2] en [minderjarige 3] hebben van die gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek op 12 december 2025 en [minderjarige 1] door middel van het schrijven van een brief.

2. De verdere beoordeling

In de procedure FA RK 24-764;

2.1.. De rechtbank verwijst naar de beschikking van 27 februari 2025 waarbij de echtscheiding in het huwelijk tussen partijen is uitgesproken en het hoofdverblijf van de minderjarigen is bepaald bij de vrouw. De echtscheidingsbeschikking is op 20 mei 2025 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.. Verder volgt uit voornoemde beschikking van 27 februari 2025 dat de Raad naar aanleiding van diverse zorgmeldingen een beschermingsonderzoek zal starten ten aanzien van de minderjarigen. De Raad zal in dit beschermingsonderzoek tevens onderzoek doen naar de zorgregeling.

2.3.. De Raad heeft op 11 juni 2025 gerapporteerd en geadviseerd. Samengevat en voor zover van belang adviseert de Raad om de minderjarigen onder toezicht te stellen voor de duur van 12 maanden en de behandeling van de verzoeken m.b.t. de zorgregeling en het contact aan te houden voor een periode van een jaar in afwachting van de resultaten van de hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling.2.4.. Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 22 juli 2025 zijn de minderjarigen onder toezicht gesteld van de GI van 22 juli 2025 tot 22 juli 2026.

2.5.. In geschil zijn nog de (schorsing van de) zorgregeling, de informatieregeling en de kinderbijdrage.

Zorgregeling en informatieregeling;

2.6.. De vrouw verzoekt om voor de duur van één jaar te bepalen dat er geen contacten zijn tussen vader en de kinderen, dan wel te bepalen dat de zorgregeling nader door hulpverlening zal worden vastgesteld. Verder heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen eens per drie maanden met elkaar informatie zullen uitwisselen en zullen raadplegen volgens een nader door de hulpverlening vast te stellen wijze.

2.7..

De man kan niet instemmen met het verzoek van de vrouw om te bepalen dat er één jaar geen contact tussen de kinderen en de man zal zijn en is van mening dat dit verzoek dient te worden afgewezen. De man is van mening dat het contact tussen hem en de kinderen – met tussenkomst van de hulpverlening – zo spoedig mogelijk dient te worden hersteld.

De man is voorts van mening dat de informatieregeling die door de vrouw is verzocht, te beperkt is. De man krijgt weinig tot geen informatie over de kinderen. In het verlengde hiervan is de man van mening dat de vrouw één keer per maand op de eerste van iedere maand per e-mailbericht hem dient te informeren over de ontwikkelingen en het welzijn van de kinderen

2.8.. Door de Raad is ter zitting onder verwijzing naar het raadsrapport van 11 juni 2025 geadviseerd om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen en over de informatievoorziening bij de GI te beleggen in het kader van de ondertoezichtstelling.

2.9.. De rechtbank stelt vast dat er al geruime tijd geen contact is tussen de man en de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] . Beide minderjarigen hebben verklaard op dit moment ook geen contact met hun vader te willen. Duidelijk is dat beide minderjarigen angst hebben voor de man. Hoe dit beeld is ontstaan en of het is ‘aangepraat’ zoals door de man wordt gesteld, doet niet af aan de huidige feitelijke situatie bij de minderjarigen. Van belang is dat dit angstbeeld eerst moet verdwijnen. De minderjarige [minderjarige 1] staat wel open voor contact met zijn vader en er vinden - zo is ter zitting door de man verklaard - ook contacten plaats tussen hen. Verder is door de vrouw verklaard dat er door haar via de GI tweewekelijks een informatieoverdracht plaatsvindt over de minderjarigen aan de man.

2.10.. De rechtbank is van oordeel dat de prioriteit moet liggen bij de kwetsbare minderjarigen. Zij moeten eerst kunnen toekomen aan hun eigen ontwikkeling. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het er over eens zijn - overeenkomstig het advies van de Raad – om de regie over de contacten tussen de man en de minderjarigen alsmede over de informatieregeling te beleggen bij de GI in het kader van de ondertoezichtstelling. De rechtbank zal dit op onderstaande wijze bepalen. Partijen hebben ter zitting hun verzoeken ingetrokken.

Kinderbijdrage;

2.11.. De vrouw verzoekt om een door de man aan haar te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 300,= per kind per maand, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift ‒ zijnde 26 juni 2024.

Behoefte minderjarigen;

2.12.. Bij het bepalen van de behoefte aan een kinderbijdrage hanteert de rechtbank de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen.

2.13.. Voor de vaststelling van de behoefte van de minderjarige is in beginsel het uitgangspunt het netto besteedbaar gezinsinkomen (verder: NBGI) ten tijde van de samenleving van partijen. De rechtbank gaat voor de bepaling van dat gezinsinkomen uit van de inkomens van partijen in 2023, zijnde het laatste volledige jaar voor het uiteengaan.

2.14.. Uit het verhandelde ter zitting volgt dat partijen het erover eens zijn dat het NBGI € 6.279,= bedroeg, hetgeen ook volgt uit de door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen volgens de tabel bedraagt op basis van dat NBGI € 1.630,=. Geïndexeerd naar 2024 is dit € 1.731,=.

Draagkracht onderhoudsplichtigen;

2.15.. Beoordeeld dient te worden in welke verhouding de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen zal worden verdeeld. De rechtbank volgt ook in dit opzicht de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie, inhoudende dat de behoefte van de minderjarigen tussen de onderhoudsplichtigen wordt verdeeld naar rato van hun draagkracht. Daartoe dient eerst het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de onderhoudsplichtigen te worden bepaald. Het bedrag aan draagkracht wordt in 2024 bij inkomens vanaf € 2.065,= per maand vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.270,=)]. Voor de lagere inkomens (beneden een NBI van € 2.065,= per maand) zijn vaste bedragen per categorie van toepassing.

2.16.. Het aandeel van de onderhoudsplichtigen in de behoefte van de minderjarigen becijfert de rechtbank aan de hand van ieders NBI, waarbij hun draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de formule of de tabel, zoals opgenomen in eerder genoemde aanbevelingen.

Draagkracht man;

2.17.. De rechtbank gaat bij gebrek aan recente inkomensgegevens van de man uit van de door de man overgelegde loonstroken over 2024. Daaruit volgt een jaarinkomen van € 51.584,=. De rechtbank houdt verder rekening met de van toepassing zijnde heffingskortingen (algemene heffingskorting en arbeidskorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen.

2.18.. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het NBI van de man op een bedrag van € 3.240,= per maand, hetgeen ook volgt uit voornoemde door mr. Kalle ter zitting overgelegde draagkrachtberekening.

Draagkracht vrouw;

2.19.. De rechtbank zal aan de zijde van de vrouw eveneens uitgaan van haar inkomensgegevens over 2024. De rechtbank zal geen rekening houden met het hogere inkomen van de vrouw per 1 augustus 2025 zoals dat volgt uit de door haar overgelegde salarisspecificaties, omdat de man mogelijk ook een hoger inkomen heeft en dit – in tegenstelling tot de vrouw - niet inzichtelijk heeft gemaakt.

2.20.. De vrouw heeft volgens de jaaropgaaf over 2024 een inkomen van € 40.137,= bruto per jaar. De rechtbank houdt rekening met de van toepassing zijnde premies en heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting) en de verschuldigde inkomstenbelasting. Aan de hand van voormelde uitgangspunten becijfert de rechtbank het huidige inkomen van de vrouw op een bedrag ter hoogte van € 3.010 ,= per maand. Het NBI van de vrouw wordt verhoogd met het kind gebonden budget en de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop waarvoor zij thans in aanmerking komt. Het totale NBI van de vrouw bedraagt aldus € 3.949,=. Dit NBI volgt overigens ook uit de draagkrachtberekeningen die door advocaten ter zitting zijn overgelegd.

Draagkrachtvergelijking;

2.21.. De draagkracht van de man is volgens vorenstaande formule € 699,= per maand. De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule € 1.046,= per maand.

2.22..

De verdeling van de kosten van de minderjarigen over de onderhoudsplichtigen wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte van de minderjarigen, oftewel:

het aandeel van de man bedraagt: € 699 / € 1.745 x € 1.731 = € 693,=;

het aandeel van de vrouw bedraagt: € 1.046 / € 1.745 x € 1.731 = € 1.038,=.

Zorgkorting;

2.23.. Partijen zijn het erover eens dat er geen zorgkorting van toepassing is. Dit betekent dat de man tot het volledige bedrag van zijn draagkracht, zijnde € 693,= ofwel € 231,= per kind per maand in de kosten van de minderjarigen moet voorzien. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw dan ook deels toewijzen.

Ingangsdatum;

2.24.. De rechtbank zal de verplichting tot betaling van die bijdrage laten ingaan op 26 juni 2024, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift, nu de man vanaf dat moment rekening kon houden met de vaststelling van een bijdrage en deze ingangsdatum tussen partijen verder ook niet in geschil is.

In de procedure FA RK 25-4561;

2.25.. Partijen zijn op 25 april 2008 met elkaar gehuwd. Voorafgaand aan het huwelijk hebben partijen huwelijkse voorwaarden opgemaakt bij akte op 23 april 2008. Deze akte is verleden door [notaris] , notaris te [plaats 1] . De huwelijkse voorwaarden houden een gemeenschap van inboedel in, met uitsluiting van elke andere gemeenschap van goederen.

2.26.. Partijen hebben na een schorsing ter zitting overeenstemming bereikt. Partijen zijn overeengekomen dat de voormalige echtelijke woning staande en gelegen te [plaats 1] , gemeente Borsele, [adres] , zal worden verkocht en dat de man (van zijn deel van de verkoopopbrengst) eenmalig een bedrag van € 6.000,= zal voldoen aan de vrouw. Partijen stellen dat daarmee de huwelijkse voorwaarden zijn afgewikkeld. Partijen hebben voornoemde afspraken nader uitgewerkt en vastgelegd in de door mr. Kalle bij F-formulier van 31 maart 2026 ter kennisneming ingediende door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst.

2.27.. Nu partijen overeenstemming hebben bereikt, welke mede is vastgelegd in een door hen opgemaakte vaststellingsovereenkomst, zullen de verzoeken van partijen worden afgewezen. Mr. Kalle heeft met instemming van mr. Planthof aangegeven dat het niet de bedoeling is dat de vaststellingsovereenkomst aan de beschikking wordt gehecht. De rechtbank laat dit dan ook achterwege. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat partijen aan de door hen overeengekomen afspraken zijn gebonden.

3. De beslissing

De rechtbank:

bepaalt dat de regie over de zorgregeling en over de informatieregeling betreffende de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2009, [minderjarige 2] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 2] 2011, en [minderjarige 3] , geboren te [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2016, bij de GI zal zijn;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen op € 231,= per kind per maand, met ingang van 26 juni 2024;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. Holierhoek, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026, in tegenwoordigheid van De Pooter, griffier.

Mededeling van de griffier:

Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:

door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch.

Mai Multe Decizii