Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5745

Instanță

Breda

Data

23 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Zittingsplaats Breda

zaaknummer.: 11588511 \ MB VERZ 25-415

CJIB-nummer: [CJIB-nummer]

uitspraakdatum: 23 juni 2026

proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [adres]

woonplaats : [woonplaats]

hierna: betrokkene

gemachtigde : [gemachtigde] (Verbo Juridisch Advies)

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde en betrokkene zijn niet verschenen.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: voor een motorrijtuig niet de vereiste verzekering afsluiten en in stand houden, geconstateerd middels de RDW-registercontrole op 22 december 2023 om 17:04 uur.

Gemachtigde heeft in het beroepschrift samengevat aangevoerd dat de gedraging niet is verricht. Het zaakoverzicht is in zijn geheel leeg en er staat verder niet in waar betrokkene van beticht wordt. Verder gaat het om een voertuig wat op eigen terrein staat en al geschorst was. Betrokkene is vergeten de schorsing voort te zetten en heeft dit meteen binnen twee dagen gedaan, zelfs nog voor het ontvangen van de beschikking. Verder stelt gemachtigde dat de hoorplicht is geschonden, omdat de werkwijze van het CVOM ertoe leidt dat zaken niet achter elkaar afgehandeld kunnen worden. Gemachtigde verzoekt om een proceskostenvergoeding.

De zittingsvertegenwoordiger heeft verzocht het beroep gedeeltelijk gegrond te verklaren en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Vanuit het CVOM wordt verzocht om een matiging als aan twee voorwaarden wordt voldaan, namelijk de snelheid waarmee alsnog actie is ondernomen door betrokkene en dat niet met het voertuig wordt gereden op de openbare weg. In dit geval is na 28 dagen actie ondernomen, maar is door gemachtigde nagelaten de stelling dat niet met het voertuig werd gereden nader te onderbouwen. Ten aanzien van de hoorplicht verwijst de zittingsvertegenwoordiger naar ECLI:NL:GHARL:2025:7580, waaruit volgt dat het CVOM een planning hanteert met een werkwijze waarbij een gemachtigde iedere tien minuten de telefoon moet opnemen. Dat gemachtigde niet bereikbaar was tijdens de afgesproken telefonische hoorzitting komt voor eigen rekening. Gelet op het voorgaande is het beroep volgens de zittingsvertegenwoordiger inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden, is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Overwegingen

Inhoudelijk

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de gegevens van de RDW - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Het is de verantwoordelijkheid van betrokkene om tijdig actie te ondernemen en het voertuig te verzekeren, dan wel te schorsen. Dat betrokkene dit heeft nagelaten komt voor eigen rekening en risico.

De boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.

Schending hoorplicht

Gemachtigde stelt dat de hoorplicht is geschonden, omdat de gehanteerde werkwijze bij het CVOM ertoe leidt dat zaken niet achter elkaar afgehandeld kunnen worden.

De kantonrechter verwijst naar uitspraak ECLI:NL:GHARL:2025:7580 en is van oordeel dat deze grond van gemachtigde faalt aangezien het CVOM vrij is om een werkwijze te bepalen om haar zaken af te handelen. Dat het CVOM een planning hanteert van opeenvolgende sessies van 10 minuten per zaak komt de kantonrechter redelijk voor. Op deze manier is er voldoende gelegenheid om de zaak af te sluiten. De gemachtigde had daar gebruik van kunnen maken, maar heeft op de telefonische oproep niet gereageerd. Die omstandigheid dient voor zijn rekening te komen.

Overschrijding redelijke termijn

Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.

In dit geval is de redelijke termijn overschreden.

Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Proceskostenvergoeding

Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.

De beslissing van de officier van justitie op het administratief beroep is van na 31 december 2023. Daarom is de vermenigvuldigingsfactor 0,25 van artikel 13a, lid 2, Wahv van toepassing.

De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:

beroepschrift 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75.

Beslissing

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 337,50, plus € 9,- administratiekosten;

‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 112,50, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;

‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 116,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid om de uitspraak mede te ondertekenen.

Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:

de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.

U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Datum verzending:

Hoge Raad 24 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:985.

Mai Multe Decizii