Skip to main content

ECLI:NL:RBZWB:2026:5751

Instanță

Breda

Data

23 June 2026

Limba

nl

Rezumatul Cauzei

Problema Juridică

Strafrecht

Hotărâre / Soluție

Uitspraak

Breda

Procedure: UitspraakDomain: StrafrechtType: uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht

Zittingsplaats Breda

zaaknummer.: 11588682 \ MB VERZ 25-423

CJIB-nummer: [CJIB-nummer]

uitspraakdatum: 23 juni 2026

proces-verbaal van de zitting en uitspraak op een beroep op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)

in de zaak van

naam : [betrokkene]

adres : [adres 1]

woonplaats : [woonplaats]

hierna: betrokkene

gemachtigde : mr. [gemachtigde 2]

Verloop van de procedure

Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.

De zaak is behandeld op de zitting van 9 juni 2026. Namens de officier van justitie is verschenen mr. W. Geijlvoet (hierna: zittingsvertegenwoordiger). Gemachtigde is verschenen. Betrokkene is niet verschenen. Eerdere gemachtigde [gemachtigde 1] namens Boete.nu heeft zich onttrokken en de zaak is in overleg en akkoordbevinding overgedragen aan gemachtigde.

Standpunten

De gedraging waarvoor de boete is opgelegd luidt, kort omschreven: rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken) op de [adres 2] te Breda op 10 september 2023 om 10:43 uur.

Ter zitting heeft gemachtigde aangevoerd dat betrokkene de eigenaar is van het voertuig, maar dat zij de gedraging niet heeft verricht. De daadwerkelijke bestuurder heeft de boete feitelijk gereden. Het bleek dat hij het voertuig een paar dagen later heeft overgenomen. Hij heeft een bedrijf waarbij hij o.a. magazines levert aan allerlei restaurants. In het kader van die werkzaamheden bevoorraadt hij de betrokken restaurants. Daarvoor rijdt hij eigenlijk 5 dagen per week door de zones. Hij was zich ervan bewust dat er laad- en lostijden zijn. Echter, in dit geval betrof het een zondag en had hij een spoedbestelling. Formeel denkt gemachtigde dat de boete terecht is, maar anderzijds denkt gemachtigde dat betrokkene nooit heeft meegekregen dat er andere regels gelden op een zondag. In zijn herinnering was zondag een bezorgbare dag. Het is daarom niet zo’n gekke vraag of een waarschuwing niet op zijn plaats was, met name in combinatie met de bebording. Het is daar bovendien vrij onoverzichtelijk. Een ander formeel punt is dat het schouwrapport niet deugt. Er zit veel tijd tussen. Verder kan gemachtigde niet uitsluiten dat er tussentijds iets aan de hand is geweest met de bebording en of er wel geschouwd is. Mogelijk klopte er iets tijdelijk niet en is er later weer goed geschouwd. Verder is de redelijke termijn overschreden, waardoor de boete met 25% gematigd dient te worden.

De zittingsvertegenwoordiger heeft aangevoerd dat de boete terecht is opgelegd. Op zondag mag op de pleeglocatie niet worden gereden en de bebording is hier duidelijk over. De waarschuwingsperiode was er, maar die gold niet op de pleegdatum. Die liep van 1 januari 2021 tot 11 juli 2022, waardoor geen waarschuwing hoefde te worden gegeven. Verder moet het schouwrapport binnen 6 maanden voor en na de gedraging dateren en dat is hier het geval, meer specifiek augustus 2023 en september 2023. Er zijn verder geen afwijkende omstandigheden. Dat niet elke maand is geschouwd doet niet af aan de deugdelijkheid. Inhoudelijk ongegrond, maar omdat de redelijke termijn is overschreden is er aanleiding voor een matiging van 25%.

Gemachtigde heeft hierop gereageerd dat het praktisch onuitvoerbaar is om te stoppen en de bebording te lezen. Het zijn er zodanig veel dat het in de praktijk onhandig is. Verder begrijpt gemachtigde de gedachte achter de waarschuwingsperiode, maar vanuit het perspectief van betrokkene is hij niet gewaarschuwd en dat is waarin het verschil zit. Gemachtigde vraagt zich daarom af of systematisch naar het geheel wordt gekeken, of dat specifiek naar het individu wordt gekeken. Betrokkene heeft om die reden wel enige coulance verdiend, ondanks dat de boete formeel terecht kan zijn. Ten aanzien van de proceskostenvergoeding stelt gemachtigde dat het er kortgezegd op neerkomt dat de extra vermenigvuldigingsfactor volgens art. 13a lid 2 sub a en b Wahv niet van toepassing kan zijn volgens ECLI:NL:HR:2025:46 en dat sprake is van een bijzonder geval. Dit standpunt werd recentelijk al bij diverse rechtbanken gehonoreerd, waaronder in een uitspraak die ook werd gepubliceerd: ECLI:NL:RBMNE:2026:635. Voorts is er voor de vorige gemachtigde, [gemachtigde 1], ook recht op een vergoeding gelet op ECLI:NL:RBGEL:2026:3508. Daarbij geldt de herwaardering wel, waardoor de vermenigvuldigingsfactor van toepassing is op diens werkzaamheden. Het vaste uitgangspunt is dat het geld voor betrokkene is en dat hij bepaald wat hij ermee doet.

De zittingsvertegenwoordiger heeft ten aanzien van de proceskostenvergoeding aangevoerd dat het CVOM ervan uitgaat dat de eerdere gemachtigde, [gemachtigde 1] namens Boete.nu, niet betrokken is bij de zaak en de zaak in zijn geheel heeft overgedragen aan gemachtigde [gemachtigde 2]. Dit betekent dat [gemachtigde 1] niet als gemachtigde wordt beschouwd. In deze situatie wordt alleen proceskostenvergoeding toegekend voor handelingen van [gemachtigde 2], meer specifiek het verschijnen ter zitting. Dit zonder vermenigvuldigingsfactor, omdat het een advocaat betreft en geen sprake is van een bijzonder geval als in art. 13a lid 2 Wahv. De zittingsvertegenwoordiger verwijst hiervoor naar ECLI:NL:GHARL:2026:514, waaruit volgt dat alleen de kosten in aanmerking komen voor de werkzaamheden in de kantonfase. Eerdere werkzaamheden van een andere gemachtigde, in dit geval [gemachtigde 1] namens Boete.nu, komen niet voor vergoeding in aanmerking.

Overwegingen

Inhoudelijk

De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken in het dossier - met name uit de verklaring van de verbalisant en de foto - voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In zaken op grond van de Wahv biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien gemachtigde voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring of indien dergelijke feiten en omstandigheden uit het dossier blijken.

De kantonrechter ziet in wat gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant. De schouwrapporten zijn in orde en een waarschuwing was niet noodzakelijk omdat de gedraging buiten de waarschuwingsperiode valt. Daarbij stelt de kantonrechter vast dat betrokkene anders had kunnen en moeten handelen, nu betrokkene bekend is met de pleeglocatie. Dat betrokkene onvoldoende rekening heeft gehouden met de geldende regels ter plaatse komt voor eigen rekening en risico.

De boete is dus terecht aan betrokkene als kentekenhouder opgelegd.

Overschrijding redelijke termijn

Iedereen heeft recht op behandeling van zijn rechtszaak binnen een redelijke termijn (artikel 6, lid 1 van het EVRM). Volgens vaste rechtspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:GHARL:2017:1777) is sprake van schending van die redelijke termijn van berechting wanneer de procedure bij de officier van justitie en de kantonrechter samen langer dan twee jaar heeft geduurd. Deze termijn vangt aan bij het opleggen van de boete.

In dit geval is de redelijke termijn overschreden.

Omdat sprake is van een overschrijding zal de kantonrechter de boete matigen met 25% (zie ECLI:NL:GHARL:2023:6369). Het beroep is dus gedeeltelijk gegrond. De beslissing van de officier van justitie zal worden gewijzigd. Het bedrag dat betrokkene te veel aan zekerheid heeft betaald moet door de officier van justitie worden terugbetaald.

Proceskostenvergoeding

Omdat de boete wordt gematigd is er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Daarbij gaat het alleen om de kosten in de fase waarin de redelijke termijn is overschreden, dus de kosten van het beroep bij de kantonrechter.

Naar het oordeel van de kantonrechter komen de verrichte werkzaamheden voor vergoeding in aanmerking en heeft het onttrekken van een eerdere gemachtigde geen terugwerkende kracht. De werkzaamheden zijn verricht en er zijn geen bijzondere redenen zijn om deze werkzaamheden uit te zonderen van de gebruikelijke vergoedingsregeling.

Daarnaast verwijst de kantonrechter naar ECLI:NL:HR:2025:985 en stelt zij vast dat sprake is van een bijzonder geval, waardoor bij de proceskostenvergoeding van gemachtigde [gemachtigde 2] geen vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast. Omdat het beroepschrift door gemachtigde [gemachtigde 1] is ingediend en daarbij geen sprake is van een bijzonder geval, wordt bij de toekenning van dat punt wel een vermenigvuldigingsfactor toegepast.

De proceskostenvergoeding is als volgt berekend:

beroepschrift kantonrechter, 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- x 0,25 = € 116,75

zitting kantonrechter: 1 punt x gewicht 0,5 x € 934,- = € 467,00

totaal € 583,75

Beslissing

De kantonrechter:

‒ verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

‒ wijzigt de beslissing van de officier van justitie in die zin dat de boete wordt gematigd tot € 120, plus € 9,- administratiekosten;

‒ draagt de officier van justitie op het bedrag van € 40, dat betrokkene te veel als zekerheidstelling heeft betaald, aan betrokkene terug te betalen;

‒ veroordeelt de officier van justitie tot het vergoeden van de proceskosten van betrokkene van € 583,75.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Verschueren, kantonrechter, bijgestaan door de griffier E. Alekperov, en uitgesproken op 23 juni 2026.

De griffier is niet in de gelegenheid om deze uitspraak mede te ondertekenen.

Als u het niet eens bent met deze beslissing, dan kunt u binnen 6 weken na de hieronder vermelde datum van verzending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, maar alleen als:

de boete meer dan € 110,00 bedraagt, of

uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u niet of niet op tijd zekerheid heeft gesteld.

Het beroepschrift moet worden ingediend bij Rechtbank Zeeland-West-Brabant, Team strafrecht, postbus 90008, 4800 PA Breda Het beroepschrift moet zijn ondertekend door degene die beroep heeft ingesteld of door de gemachtigde.

U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.

De procedure bij het gerechtshof verloopt geheel schriftelijk, tenzij u in het beroepschrift uitdrukkelijk vraagt om een zitting waarop u uw standpunt mondeling wilt toelichten.

Datum verzending:

Mai Multe Decizii